En wat als (extreem)links (extreem)rechts groot gemaakt heeft?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak in kortere versie.

In de aanloop naar onze verkiezingen zien we over het algemeen een sterke verschuiving naar rechts: zoals in verschillende andere landen trouwens, niet in het minst onze ‘nuchtere’ bovenburen. Moeten we ons daar zorgen over maken? Is de paniek bij links terecht? Staat ‘rechts’ dan gelijk met ‘achteruitgang’? Als extreemrechts grotendeels een proteststem is, waartégen protesteren ze dan? Want waar rook is, is vuur: hebben ze misschien wel ergens een punt – of een puntje? En waarom stelt niemand in links zich de vraag of ze dat misschien zelf veroorzaakt en gevoed hebben?

Ik wil even duidelijk stellen: ik zie mezelf voor 100% als een centrumfiguur. Ik heb geen enkele affiniteit met extreemrechts gedachtengoed, nooit gehad. Ik zie evenveel sterke punten in rechts als in links, en evenveel zwakheden. De polarisatie maakt het debat helaas heftiger en holler: men schiet wederzijds op zelfgecreëerde karikaturen, maar praat – lees: schreeuwt – naast elkaar door. Het niveau van elementaire beleefdheid en respect zakt bij elke verkiezing, en de trucs om de ander zwart te maken, worden steeds professioneler en geslepener.

Is de hoofdreden van de verrechtsing dan de migratie? Is de gemiddelde Vlaming echt zulke racist? In mijn omgeving zie ik dat soort mensen niet. Er zijn vele redenen waarom mensen rechtser stemmen: politieke, economische, sociale, morele… Er is ook een algemeen (onderbuik)gevoel dat deze maatschappij aan het ontsporen is: depressies en burn-outs, wachtlijsten in de jeugdpsychiatrie… Heeft links alle morele en sociale remmen losgegooid? Een graffiti op de triomfboog in het Jubelpark schreeuwde het uit: ‘Fuck gender roles’. Oh ja? Is dat waar we naartoe willen? Willen we promoten dat iedereen op elk moment van geslacht kan veranderen zoals het clipje ‘genderkoek’ beweert? En dat er overal in openbare gebouwen aparte toiletten en douches komen voor ‘x’ en x aantal andere gendersoorten? Dat jongeren met genderdysforie vanaf 9 jaar kunnen beslissen over hun geslacht en pas vanaf 18 jaar alcohol kopen? En dat sekswerk als een eerbaar, sociaal beroep moet beschouwd worden?

Ik mis vooral dat links in eigen boezem kijkt. Progressief zijn is uiteraard goed: niemand wil ‘achteruit’ – rechts trouwens ook niet. Maar niet elke vooruitgang is verbetering. Als je op een slippery slope naar een ravijn staat, is ‘blind vooruitstormen’ een collectieve zelfmoord. Als er extreemrechts bestaat en dat een gevaar vormt, geldt dat voor extreemlinks ook.

Links/extreemlinks kan heel erg drammerig zijn: veel burgers hebben het gevoel dat er van alles door hun strot geduwd wordt. Activisten zijn op zich idealisten en bewonderenswaardig, maar kunnen soms vér over de grens gaan, eindeloos op één punt hameren en alle rationaliteit en contact met de realiteit verliezen. Ze worden militant, fanatiek, soms hoogst intolerant en irritant. De pro-Palestijnse studentenprotesten viseren alle contacten met Israël, ook zij die niets met Gaza te maken hebben, en zijn behoorlijk manipulerend en chanterend. Bij zulke emotionele oproepen is altijd de – gebalanceerde en onderbouwde – waarheid het eerste onschuldige slachtoffer.

Ook waar het over klimaat gaat, lijkt het alsof kritische bedenkingen niet meer mogen geuit worden. Een sereen debat met vóór- en tegenargumenten wordt gemuilkorfd. Misschien is dat nog wat de gemiddelde Vlaming het meest stoort: het gevoel van censuur: alles wat je aan de linkerzijde niet meer mag zeggen, zelfs dénken! Een onzichtbare gedachtenpolitie waait door onze media. Dat je kwetsbare groepen niet moet stigmatiseren: helemaal akkoord. Maar als stigmatiseren verward wordt met ‘kritische tegenstemmen’, wordt het behoorlijk verstikkend. We krijgen collectief kromme tenen. Slachtofferdenken wordt aangemoedigd: de underdog heeft altijd gelijk.

Problematisch wordt het wanneer rechts moreel verdacht wordt gemaakt: zij zijn verstard, verblind, ‘nog niet verlicht’, krampachtig… Ze beseffen het van zichzelf niet, maar eigenlijk reageren ze vanuit angst. Want als je niet helemaal pro bent, ben je islamofoob, homofoob, transfoob…: het is onmogelijk dat je ernstige, wetenschappelijke argumenten hebt. Dat er – kleine groepen? – van zulke mensen zijn, zal niemand betwisten, maar alle anderen over één kam scheren is intellectueel niet eerlijk. De woorden ‘rechts’ en ‘extreemrechts’ worden gemakshalve door elkaar gebruikt als dat beter uitkomt. Links voelt zich moreel duidelijk superieur: zij zijn open, modern, cool, hip, ‘mee met de tijd’, toekomstgericht, tolerant, breeddenkend… De tegenpartij moreel diskwalificeren is de beste tactiek om niet meer naar hen te hoeven luisteren, om in je eigen gelijk te wentelen.

Links zijn zij die in ethische kwesties altijd gevochten hebben voor ‘Je mag niet oordelen’, maar nu doen ze exact hetzelfde, enkel met andere criteria. Vroeger werden echtbrekers en hoerenlopers veroordeeld, nu, na de seksuele revolutie, de moraalridders zelf. En de lijst wordt steeds langer: wie een open haard brandt, met een diesel rijdt, met het vliegtuig op vakantie gaat… foei, foei! Shame on you!

Waarom is ‘conservatief’ toch een vies woord? We besteden miljoenen om onze oude schatten van gebouwen en kunst te bewaren, maar de traditionele – al of niet christelijke – gezinswaarden worden woest met de sloophamer afgebroken. Hoe schizofreen kan je zijn? Wat goed en kostbaar is en zijn degelijkheid bewezen heeft, moeten we uiteraard bewaren en koesteren. De waarheid zit altijd in het midden! Sommige dingen moet je veranderen, andere moet je bewaren. Hoe simpel kan het zijn?

‘Verandering’ – change! – als hoofdslogan bij verkiezingen is intussen zo hol en leeg dat het niets meer betekent: alle kampen roepen dit, omdat het volgens de communicatiespecialisten ‘goed voelt’. Inhoud nul.

We moeten ons dus de ernstige vraag stellen: is de verschuiving naar rechts in feite een verschuiving ‘terug naar het centrum’? Terug naar gezond verstand, naar balans? Mag het scheefgetrokken boompje weer recht a.u.b.?

Links riskeert haar sterke kwaliteiten rond sociale gerechtigheid te verspelen en haar geloofwaardigheid te verliezen door zich te vergalopperen in extreemlinkse standpunten die niemand ten goede komen, en die constant koren op de molen zijn van extreemrechts. Als beide kampen uit de loopgraven komen, de emoties laten zakken en elkaar de hand kunnen reiken, blijkt dat ze véél dichter bij elkaar staan dan ze denken. Na 9 juni zullen ze dat sowieso moeten.

Zullen ‘onze’ mensen de laatsten zijn?

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Bij rechts-nationalistische partijen hoort men regelmatig dat het eigen volk voorrang moet krijgen op migranten. “Eigen volk eerst”, “Nederlanders weer op 1”, “America first”… Deze partijen grijpen vaak terug naar een christelijk verleden bij het definiëren van het volk dat ze vervolgens eerst plaatsen. Maar zegt Jezus niet: “De eersten zullen de laatsten zijn.”

Het concept volk is niet goed gedefinieerd. Wie is Vlaming, bijvoorbeeld? Iemand die Vlaams spreekt? Die in Vlaanderen woont? Wiens voorouders hier woonden? Hoewel nationalisten vaak het idee van een primordiaal volk mythologiseren, erkent ook de Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken dat een volk aflijnen geen exacte wetenschap is. Het concept berust meer op een buikgevoel dan op objectieve criteria. Toch stelt Van Grieken dat het ‘christelijke’ en het ‘blanke’ cruciale factoren moeten zijn bij het definiëren van de Vlaamse identiteit. “Onze mensen” zijn dus vooral blanke (cultuur-)christenen? Zo’n vermenging van christendom en volksnationalisme lach ik vaak snel weg met wat religiologisch denken: in Jezus’ rangorde zet het Vlaams Belang zo de Vlaming als laatste en de migrant als eerste. De ironie! Alleen negeer ik zo te gemakkelijk de terechte nationalistische kritiek op een te naïef universalisme. 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

Massa’s vluchtelingen en conflict met Israël: het is niet de eerste keer dat dit het recept vormt voor een burgeroorlog in Libanon

Origineel gepubliceerd in De Morgen en Dimanche.

Recent werd Pascal Sleiman gekidnapt nabij Byblos in Libanon. Sleiman was een hoge functionaris van de Libanese Strijdkrachten, een christelijke politieke partij en militie. Zijn lichaam werd een dag later in Syrië gevonden. Hoewel het Libanese leger oordeelde dat Sleiman gedood werd bij een carjacking door een Syrische bende, zag zijn partij dat anders: “een politieke moord tot het tegendeel bewezen is”. De vinger wees naar Hezbollah, de sjiitische partij en militie, bondgenoot van Syrië en vijand van de Libanese Strijdkrachten.

Na de moord waren heel wat Libanese christenen uit op wraak. In Byblos, christelijke buurten in Beiroet en elders legden bewoners Syrische vluchtelingen een uitgaansverbod op, bedreigden hen met uitzetting en vielen hen aan. Veel Syriërs brachten het suikerfeest door opgesloten in eigen huis, uit angst voor represailles. Op de begrafenis van Sleiman noemde de Maronitische patriarch al-Rahi de Syriërs “een bedreiging voor de Libanezen”, al spoorde hij christenen wel aan om niet te kiezen voor “wraak en opruiing”.

Met zowel Hezbollah als de Syrische vluchtelingen in het vizier van de Libanese Strijdkrachten bereikt de spanning in Libanon nieuwe hoogten. Al sinds 7 oktober vreest men in het Israëlisch-Palestijnse conflict te zullen meegesleurd worden. De Libanese Strijdkrachten verfoeien Hezbollahs geweld tegen Israël, wat de communautaire spanningen in het verdeelde Libanon ten top drijft. De vraag is hoelang die spanning kan aanhouden. Het zou niet de eerste keer zijn dat massa’s vluchtelingen en conflict met Israël de achtergrond vormen voor een burgeroorlog.

BURGEROORLOG

Midden jaren 70 woonden honderdduizenden Palestijnen in Libanese kampen nadat ze de Israëlische bezetting van hun gebieden ontvlucht waren. Vanuit Libanon voerde de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) een gewapende strijd tegen Israël, wat Libanon diep verdeelde. Linkse en islamitische partijen steunden het Palestijnse verzet vanuit een pan -Arabische solidariteit, terwijl christelijke partijen de Palestijnen zagen als een bedreiging voor de nationale soevereiniteit. Na Zwarte Zaterdag in ‘75 werd het conflict een sektarische burgeroorlog, waarbij Libanezen elkaar doodden op basis van godsdienst.

Wanneer het Israëlische leger Libanon binnenviel in ‘82 om terug te slaan tegen de PLO, waren christelijke groeperingen zoals de Libanese Strijdkrachten natuurlijke bondgenoten. De beruchte massamoord op Palestijnen in Sabra en Shatila werd zo door Israël gecoördineerd en door Libanese christenen uitgevoerd. Hezbollah werd gesticht tijdens de Israëlische bezetting van Libanon als verzetsbeweging en verdreef Israël uiteindelijk.

Vergeleken met de jaren 70 kent Libanon vandaag een nog veel grotere aanwezigheid vluchtelingen: zo’n 1,5 miljoen Syriërs en vijfhonderdduizend Palestijnen tegenover vijf miljoen Libanezen. En er is nog steeds geweld vanuit Libanon tegen Israël, al komt dat vandaag vooral van Hezbollah, eerder dan Palestijnen. Maar het patroon is gelijkaardig: massa’s vluchtelingen en conflict met Israël. Het was al eens het recept voor een burgeroorlog. Zal de geschiedenis zich herhalen?

HET VERLEDEN VERWERKEN

Na de burgeroorlog eind jaren 80 verruilden de militieleiders hun militaire pakken voor maatpakken en beklommen politieke posities. Ze vergaven zichzelf met een amnestie en dwongen de Libanese bevolking tot amnesie. De wonden van de burgeroorlog werden niet behandeld, en zijn blijven etteren. Omdat de Libanese gemeenschappen nooit verzoend zijn, konden de corrupte sektarische leiders Libanon verdelen als een maffiakartel. Ze holden het land uit, wat zich sinds 2019 manifesteert in een dramatisch economische implosie. De massa Syrische vluchtelingen weegt zeker, maar zij zijn een te gemakkelijke zondebok. De kern van het probleem is het sektarisme dat in stand gehouden wordt doordat het verleden niet verwerkt is. Zo blijven groeperingen als Hezbollah machtig.

Maar er zijn ook individuen en gemeenschappen die het verleden wel verwerkt hebben. Tijdens de 17 oktoberrevolutie in 2019 stond een nieuwe generatie politieke spelers op met een sterk discours tegen het sektarisme en voor het algemene goed. Netwerken van imams en priesters zetten in op interreligieuze dialoog, om onder andere de kwalijke, sektarische retoriek in kerk en moskee aan te pakken. En lokale kerken zoals de mijne overwonnen hun diepgewortelde haat voor Syriërs – christenen leden erg onder de Syrische bezetting tijdens de burgeroorlog – en organiseren voedselbedelingen en runnen scholen voor Syrische kinderen.

Voorlopig heeft dit allemaal weinig effect op nationale schaal, waar de teneur nog steeds sektarisch is. Als Libanon een herhaling van haar oorlogsgeschiedenis wil vermijden, is het cruciaal dat Libanezen hun gewelddadige verleden confronteren en verwerken. Het zal geen verschil meer maken voor de huidige escalatie tussen Israël, door-Iran-gesteunde groeperingen als Hamas, Hezbollah en de Hoethis, en nu ook Iran zelf. Daarvoor is het te laat. Maar in het belang van de volgende generatie moet Libanon haar verleden en zodoende het sektarisme te boven komen.


Een beter debat: hoe maken we abortus onnodig?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Toen eerder dit jaar het abortusdebat oplaaide, schreef een lezer van De Standaard een brief getiteld Een abortus onderga je enkel en alleen omdat het nodig is. In het stuk legt de schrijfster uit hoe zij en haar man kozen voor een abortus toen hun tweede zwangerschap een tweeling bleek te zijn. Ze beschrijft hoe hartverscheurend het was om te ‘kiezen voor het nu, voor wat er al was. Een bewuste en zelfbewuste beslissing uit liefde en verantwoordelijkheidszin.’

Volgens het expertisecentrum Sensoa waren in 2021 de meest aangehaalde redenen voor abortus ’te jong’, ‘geen kinderwens’ en ‘voltooid gezin’. Ook volgens Sensoa waren er in 2021 iets minder dan 17.000 abortussen in België. Het huidige parlementair debat gaat om de mogelijke uitbreiding van de toegelaten abortustermijn van twaalf weken tot achttien of twintig weken. Dat debat moet worden gevoerd. Maar we nemen best ook tijd om te debatteren over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat er zo min mogelijk mensen zich tot een abortus genoodzaakt voelen. Want zoals de vrouw in haar lezersbrief schrijft: ‘Ik ben er ook van overtuigd dat niemand een abortus wil.’

Koppige realiteit

Sensoa zet zich in om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. De organisatie promoot kennis over voortplanting, kennis van anticonceptie, praten over de kinderwens, enzovoort. Dit heeft een stevige impact op het aantal onverwachte zwangerschappen. Maar zelfs met de beste voorbehoedsmiddelen en voorzorg is een zwangerschap niet volledig uit te sluiten: het blijft een koppige biologische realiteit gelinkt aan seks. Wanneer zo’n onverwachte zwangerschap dan toch voorvalt, kiezen velen voor een abortus.

Wat zijn de factoren die ervoor zorgen dat mensen een abortus niet alleen bij de ‘klassieke gevallen’ als verkrachting en zware handicap als nodig ervaren? Waarom voelt men zich te jong, wil men geen kinderen of kan er geen kind meer bij? Welke sociale, economische of andere realiteiten leiden daartoe? Hoe kunnen we koppels en vrouwen omkaderen en ondersteunen zodat we met betere alternatieven abortus kunnen terugdringen tot de allerlaatst-te-overwegen optie? Tot een uitzondering? Debatteren we niet beter daarover?

In het huidige debat lijken het ontluikende leven en de moeder vaak tegen elkaar uitgespeeld te worden. Het klopt dat een foetus op achttien of twintig weken verre van volledig ontwikkeld is en zeker nog niet zonder moeder kan. Maar het gaat toch wel ver als je beschuldigd wordt van ‘emotionele argumenten (…) om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen‘ wanneer je zo’n foetus als ‘leven’ beschouwt, laat staan dat je het een ‘kind’ noemt. Wetenschappers kunnen heel goed het ‘hoe’ en ‘wat’ van een foetus beschrijven, maar kunnen daar per definitie geen waardeoordeel over uitspreken – dat is een ethische kwestie. Helaas wordt dat feit verdoezeld doordat nogal veel mensen steevast over de aanbevelingen van een ‘wetenschappelijk comité’ spreken. Dat geeft de ethische en juridische interpretaties van wetenschappelijke feiten over levensvatbaarheid en pijnperceptie de illusie van objectiviteit.

Baby

Mijn vrouw is momenteel achttien weken zwanger van ons vierde kind. Het wezen in haar baarmoeder heet wetenschappelijk gezien een foetus, heeft waarschijnlijk geen of beperkte pijnperceptie. Het is nog niet levensvatbaar ex utero, en heeft voor zover we weten geen zelfbewustzijn. Voor onze andere kinderen heet de foetus in de buik van mijn vrouw een baby en is die baby op echo’s al wekenlang een herkenbaar, groeiend mensje. Hij of zij zal een volwassen persoon en vriend van zijn of haar grotere zussen worden. En, ongelukken daargelaten, zal hij/zij ook alle pijn en vreugde die bij het leven horen ervaren.

Dit zijn geen ‘emotionele argumenten om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen’. Het is de realiteit van de meeste gewenste zwangerschappen. Het is een andere benadering van dezelfde wetenschappelijke feiten. Wij hebben de luxe dat we ons niet tot een abortus genoodzaakt voelen en leven mee met zij die wel in die situatie zitten. Want we geloven ook dat niemand een abortus wil, zoals die lezeres het schreef.

Dus opnieuw, hoe kunnen we ervoor zorgen dat vrouwen en koppels ervaren dat er betere opties zijn dan abortus? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat bij onverwachte zwangerschappen abortus almaar minder als noodzaak wordt gezien? Hoe kunnen we er zoveel mogelijk een én-én-verhaal van maken: moeder én kind (of moeder én foetus, als je wil). Is dat niet een beter debat?

Geestelijke harttransplantatie

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Van de vier grote christelijke feesten – naast Kerstmis, Pasen en Hemelvaart – is Pinksteren zonder twijfel het minst gevierd, bekend en begrepen. Het is ook het minst ‘tastbare’ feest: het reikt ons weinig attributen aan om er folklore rond te bouwen, zoals een kerststal of paaseieren. Bovendien is het het meest spirituele feest, en dus het moeilijkst te vatten. Maar het belang en de reikwijdte ervan is zwaar onderschat, tot onze eigen schade en schande: de geestelijke bloedarmoede van de westerse Kerk was zeker niet onvermijdelijk.

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

“Geloof leeft op deze school”

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Enkele weken geleden opende de protestants-evangelische school De Schatkist officieel de deuren van haar nieuwbouw in Brussel. Onderwijsminister Sven Gatz kwam de school inhuldigden, die enkele jaren voordien nog een advies tot sluiten kreeg. “Ons traject is een aaneenschakeling van wonderen”, zegt directrice Jorien Creemers.

Hoe is de school aan de sluiting ontsnapt?
Jolien Creemers: “Na vele jaren van bidden richtten vijf visionaire mensen De Schatkist op in 2015, in Haren. Een jaar later werd de school echter al doorgelicht door de inspectie – die de hele cluster protestants-evangelische scholen inspecteerde. We hadden toen nog veel te weinig ervaring en, toegegeven, er zat ook een aantal dingen niet juist. Het advies tot sluiten was terecht. We kregen twee à drie jaar om ons te herpakken. Daarin hebben we enorm veel steun gekregen van het katholiek onderwijs, dat ons vakkundig begeleid heeft. IPCO – de koepel van vrije protestants-evangelische scholen – heeft sowieso een sterke administratieve samenwerking met het katholiek onderwijs en volgt ook het katholieke leerplan. Enkel de godsdienstlessen geven we een kenmerkend evangelische invulling.” 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

Misbruik van AI is symptoom van diepere kwaal aan universiteiten

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Wetenschappelijk onderzoek lijkt ons nu al onmogelijk zonder AI”, kopte De Standaard donderdag. Het is wat straf uitgedrukt misschien, maar dat het onderzoek in heel wat disciplines versnelt dankzij AI, klopt helemaal. Op het AI-lab van de VUB gebruik ik ook enkele van de toepassingen die op basis van een rondvraag bij 17 professoren beschreven worden. ChatGPT als sparringpartner in korte digitale brainstormsessies, DeepL als uitmuntende vertaler voor Indo-Europese talen: het kan heel wat tijd besparen. Dat geldt ook bij onderzoek zelf, zoals geneticus Maarten Larmuseau stelt. Zo bouwde Google Deepmind een database met de door AI voorspelde 3D-structuren van 200 miljoen ­eiwitten. De structuur voor één eiwit in het lab bepalen, vergt soms jaren tijd en kan miljoenen euro kosten, dus de voorspellingen van Deepmind kunnen biologisch onderzoek enorm versnellen.

Dat AI ook op een kwalijke manier gebruikt kan worden, is niet onbekend. Alle technologie kan misbruikt worden. Dat wordt ook in het opiniestuk erkend. Voorbeelden zijn studenten die taken met generatieve AI produceren of academici die papers niet meer zelf reviewen maar dat heimelijk overlaten aan ChatGPT. Ook in ons lab worden we daarmee geconfronteerd via generieke AI-gegenereerde motivatiebrieven van kandidaat-doctoraatsstudenten. De proffen die voor het artikel in deze krant bevraagd werden, zijn er wel van overtuigd dat ze voorlopig nog het verschil kunnen zien tussen een paper uit de pen van een mens en één gegenereerd met AI.

Zonder menselijke inbreng

Ik ben er alleen niet van overtuigd dat dat onderscheid in de praktijk altijd gemaakt wordt. Zo verscheen onlangs in het tijdschrift Surfaces and Inter­faces van de grote wetenschappelijke uitgever Elsevier een paper die begint met: Certainly, here is a possible introduction for your topic … Die zin is onmiddellijk herkenbaar als het begin van een ChatGPT-antwoord op een prompt.

Wat is er waarschijnlijk gebeurd? De auteurs genereerden hun introductie met ChatGPT en namen die klakkeloos over in de paper. Nadien keurden de reviewers die Elsevier aanstelde om de paper te evalueren, die goed zonder die (grondig) te lezen. Daarna publiceerden de editors van Surfaces and Interfaces de paper, eveneens zonder die (grondig) na te lezen. Het is een academische schande die niet tot deze ene paper beperkt blijft. Er zijn honderden papers te vinden met gelijkaardige zinnen die het onverantwoord gebruik van ChatGPT verraden.

Systemen als ChatGPT gebruiken bepaalde woorden veel frequenter dan mensen. Het Engelse woord to delve (opdiepen) bijvoorbeeld is er zo een. Als men naar het gebruik van dat woord zoekt in enkele reusachtige ­databanken met medische publicaties, ziet men dat tot 2022 dat woord tussen de 0,31 en 0,56 keer voorkwam per 1.000 papers. In 2023 stijgt dat plots tot 7,9 keer per 1.000 papers. Dat ChatGPT daarvoor verantwoordelijk is, is hoogstwaarschijnlijk: het systeem werd eind 2022 gelanceerd. De vraag is nu: hoeveel van die papers werden enkel verbeterd met ChatGPT, en bij hoeveel werden er stukken integraal door ChatGPT geschreven, zonder menselijke inbreng?

Publicatiedrift

Toch is AI niet het probleem. Dat AI onverantwoord gebruikt wordt, is veeleer symptomatisch voor een dieper falen van de academische wereld. De druk om te presteren ligt zo hoog bij academici dat de shortcuts die AI aanbiedt, heel aantrekkelijk kunnen zijn. Die academische druk wordt wel eens beschreven als publish or perish (“publiceer of ga ten onder”). De logica van marktconcurrentie in de academische wereld leidt tot ongezonde competitie tussen collega’s en universiteiten.

Er wordt te veel naar kwantitatieve metrieken gekeken om te oordelen wie het goed doet, wie een academische positie kan verwerven, of wie fondsen toegekend krijgt. Hoe meer papers, hoe beter. Hoe vaker je reviewt voor een journal, hoe beter. Hoe meer master- en doctoraatsstudenten je doet slagen, hoe beter. Op die manier wordt een klimaat geschapen waarin kwantiteit primeert op kwaliteit, net als in een kapitalistische vrije markt. En daar lijdt de wetenschappelijke output onder, met als gevolg ChatGPT-papers.

Is het niet tijd om opnieuw na te denken over andere modellen voor de academische wereld? De wetenschap is toch een publieke aangelegenheid, waarbij iedereen ideaal gezien samen streeft naar het algemene goed? Waarbij iedereen het succes van een ander kan vieren als vooruitgang voor de gemeenschappelijke wetenschappelijke inspanning? Kunnen we niet een omgeving creëren waarbij de noodzakelijke verantwoording en transparantie hand in hand gaan met de gezamenlijke hogere doelen van de wetenschap, waarbij vooral kwaliteit op de lange termijn belangrijk is?

We mogen individuele wetenschappers niet ontslaan van de eigen verantwoordelijkheid om de wetenschap op een ethische manier te ­bedrijven. We kunnen hen daarbij wel helpen door een gezondere context te scheppen die meer samenwerking en kwaliteit bevordert en de bureaucratische last verlicht. Dan zal er minder druk zijn om AI te misbruiken.

Bekommer u om wie levensmoe is

Origineel gepubliceerd op DeWereldMorgen.

Eufemismen spelen een specifieke rol in taal. In het originele Grieks betekende euphemizein iets als “spreken met mooie woorden.” Eufemismen zijn verbloemingen die de luisteraar ‘beschermen’ tegen een ‘niet zo aangename’ realiteit – om het met een eufemisme te zeggen. De ene keer dienen eufemismen om een moreel bezwaarlijke zaak te verbergen. “Endlösung” bijvoorbeeld. Of “enhanced interrogation techniques.”

Andere keren worden eufemismen gebruikt, niet om een moreel bezwaarlijke zaak te verbergen, maar net omdat de samenleving haar morele kompas hercalibreert. “Zelfdoding” bijvoorbeeld. Of “zwangerschapsonderbreking.” De realiteit blijft onaangenaam, maar het morele oordeel erover verandert en er is dus nieuwe, zachtere taal nodig.

Deze week pleitte voorzitter van de Christelijke Mutualiteiten (CM), Luc Van Gorp, dat een uitbreiding van de euthanasiewetgeving soelaas moet bieden voor de versnellende vergrijzing. Ook wie het leven moe is moet “uit het leven kunnen stappen,” stelt hij met een courant eufemisme. Dat zou de sociale zekerheid redden. Met zijn radicale voorstel ziet Van Gorp zich echter genoodzaakt om taalkundig te innoveren: om de voorgestelde realiteit gemakkelijker te slikken moeten we het niet meer hebben over “zelfdoding” of zelfs “uit het leven stappen”, maar over “het leven teruggeven.”

Teruggeven aan wie? Aan God? Van Gorp zit de nog steeds christelijke mutualiteiten voor. Zijn oplossing kan echter niet bepaald christelijk genoemd worden. Toevallig publiceerde de paus deze week een nieuwe verklaring genaamd “dignitas infinita”, waarin hij stelt dat het menselijke leven van oneindige waarde is. Wat Van Gorp voorstelt is eerder een stap in de richting van de trivialisering van het leven. Hij kreeg dan ook de wind van voren van CD&V, maar ook vanuit andere politieke hoeken.

Onlangs wou een Grieks-Franse dakloze die het leven moe was in Halle voor de trein springen. Een vrouw stopte hem echter, zei dat hij zijn problemen eerst met God moest bespreken en stuurde hem naar de kerk van mijn schoonouders. Zij vingen hem enkele dagen op, hielpen hem naar Griekenland te reizen om daar zijn papieren in orde te brengen, en ontvingen hem onlangs opnieuw met geregulariseerde identiteitspapieren in hand. Hij kan zijn leven in België heropstarten.

Wat zou Van Gorp gezegd hebben tegen die man? Dat als hij het leven moe was, hij maar moest springen? Het zou namelijk een win-win situatie zijn: hij moet zich niet meer door het leven sleuren en de sociale zekerheid moet zich niet meer om hem bekommeren. Uiteraard zou Van Gorp niet zo cru zijn om dat te zeggen. Deze dakloze was trouwens ook geen senior. Maar waarom zouden we discrimineren op basis van leeftijd? Levensmoe is levensmoe, niet? Zoals al vaker gezegd is deze week kunnen we ons beter bekommeren om mensen die het leven moe zijn, dan ze onder de trein te gooien om onze sociale zekerheid te redden.

Jezus in het migratiedebat

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Migratie is hét thema van de komende verkiezingen. Politici en experts kruisen er al maanden de degens over. De Brusselse evangelische voorganger Gottlieb Blokland heeft jaren ervaring in vluchtelingenwerk: “De bescherming van de vreemdeling is een Bijbels principe.”

“Je zult je naaste liefhebben als jezelf”, zegt Leviticus. Jezus stelde dat dit gebod tot eeuwig leven leidt, samen met: “Je zult de Heere, je God, liefhebben met heel je hart.” Een schriftgeleerde reageerde echter gepikeerd: “Maar wie is mijn naaste dan?” Ten tijde van een wijdverspreid cultureel hellenisme en Romeins imperialisme bedoelde hij: moet ik enkel mijn Joodse buren liefhebben of ook de heidense vreemdelingen? Tweeduizend jaar later resoneert deze vraag nog steeds. Moet eigen volk eerst? Of dwingt de naastenliefde ons ook ons om vreemdelingen te bekommeren? Gottlieb Blokland schreef zijn boek Ik ben een vreemdeling geweest als bezinning op deze vragen. Hij richt zich in de eerste plaats tot de evangelische gemeenschap van België, “hoewel maatschappelijk niet zo invloedrijk”, maar zijn werk is ook relevant voor andere christenen die met migranten in aanraking komen. En dat is ondertussen bijna iedereen, constateert hij, al was het maar op straat of in de winkel. 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

‘Pasen en het christelijke ideaal van zelfopoffering: wat wanneer liefde pijn doet?’

Origineel gepubliceerd op Knack.

Het christendom is en blijft een niet-evidente godsdienst: haar diepste drive gaat in tegen onze ingebakken menselijke neigingen. De opperste daad in het Nieuwe Testament is de kruisdood van Jezus: welke andere religie predikt zelfopoffering als moreel ideaal? En voegt daaraan toe dat iedereen die Jezus wil volgen, ook zijn kruis moet opnemen (Matt. 16:24)? Het lijkt wel een recept om zo weinig mogelijk aanhangers te krijgen, en toch is ze al eeuwenlang de grootste godsdienst ter wereld. Wat een paradox. De waarde van zelfopoffering zal waarschijnlijk nooit populair of ‘hip’ zijn: ze zal vandaag weinig likes krijgen in onze sociale media. Moderne reclameboodschappen verkondigen ons ‘Verwen jezelf’, nooit ‘Verloochen jezelf’; ‘Geniet maximaal’, nooit ‘Ga vasten en bidden’. In een cultuur van verleuking is christelijke moraal allesbehalve ‘in’. Zelfverloochening snijdt in ons vlees, soms echt diep. En als we het toch moéten doen, vaak met veel tegenzin en tegenstribbelen.

Vanaf de jaren 1960-1970 werd het morele ideaal van zelfopoffering door progressieve psychologen bekritiseerd en verdacht gemaakt: het was emotioneel schadelijk, onderdrukkend, remmend, een vorm van nodeloze zelfkwelling. Zelfverwerkelijking werd de nieuwe waarde van het humanisme, en dat voelde sowieso véél beter en leuker aan. Gezonde zelfliefde werd nu dé norm. Bevrijdend, vond men. In ieder geval een veel hoger feel good-gehalte. Maar is dit een waardig en valabel moreel alternatief?

Het klopt dat zelfopoffering soms doorsloeg in zelfpijniging: heremieten of monniken die zichzelf geselden tot bloedens toe, en andere vormen van extreme ascese – praktijken die trouwens reeds door Paulus zelf uitdrukkelijk afgekeurd werden (Kol. 2:23). Zelfopoffering kan inderdaad soms ongezond en dus psychisch schadelijk zijn: wanneer ze van buitenaf opgelegd en geforceerd is. Echte zelfopoffering veronderstelt dat je dit zelf vrij kiest: dat je geen slachtoffer bent dat te zwak is om ‘nee’ te zeggen en slaafs over zich heen laat lopen. Wanneer je vrijwillig je rechten aan de kant kan schuiven, is het een teken van grote morele kracht, van karakter en stevige ruggengraat.

Even terug naar Pasen: Jezus had tientallen kansen om de kruisdood te ontlopen. Hij had zich wat ‘diplomatischer’ kunnen opstellen in zijn woorden tegen de farizeeën, zich houden aan wat ‘religieus correct’ was in zijn tijd. Of nog simpeler: had hij na zijn arrestatie tegenover het joodse sanhedrin gezegd: ‘Nee hoor, ik ben niet de Zoon van God’, dan hadden ze hem na een stevige geseling weer gewoon laten gaan. Hij deed geen enkele stap om te vluchten: hij zou de beker van het lijden tot de bodem leegdrinken. Het was de prijs van zijn missie, en hij wou daar niet op afdingen, zelfs niet toen hij doodsangsten uitstond in Gethsemane en bloed zweette: omdat hij vóór zich zag wat het zou opleveren.

Sommige andere religieuze leiders hebben ook offers gebracht: het bloed van hun tegenstanders, ongelovigen en goddelozen. Jezus verkoos zijn eigen bloed te vergieten. De Franse antropoloog René Girard wijdde er een diepgaand onderzoek aan: hoe de boodschap van het evangelie 180° ingaat tegen de offerpraktijken van toenmalige religies (die allemaal mensen- en kinderoffers brachten). Jezus maakte een einde aan het oude, heidense zondebok-mechanisme door zelf zondebok te worden: ‘het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. De inspiratie voor het wereldberoemde meesterwerk van Jan Van Eyck uit 1432.

Christendom en humanisme lijken op het eerste zicht voor 95% op elkaar, maar hier botsen ze toch frontaal: zelfopoffering of zelfverwerkelijking als centrale waarde is diametraal tegengesteld. Humanisme is ten diepste individualistisch: het gaat uit van míjn rechten, mijn leven, mijn geluk. Christendom gaat uit van het grotere geheel en een hogere bestemming: niet de mens is het centrum van het universum, maar God. Mijn leven heeft vooral zin als ik het inschakel in Gods grootse, wereld-en-tijd-overstijgende plan. Het bijbelse hoofdgebod is de liefde: éérst aan een ander denken, dan aan jezelf. Niet simpel, maar wel gezond en ‘logisch’. Want als 8 miljard mensen zichzelf tot centrum van het universum maken, heb je toch wel een gigantisch, kosmisch probleem, nietwaar? Het leidt tot het uit elkaar vallen van het sociale weefsel, het onvermogen om nog duurzame en stabiele relaties te hebben, algehele versnippering.

Eigenliefde en naastenliefde zullen altijd in een moeilijke spanning tot elkaar staan. Een gezonde dosis zelfliefde – dus ook zelfverwerkelijking – is noodzakelijk voor een gezond welbevinden, maar het kan niet als morele waarde gelden. Wie als persoonlijke regel heeft ‘Je moet eerst voor jezelf zorgen’, zal, enkel als hij nog wat liefde over heeft, ook aan een ander denken: in de mate dat het voordelig of nodig is. Als natuurlijke sympathie of berekend eigenbelang de lijm is die een samenleving bij elkaar moet houden…?

De moeilijke vraag is: wat doe je wanneer liefde pijn doet? In de harde realiteit is liefde bijna altijd verbonden met een stuk lijden: liefhebben is soms hard werk en pijnlijk. Je kan afgewezen worden, misbegrepen, soms verraden. Wie zijn hart opent, neemt per definitie een risico: hij heeft geen garantie tegen (diep) gekwetst worden. Hier wordt liefde gestript van elk romantisch of sentimenteel Hollywood-sfeertje. Soms voelt het aan als puur sterven, een dolk in je hart. En wat doe je dan? Een grens trekken of je grenzen verleggen? Jezelf afschermen of jezelf overstijgen en… ‘je kruis opnemen’?

Zelfopoffering is alleen gezond en authentiek wanneer ze voortkomt uit liefde. Nog sterker: als die liefde sterk is, voelt het niet eens als een ‘offer’ aan, maar als vreugdevol, als een voorrecht. Iemand die ‘brandt’ van liefde, is vrij van angstige zelfgerichtheid, van een gezwollen ego of ijdelheid: hij is vrij om boven zichzelf uit te stijgen. Enkel iemand met een sterke identiteit kan zoiets: het vraagt veel emotionele maturiteit en – in christelijke termen – ‘heiliging’. Daarom zien christenen in Jezus ‘dé mens’, hét rolmodel. Dat hij naar het kruis ging, deed hij volledig bewust, in helder besef, met overtuiging: zonder terugkrabbelen, zonder zelfmedelijden, zonder wrok of bitterheid tegen de farizeeën of soldaten, zonder verwijt tegenover zijn eigen apostelen die hem vreselijk in de steek lieten, zelfs verraadden en verloochenden. Een mens wordt hier stil van. Zijn voorbeeld is waarschijnlijk onnavolgbaar, maar toch…

Zelfopoffering gaat echter niet alleen om zulke extreme daad als een gruwelijke kruisiging. ‘Je kruis opnemen’ kan zich uiten in 101 vormen en expressies, kleine en grote daden, elke dag opnieuw. Je eigen voorkeur opzij schuiven voor een ander, niet op je rechten staan, klappen incasseren, zorgen voor een langdurig zieke, ’s nachts opstaan voor zieke kinderen, 1001 vormen van vrijwilligerswerk… Soms voelt het aan als evident en vreugdevol, soms is het op de tanden bijten en slikken. De vraag is of we in staat zijn echt lief te hebben wanneer het iets kost!

Jezus kende – zoals de leeuw Aslan in de verhalen van Narnia – de ‘diepere wetten’ en geheimen van God: dat zwakheid de grootste kracht kan verbergen, dat lijden tot glorie leidt, dat liefde sterker is dan de dood. Ook als liefde leidt tot sterven, er is altijd de opstanding. En dat precies is de boodschap van Pasen: de dood heeft niet het laatste woord, hij is verslagen, ontmaskerd, ‘in zijn blootje gezet’.

Aan het einde overwint het Leven. Het Lam van God bij Jan Van Eyck staat daar tegelijk bloedend en triomferend. Wie doorheen het uiterlijke – hoogst onaangenaam bloederige – kan kijken, ziet hemelse glorie: de triomf van de liefde.