Massa’s vluchtelingen en conflict met Israël: het is niet de eerste keer dat dit het recept vormt voor een burgeroorlog in Libanon

Origineel gepubliceerd in De Morgen en Dimanche.

Recent werd Pascal Sleiman gekidnapt nabij Byblos in Libanon. Sleiman was een hoge functionaris van de Libanese Strijdkrachten, een christelijke politieke partij en militie. Zijn lichaam werd een dag later in Syrië gevonden. Hoewel het Libanese leger oordeelde dat Sleiman gedood werd bij een carjacking door een Syrische bende, zag zijn partij dat anders: “een politieke moord tot het tegendeel bewezen is”. De vinger wees naar Hezbollah, de sjiitische partij en militie, bondgenoot van Syrië en vijand van de Libanese Strijdkrachten.

Na de moord waren heel wat Libanese christenen uit op wraak. In Byblos, christelijke buurten in Beiroet en elders legden bewoners Syrische vluchtelingen een uitgaansverbod op, bedreigden hen met uitzetting en vielen hen aan. Veel Syriërs brachten het suikerfeest door opgesloten in eigen huis, uit angst voor represailles. Op de begrafenis van Sleiman noemde de Maronitische patriarch al-Rahi de Syriërs “een bedreiging voor de Libanezen”, al spoorde hij christenen wel aan om niet te kiezen voor “wraak en opruiing”.

Met zowel Hezbollah als de Syrische vluchtelingen in het vizier van de Libanese Strijdkrachten bereikt de spanning in Libanon nieuwe hoogten. Al sinds 7 oktober vreest men in het Israëlisch-Palestijnse conflict te zullen meegesleurd worden. De Libanese Strijdkrachten verfoeien Hezbollahs geweld tegen Israël, wat de communautaire spanningen in het verdeelde Libanon ten top drijft. De vraag is hoelang die spanning kan aanhouden. Het zou niet de eerste keer zijn dat massa’s vluchtelingen en conflict met Israël de achtergrond vormen voor een burgeroorlog.

BURGEROORLOG

Midden jaren 70 woonden honderdduizenden Palestijnen in Libanese kampen nadat ze de Israëlische bezetting van hun gebieden ontvlucht waren. Vanuit Libanon voerde de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) een gewapende strijd tegen Israël, wat Libanon diep verdeelde. Linkse en islamitische partijen steunden het Palestijnse verzet vanuit een pan -Arabische solidariteit, terwijl christelijke partijen de Palestijnen zagen als een bedreiging voor de nationale soevereiniteit. Na Zwarte Zaterdag in ‘75 werd het conflict een sektarische burgeroorlog, waarbij Libanezen elkaar doodden op basis van godsdienst.

Wanneer het Israëlische leger Libanon binnenviel in ‘82 om terug te slaan tegen de PLO, waren christelijke groeperingen zoals de Libanese Strijdkrachten natuurlijke bondgenoten. De beruchte massamoord op Palestijnen in Sabra en Shatila werd zo door Israël gecoördineerd en door Libanese christenen uitgevoerd. Hezbollah werd gesticht tijdens de Israëlische bezetting van Libanon als verzetsbeweging en verdreef Israël uiteindelijk.

Vergeleken met de jaren 70 kent Libanon vandaag een nog veel grotere aanwezigheid vluchtelingen: zo’n 1,5 miljoen Syriërs en vijfhonderdduizend Palestijnen tegenover vijf miljoen Libanezen. En er is nog steeds geweld vanuit Libanon tegen Israël, al komt dat vandaag vooral van Hezbollah, eerder dan Palestijnen. Maar het patroon is gelijkaardig: massa’s vluchtelingen en conflict met Israël. Het was al eens het recept voor een burgeroorlog. Zal de geschiedenis zich herhalen?

HET VERLEDEN VERWERKEN

Na de burgeroorlog eind jaren 80 verruilden de militieleiders hun militaire pakken voor maatpakken en beklommen politieke posities. Ze vergaven zichzelf met een amnestie en dwongen de Libanese bevolking tot amnesie. De wonden van de burgeroorlog werden niet behandeld, en zijn blijven etteren. Omdat de Libanese gemeenschappen nooit verzoend zijn, konden de corrupte sektarische leiders Libanon verdelen als een maffiakartel. Ze holden het land uit, wat zich sinds 2019 manifesteert in een dramatisch economische implosie. De massa Syrische vluchtelingen weegt zeker, maar zij zijn een te gemakkelijke zondebok. De kern van het probleem is het sektarisme dat in stand gehouden wordt doordat het verleden niet verwerkt is. Zo blijven groeperingen als Hezbollah machtig.

Maar er zijn ook individuen en gemeenschappen die het verleden wel verwerkt hebben. Tijdens de 17 oktoberrevolutie in 2019 stond een nieuwe generatie politieke spelers op met een sterk discours tegen het sektarisme en voor het algemene goed. Netwerken van imams en priesters zetten in op interreligieuze dialoog, om onder andere de kwalijke, sektarische retoriek in kerk en moskee aan te pakken. En lokale kerken zoals de mijne overwonnen hun diepgewortelde haat voor Syriërs – christenen leden erg onder de Syrische bezetting tijdens de burgeroorlog – en organiseren voedselbedelingen en runnen scholen voor Syrische kinderen.

Voorlopig heeft dit allemaal weinig effect op nationale schaal, waar de teneur nog steeds sektarisch is. Als Libanon een herhaling van haar oorlogsgeschiedenis wil vermijden, is het cruciaal dat Libanezen hun gewelddadige verleden confronteren en verwerken. Het zal geen verschil meer maken voor de huidige escalatie tussen Israël, door-Iran-gesteunde groeperingen als Hamas, Hezbollah en de Hoethis, en nu ook Iran zelf. Daarvoor is het te laat. Maar in het belang van de volgende generatie moet Libanon haar verleden en zodoende het sektarisme te boven komen.


Een beter debat: hoe maken we abortus onnodig?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Toen eerder dit jaar het abortusdebat oplaaide, schreef een lezer van De Standaard een brief getiteld Een abortus onderga je enkel en alleen omdat het nodig is. In het stuk legt de schrijfster uit hoe zij en haar man kozen voor een abortus toen hun tweede zwangerschap een tweeling bleek te zijn. Ze beschrijft hoe hartverscheurend het was om te ‘kiezen voor het nu, voor wat er al was. Een bewuste en zelfbewuste beslissing uit liefde en verantwoordelijkheidszin.’

Volgens het expertisecentrum Sensoa waren in 2021 de meest aangehaalde redenen voor abortus ’te jong’, ‘geen kinderwens’ en ‘voltooid gezin’. Ook volgens Sensoa waren er in 2021 iets minder dan 17.000 abortussen in België. Het huidige parlementair debat gaat om de mogelijke uitbreiding van de toegelaten abortustermijn van twaalf weken tot achttien of twintig weken. Dat debat moet worden gevoerd. Maar we nemen best ook tijd om te debatteren over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat er zo min mogelijk mensen zich tot een abortus genoodzaakt voelen. Want zoals de vrouw in haar lezersbrief schrijft: ‘Ik ben er ook van overtuigd dat niemand een abortus wil.’

Koppige realiteit

Sensoa zet zich in om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. De organisatie promoot kennis over voortplanting, kennis van anticonceptie, praten over de kinderwens, enzovoort. Dit heeft een stevige impact op het aantal onverwachte zwangerschappen. Maar zelfs met de beste voorbehoedsmiddelen en voorzorg is een zwangerschap niet volledig uit te sluiten: het blijft een koppige biologische realiteit gelinkt aan seks. Wanneer zo’n onverwachte zwangerschap dan toch voorvalt, kiezen velen voor een abortus.

Wat zijn de factoren die ervoor zorgen dat mensen een abortus niet alleen bij de ‘klassieke gevallen’ als verkrachting en zware handicap als nodig ervaren? Waarom voelt men zich te jong, wil men geen kinderen of kan er geen kind meer bij? Welke sociale, economische of andere realiteiten leiden daartoe? Hoe kunnen we koppels en vrouwen omkaderen en ondersteunen zodat we met betere alternatieven abortus kunnen terugdringen tot de allerlaatst-te-overwegen optie? Tot een uitzondering? Debatteren we niet beter daarover?

In het huidige debat lijken het ontluikende leven en de moeder vaak tegen elkaar uitgespeeld te worden. Het klopt dat een foetus op achttien of twintig weken verre van volledig ontwikkeld is en zeker nog niet zonder moeder kan. Maar het gaat toch wel ver als je beschuldigd wordt van ‘emotionele argumenten (…) om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen‘ wanneer je zo’n foetus als ‘leven’ beschouwt, laat staan dat je het een ‘kind’ noemt. Wetenschappers kunnen heel goed het ‘hoe’ en ‘wat’ van een foetus beschrijven, maar kunnen daar per definitie geen waardeoordeel over uitspreken – dat is een ethische kwestie. Helaas wordt dat feit verdoezeld doordat nogal veel mensen steevast over de aanbevelingen van een ‘wetenschappelijk comité’ spreken. Dat geeft de ethische en juridische interpretaties van wetenschappelijke feiten over levensvatbaarheid en pijnperceptie de illusie van objectiviteit.

Baby

Mijn vrouw is momenteel achttien weken zwanger van ons vierde kind. Het wezen in haar baarmoeder heet wetenschappelijk gezien een foetus, heeft waarschijnlijk geen of beperkte pijnperceptie. Het is nog niet levensvatbaar ex utero, en heeft voor zover we weten geen zelfbewustzijn. Voor onze andere kinderen heet de foetus in de buik van mijn vrouw een baby en is die baby op echo’s al wekenlang een herkenbaar, groeiend mensje. Hij of zij zal een volwassen persoon en vriend van zijn of haar grotere zussen worden. En, ongelukken daargelaten, zal hij/zij ook alle pijn en vreugde die bij het leven horen ervaren.

Dit zijn geen ‘emotionele argumenten om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen’. Het is de realiteit van de meeste gewenste zwangerschappen. Het is een andere benadering van dezelfde wetenschappelijke feiten. Wij hebben de luxe dat we ons niet tot een abortus genoodzaakt voelen en leven mee met zij die wel in die situatie zitten. Want we geloven ook dat niemand een abortus wil, zoals die lezeres het schreef.

Dus opnieuw, hoe kunnen we ervoor zorgen dat vrouwen en koppels ervaren dat er betere opties zijn dan abortus? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat bij onverwachte zwangerschappen abortus almaar minder als noodzaak wordt gezien? Hoe kunnen we er zoveel mogelijk een én-én-verhaal van maken: moeder én kind (of moeder én foetus, als je wil). Is dat niet een beter debat?

Geestelijke harttransplantatie

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Van de vier grote christelijke feesten – naast Kerstmis, Pasen en Hemelvaart – is Pinksteren zonder twijfel het minst gevierd, bekend en begrepen. Het is ook het minst ‘tastbare’ feest: het reikt ons weinig attributen aan om er folklore rond te bouwen, zoals een kerststal of paaseieren. Bovendien is het het meest spirituele feest, en dus het moeilijkst te vatten. Maar het belang en de reikwijdte ervan is zwaar onderschat, tot onze eigen schade en schande: de geestelijke bloedarmoede van de westerse Kerk was zeker niet onvermijdelijk.

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

“Geloof leeft op deze school”

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Enkele weken geleden opende de protestants-evangelische school De Schatkist officieel de deuren van haar nieuwbouw in Brussel. Onderwijsminister Sven Gatz kwam de school inhuldigden, die enkele jaren voordien nog een advies tot sluiten kreeg. “Ons traject is een aaneenschakeling van wonderen”, zegt directrice Jorien Creemers.

Hoe is de school aan de sluiting ontsnapt?
Jolien Creemers: “Na vele jaren van bidden richtten vijf visionaire mensen De Schatkist op in 2015, in Haren. Een jaar later werd de school echter al doorgelicht door de inspectie – die de hele cluster protestants-evangelische scholen inspecteerde. We hadden toen nog veel te weinig ervaring en, toegegeven, er zat ook een aantal dingen niet juist. Het advies tot sluiten was terecht. We kregen twee à drie jaar om ons te herpakken. Daarin hebben we enorm veel steun gekregen van het katholiek onderwijs, dat ons vakkundig begeleid heeft. IPCO – de koepel van vrije protestants-evangelische scholen – heeft sowieso een sterke administratieve samenwerking met het katholiek onderwijs en volgt ook het katholieke leerplan. Enkel de godsdienstlessen geven we een kenmerkend evangelische invulling.” 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

Misbruik van AI is symptoom van diepere kwaal aan universiteiten

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Wetenschappelijk onderzoek lijkt ons nu al onmogelijk zonder AI”, kopte De Standaard donderdag. Het is wat straf uitgedrukt misschien, maar dat het onderzoek in heel wat disciplines versnelt dankzij AI, klopt helemaal. Op het AI-lab van de VUB gebruik ik ook enkele van de toepassingen die op basis van een rondvraag bij 17 professoren beschreven worden. ChatGPT als sparringpartner in korte digitale brainstormsessies, DeepL als uitmuntende vertaler voor Indo-Europese talen: het kan heel wat tijd besparen. Dat geldt ook bij onderzoek zelf, zoals geneticus Maarten Larmuseau stelt. Zo bouwde Google Deepmind een database met de door AI voorspelde 3D-structuren van 200 miljoen ­eiwitten. De structuur voor één eiwit in het lab bepalen, vergt soms jaren tijd en kan miljoenen euro kosten, dus de voorspellingen van Deepmind kunnen biologisch onderzoek enorm versnellen.

Dat AI ook op een kwalijke manier gebruikt kan worden, is niet onbekend. Alle technologie kan misbruikt worden. Dat wordt ook in het opiniestuk erkend. Voorbeelden zijn studenten die taken met generatieve AI produceren of academici die papers niet meer zelf reviewen maar dat heimelijk overlaten aan ChatGPT. Ook in ons lab worden we daarmee geconfronteerd via generieke AI-gegenereerde motivatiebrieven van kandidaat-doctoraatsstudenten. De proffen die voor het artikel in deze krant bevraagd werden, zijn er wel van overtuigd dat ze voorlopig nog het verschil kunnen zien tussen een paper uit de pen van een mens en één gegenereerd met AI.

Zonder menselijke inbreng

Ik ben er alleen niet van overtuigd dat dat onderscheid in de praktijk altijd gemaakt wordt. Zo verscheen onlangs in het tijdschrift Surfaces and Inter­faces van de grote wetenschappelijke uitgever Elsevier een paper die begint met: Certainly, here is a possible introduction for your topic … Die zin is onmiddellijk herkenbaar als het begin van een ChatGPT-antwoord op een prompt.

Wat is er waarschijnlijk gebeurd? De auteurs genereerden hun introductie met ChatGPT en namen die klakkeloos over in de paper. Nadien keurden de reviewers die Elsevier aanstelde om de paper te evalueren, die goed zonder die (grondig) te lezen. Daarna publiceerden de editors van Surfaces and Interfaces de paper, eveneens zonder die (grondig) na te lezen. Het is een academische schande die niet tot deze ene paper beperkt blijft. Er zijn honderden papers te vinden met gelijkaardige zinnen die het onverantwoord gebruik van ChatGPT verraden.

Systemen als ChatGPT gebruiken bepaalde woorden veel frequenter dan mensen. Het Engelse woord to delve (opdiepen) bijvoorbeeld is er zo een. Als men naar het gebruik van dat woord zoekt in enkele reusachtige ­databanken met medische publicaties, ziet men dat tot 2022 dat woord tussen de 0,31 en 0,56 keer voorkwam per 1.000 papers. In 2023 stijgt dat plots tot 7,9 keer per 1.000 papers. Dat ChatGPT daarvoor verantwoordelijk is, is hoogstwaarschijnlijk: het systeem werd eind 2022 gelanceerd. De vraag is nu: hoeveel van die papers werden enkel verbeterd met ChatGPT, en bij hoeveel werden er stukken integraal door ChatGPT geschreven, zonder menselijke inbreng?

Publicatiedrift

Toch is AI niet het probleem. Dat AI onverantwoord gebruikt wordt, is veeleer symptomatisch voor een dieper falen van de academische wereld. De druk om te presteren ligt zo hoog bij academici dat de shortcuts die AI aanbiedt, heel aantrekkelijk kunnen zijn. Die academische druk wordt wel eens beschreven als publish or perish (“publiceer of ga ten onder”). De logica van marktconcurrentie in de academische wereld leidt tot ongezonde competitie tussen collega’s en universiteiten.

Er wordt te veel naar kwantitatieve metrieken gekeken om te oordelen wie het goed doet, wie een academische positie kan verwerven, of wie fondsen toegekend krijgt. Hoe meer papers, hoe beter. Hoe vaker je reviewt voor een journal, hoe beter. Hoe meer master- en doctoraatsstudenten je doet slagen, hoe beter. Op die manier wordt een klimaat geschapen waarin kwantiteit primeert op kwaliteit, net als in een kapitalistische vrije markt. En daar lijdt de wetenschappelijke output onder, met als gevolg ChatGPT-papers.

Is het niet tijd om opnieuw na te denken over andere modellen voor de academische wereld? De wetenschap is toch een publieke aangelegenheid, waarbij iedereen ideaal gezien samen streeft naar het algemene goed? Waarbij iedereen het succes van een ander kan vieren als vooruitgang voor de gemeenschappelijke wetenschappelijke inspanning? Kunnen we niet een omgeving creëren waarbij de noodzakelijke verantwoording en transparantie hand in hand gaan met de gezamenlijke hogere doelen van de wetenschap, waarbij vooral kwaliteit op de lange termijn belangrijk is?

We mogen individuele wetenschappers niet ontslaan van de eigen verantwoordelijkheid om de wetenschap op een ethische manier te ­bedrijven. We kunnen hen daarbij wel helpen door een gezondere context te scheppen die meer samenwerking en kwaliteit bevordert en de bureaucratische last verlicht. Dan zal er minder druk zijn om AI te misbruiken.

Bekommer u om wie levensmoe is

Origineel gepubliceerd op DeWereldMorgen.

Eufemismen spelen een specifieke rol in taal. In het originele Grieks betekende euphemizein iets als “spreken met mooie woorden.” Eufemismen zijn verbloemingen die de luisteraar ‘beschermen’ tegen een ‘niet zo aangename’ realiteit – om het met een eufemisme te zeggen. De ene keer dienen eufemismen om een moreel bezwaarlijke zaak te verbergen. “Endlösung” bijvoorbeeld. Of “enhanced interrogation techniques.”

Andere keren worden eufemismen gebruikt, niet om een moreel bezwaarlijke zaak te verbergen, maar net omdat de samenleving haar morele kompas hercalibreert. “Zelfdoding” bijvoorbeeld. Of “zwangerschapsonderbreking.” De realiteit blijft onaangenaam, maar het morele oordeel erover verandert en er is dus nieuwe, zachtere taal nodig.

Deze week pleitte voorzitter van de Christelijke Mutualiteiten (CM), Luc Van Gorp, dat een uitbreiding van de euthanasiewetgeving soelaas moet bieden voor de versnellende vergrijzing. Ook wie het leven moe is moet “uit het leven kunnen stappen,” stelt hij met een courant eufemisme. Dat zou de sociale zekerheid redden. Met zijn radicale voorstel ziet Van Gorp zich echter genoodzaakt om taalkundig te innoveren: om de voorgestelde realiteit gemakkelijker te slikken moeten we het niet meer hebben over “zelfdoding” of zelfs “uit het leven stappen”, maar over “het leven teruggeven.”

Teruggeven aan wie? Aan God? Van Gorp zit de nog steeds christelijke mutualiteiten voor. Zijn oplossing kan echter niet bepaald christelijk genoemd worden. Toevallig publiceerde de paus deze week een nieuwe verklaring genaamd “dignitas infinita”, waarin hij stelt dat het menselijke leven van oneindige waarde is. Wat Van Gorp voorstelt is eerder een stap in de richting van de trivialisering van het leven. Hij kreeg dan ook de wind van voren van CD&V, maar ook vanuit andere politieke hoeken.

Onlangs wou een Grieks-Franse dakloze die het leven moe was in Halle voor de trein springen. Een vrouw stopte hem echter, zei dat hij zijn problemen eerst met God moest bespreken en stuurde hem naar de kerk van mijn schoonouders. Zij vingen hem enkele dagen op, hielpen hem naar Griekenland te reizen om daar zijn papieren in orde te brengen, en ontvingen hem onlangs opnieuw met geregulariseerde identiteitspapieren in hand. Hij kan zijn leven in België heropstarten.

Wat zou Van Gorp gezegd hebben tegen die man? Dat als hij het leven moe was, hij maar moest springen? Het zou namelijk een win-win situatie zijn: hij moet zich niet meer door het leven sleuren en de sociale zekerheid moet zich niet meer om hem bekommeren. Uiteraard zou Van Gorp niet zo cru zijn om dat te zeggen. Deze dakloze was trouwens ook geen senior. Maar waarom zouden we discrimineren op basis van leeftijd? Levensmoe is levensmoe, niet? Zoals al vaker gezegd is deze week kunnen we ons beter bekommeren om mensen die het leven moe zijn, dan ze onder de trein te gooien om onze sociale zekerheid te redden.

Jezus in het migratiedebat

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Migratie is hét thema van de komende verkiezingen. Politici en experts kruisen er al maanden de degens over. De Brusselse evangelische voorganger Gottlieb Blokland heeft jaren ervaring in vluchtelingenwerk: “De bescherming van de vreemdeling is een Bijbels principe.”

“Je zult je naaste liefhebben als jezelf”, zegt Leviticus. Jezus stelde dat dit gebod tot eeuwig leven leidt, samen met: “Je zult de Heere, je God, liefhebben met heel je hart.” Een schriftgeleerde reageerde echter gepikeerd: “Maar wie is mijn naaste dan?” Ten tijde van een wijdverspreid cultureel hellenisme en Romeins imperialisme bedoelde hij: moet ik enkel mijn Joodse buren liefhebben of ook de heidense vreemdelingen? Tweeduizend jaar later resoneert deze vraag nog steeds. Moet eigen volk eerst? Of dwingt de naastenliefde ons ook ons om vreemdelingen te bekommeren? Gottlieb Blokland schreef zijn boek Ik ben een vreemdeling geweest als bezinning op deze vragen. Hij richt zich in de eerste plaats tot de evangelische gemeenschap van België, “hoewel maatschappelijk niet zo invloedrijk”, maar zijn werk is ook relevant voor andere christenen die met migranten in aanraking komen. En dat is ondertussen bijna iedereen, constateert hij, al was het maar op straat of in de winkel. 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

‘Pasen en het christelijke ideaal van zelfopoffering: wat wanneer liefde pijn doet?’

Origineel gepubliceerd op Knack.

Het christendom is en blijft een niet-evidente godsdienst: haar diepste drive gaat in tegen onze ingebakken menselijke neigingen. De opperste daad in het Nieuwe Testament is de kruisdood van Jezus: welke andere religie predikt zelfopoffering als moreel ideaal? En voegt daaraan toe dat iedereen die Jezus wil volgen, ook zijn kruis moet opnemen (Matt. 16:24)? Het lijkt wel een recept om zo weinig mogelijk aanhangers te krijgen, en toch is ze al eeuwenlang de grootste godsdienst ter wereld. Wat een paradox. De waarde van zelfopoffering zal waarschijnlijk nooit populair of ‘hip’ zijn: ze zal vandaag weinig likes krijgen in onze sociale media. Moderne reclameboodschappen verkondigen ons ‘Verwen jezelf’, nooit ‘Verloochen jezelf’; ‘Geniet maximaal’, nooit ‘Ga vasten en bidden’. In een cultuur van verleuking is christelijke moraal allesbehalve ‘in’. Zelfverloochening snijdt in ons vlees, soms echt diep. En als we het toch moéten doen, vaak met veel tegenzin en tegenstribbelen.

Vanaf de jaren 1960-1970 werd het morele ideaal van zelfopoffering door progressieve psychologen bekritiseerd en verdacht gemaakt: het was emotioneel schadelijk, onderdrukkend, remmend, een vorm van nodeloze zelfkwelling. Zelfverwerkelijking werd de nieuwe waarde van het humanisme, en dat voelde sowieso véél beter en leuker aan. Gezonde zelfliefde werd nu dé norm. Bevrijdend, vond men. In ieder geval een veel hoger feel good-gehalte. Maar is dit een waardig en valabel moreel alternatief?

Het klopt dat zelfopoffering soms doorsloeg in zelfpijniging: heremieten of monniken die zichzelf geselden tot bloedens toe, en andere vormen van extreme ascese – praktijken die trouwens reeds door Paulus zelf uitdrukkelijk afgekeurd werden (Kol. 2:23). Zelfopoffering kan inderdaad soms ongezond en dus psychisch schadelijk zijn: wanneer ze van buitenaf opgelegd en geforceerd is. Echte zelfopoffering veronderstelt dat je dit zelf vrij kiest: dat je geen slachtoffer bent dat te zwak is om ‘nee’ te zeggen en slaafs over zich heen laat lopen. Wanneer je vrijwillig je rechten aan de kant kan schuiven, is het een teken van grote morele kracht, van karakter en stevige ruggengraat.

Even terug naar Pasen: Jezus had tientallen kansen om de kruisdood te ontlopen. Hij had zich wat ‘diplomatischer’ kunnen opstellen in zijn woorden tegen de farizeeën, zich houden aan wat ‘religieus correct’ was in zijn tijd. Of nog simpeler: had hij na zijn arrestatie tegenover het joodse sanhedrin gezegd: ‘Nee hoor, ik ben niet de Zoon van God’, dan hadden ze hem na een stevige geseling weer gewoon laten gaan. Hij deed geen enkele stap om te vluchten: hij zou de beker van het lijden tot de bodem leegdrinken. Het was de prijs van zijn missie, en hij wou daar niet op afdingen, zelfs niet toen hij doodsangsten uitstond in Gethsemane en bloed zweette: omdat hij vóór zich zag wat het zou opleveren.

Sommige andere religieuze leiders hebben ook offers gebracht: het bloed van hun tegenstanders, ongelovigen en goddelozen. Jezus verkoos zijn eigen bloed te vergieten. De Franse antropoloog René Girard wijdde er een diepgaand onderzoek aan: hoe de boodschap van het evangelie 180° ingaat tegen de offerpraktijken van toenmalige religies (die allemaal mensen- en kinderoffers brachten). Jezus maakte een einde aan het oude, heidense zondebok-mechanisme door zelf zondebok te worden: ‘het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. De inspiratie voor het wereldberoemde meesterwerk van Jan Van Eyck uit 1432.

Christendom en humanisme lijken op het eerste zicht voor 95% op elkaar, maar hier botsen ze toch frontaal: zelfopoffering of zelfverwerkelijking als centrale waarde is diametraal tegengesteld. Humanisme is ten diepste individualistisch: het gaat uit van míjn rechten, mijn leven, mijn geluk. Christendom gaat uit van het grotere geheel en een hogere bestemming: niet de mens is het centrum van het universum, maar God. Mijn leven heeft vooral zin als ik het inschakel in Gods grootse, wereld-en-tijd-overstijgende plan. Het bijbelse hoofdgebod is de liefde: éérst aan een ander denken, dan aan jezelf. Niet simpel, maar wel gezond en ‘logisch’. Want als 8 miljard mensen zichzelf tot centrum van het universum maken, heb je toch wel een gigantisch, kosmisch probleem, nietwaar? Het leidt tot het uit elkaar vallen van het sociale weefsel, het onvermogen om nog duurzame en stabiele relaties te hebben, algehele versnippering.

Eigenliefde en naastenliefde zullen altijd in een moeilijke spanning tot elkaar staan. Een gezonde dosis zelfliefde – dus ook zelfverwerkelijking – is noodzakelijk voor een gezond welbevinden, maar het kan niet als morele waarde gelden. Wie als persoonlijke regel heeft ‘Je moet eerst voor jezelf zorgen’, zal, enkel als hij nog wat liefde over heeft, ook aan een ander denken: in de mate dat het voordelig of nodig is. Als natuurlijke sympathie of berekend eigenbelang de lijm is die een samenleving bij elkaar moet houden…?

De moeilijke vraag is: wat doe je wanneer liefde pijn doet? In de harde realiteit is liefde bijna altijd verbonden met een stuk lijden: liefhebben is soms hard werk en pijnlijk. Je kan afgewezen worden, misbegrepen, soms verraden. Wie zijn hart opent, neemt per definitie een risico: hij heeft geen garantie tegen (diep) gekwetst worden. Hier wordt liefde gestript van elk romantisch of sentimenteel Hollywood-sfeertje. Soms voelt het aan als puur sterven, een dolk in je hart. En wat doe je dan? Een grens trekken of je grenzen verleggen? Jezelf afschermen of jezelf overstijgen en… ‘je kruis opnemen’?

Zelfopoffering is alleen gezond en authentiek wanneer ze voortkomt uit liefde. Nog sterker: als die liefde sterk is, voelt het niet eens als een ‘offer’ aan, maar als vreugdevol, als een voorrecht. Iemand die ‘brandt’ van liefde, is vrij van angstige zelfgerichtheid, van een gezwollen ego of ijdelheid: hij is vrij om boven zichzelf uit te stijgen. Enkel iemand met een sterke identiteit kan zoiets: het vraagt veel emotionele maturiteit en – in christelijke termen – ‘heiliging’. Daarom zien christenen in Jezus ‘dé mens’, hét rolmodel. Dat hij naar het kruis ging, deed hij volledig bewust, in helder besef, met overtuiging: zonder terugkrabbelen, zonder zelfmedelijden, zonder wrok of bitterheid tegen de farizeeën of soldaten, zonder verwijt tegenover zijn eigen apostelen die hem vreselijk in de steek lieten, zelfs verraadden en verloochenden. Een mens wordt hier stil van. Zijn voorbeeld is waarschijnlijk onnavolgbaar, maar toch…

Zelfopoffering gaat echter niet alleen om zulke extreme daad als een gruwelijke kruisiging. ‘Je kruis opnemen’ kan zich uiten in 101 vormen en expressies, kleine en grote daden, elke dag opnieuw. Je eigen voorkeur opzij schuiven voor een ander, niet op je rechten staan, klappen incasseren, zorgen voor een langdurig zieke, ’s nachts opstaan voor zieke kinderen, 1001 vormen van vrijwilligerswerk… Soms voelt het aan als evident en vreugdevol, soms is het op de tanden bijten en slikken. De vraag is of we in staat zijn echt lief te hebben wanneer het iets kost!

Jezus kende – zoals de leeuw Aslan in de verhalen van Narnia – de ‘diepere wetten’ en geheimen van God: dat zwakheid de grootste kracht kan verbergen, dat lijden tot glorie leidt, dat liefde sterker is dan de dood. Ook als liefde leidt tot sterven, er is altijd de opstanding. En dat precies is de boodschap van Pasen: de dood heeft niet het laatste woord, hij is verslagen, ontmaskerd, ‘in zijn blootje gezet’.

Aan het einde overwint het Leven. Het Lam van God bij Jan Van Eyck staat daar tegelijk bloedend en triomferend. Wie doorheen het uiterlijke – hoogst onaangenaam bloederige – kan kijken, ziet hemelse glorie: de triomf van de liefde.

‘Pasen volgens extreemrechts? Nationalistische boodschap strookt vaak niet met wat Jezus verkondigde’

Origineel gepubliceerd op Knack.

Op aswoensdag moedigde Dries Van Langenhove zijn volgers op X (Twitter) aan om tijdens de vastenperiode voor Pasen het roken, drugs, alcohol en porno te laten. Dit naar het voorbeeld van Jezus die 40 dagen vastte en alle verleiding weerstond. Want “om het Vlaamse volk te dienen moeten wij de beste versie van onszelf worden.” Met Kerst schreef hij op gelijkaardige wijze dat “wie zichzelf opoffert voor zijn volk en gezin, die zal zingeving en geluk vinden in de alledaagse dingen.” Dit naar aanleiding van Jezus’ zelfopoffering die met Pasen gevierd wordt.

Schadelijke verleidingen weerstaan, zichzelf opofferen voor anderen, het zijn inderdaad deugdzame christelijke impulsen die terug te brengen zijn tot Jezus. Ook liefde voor eigen volk is dat. Tenminste, als dat niet ten koste gaat van andere volkeren. En daar wringt het schoentje. Want Van Langenhove instrumentaliseert de paasboodschap voor nationalistische doeleinden.

Christelijk nationalisme

Wat Van Langehove doet is niet nieuw. Het christendom was eeuwenlang de mainstream godsdienst in Europa, en dus volgens sommige nationalisten onherroepelijk vervlochten met ‘ons volk’. Daarom stelde Van Grieken in een interview met De Tijd in 2021 dat hij Vlaanderen graag ‘Vlaams’, ‘blank’ en ‘christelijk’ ziet. Daarom beweert Meloni met een oude fascistische slogan dat ze “God, vaderland en familie” verdedigt. Daarom noemt Orbán zich “verdediger van het christendom” tegen de migranten die ‘onze’ christelijke waarden doen verwateren.

Het probleem is dat deze nationalistische boodschap vaak niet strookt met wat Jezus verkondigde en wat de Kerk doorheen de eeuwen – soms hypocriet – beleed. In tegenstelling tot wat Van Langenhove beweert, offerde Jezus zich niet op voor zijn eigen volk, maar voor de hele mensheid: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.” Etnische verschillen deden er voor de eerste christenen dan ook niet meer toe: “In dit nieuwe leven is het van geen enkel belang van welke nationaliteit of ras u bent,” schreef Paulus.

Daarom noemt de Westerse Kerk zich Katholiek: universeel. Al in het Oude Testament staat ook er dat vreemdelingen “moeten worden behandeld als iedere andere burger, houd van hen als van uzelf.” En vijanden, zoals de plegers van de aanslagen in Brussel die recent herdacht werden, moeten volgens Jezus bemind en vergeven worden, hoe begrijpelijk Van Langenhoven’s slogan “nooit vergeten, nooit vergeven” ook is. Vergiffenis zorgt dat we rechtvaardigheid nastreven uit liefde en niet uit haat of wraakgevoelens.

Doorheen de geschiedenis hebben christenen vaak niet voldaan aan het voorbeeld van Christus. Vandaag zijn bijvoorbeeld de Russisch-Orthodoxe Kerk en heel wat evangelische kerken in Amerika schuldig aan christelijk nationalisme. Maar dat doet niet af van het universele origineel. Waar in het christendom een liefdevolle God het leven betekenis moet geven, neemt bij nationalisme het wispelturige ‘volk’ deze transcendente rol over. Waar het christendom mensen bijeen zou moeten brengen op basis van naastenliefde, drijft nationalisme mensen uiteen op basis van tribale trots. Waar bloed vergoten werd bij kruistochten en godsdienstoorlogen in weerwil van de boodschap van Jezus, waren de twee wereldoorlogen het logische, hoewel niet noodzakelijke, gevolg van nationalisme.

Niet overtuigd

Opnieuw, het is deugdzaam om voor “onze eigen mensen” te zorgen. Alleen mag dat niet ten koste gaan van anderen. Nationalisme kan niet anders dan hierin vervallen. Het is daarom misschien niet te verwonderen dat het Vlaams Belang tot nog toe kerkgaande christenen amper heeft kunnen overtuigen. Volgens De breuklijnen voorbij?, een studie uit 2023 van de KU Leuven, kwam amper 3.7% van de Vlaams Belang-stemmen in 2019 van dergelijke christenen. Dat is het laagste percentage van alle grote partijen. Samen met Groen ontving het Vlaams Belang daarentegen wel het hoogste percentage “ongelovige” stemmen van alle partijen: 42.5%. Het gros van de overige Vlaams Belang kiezers waren mensen die zich christen noemen, maar nooit naar de kerk gaan: 41%. Dat geeft aan dat het soort christendom dat extreemrechts aanspreekt vooral een cultuurchristendom is, verstoken van Kerk en Christus.

Maar Vlaams Belang draagt ook andere waarden uit die wel traditioneel christelijk zijn. De focus op het klassieke gezin, het belang van een hechte gemeenschap, een pro-life standpunt. Ook de meer recente anti-woke retoriek kan door heel wat christenen, zeker conservatieven, gesmaakt worden. Dat is ook wat veel christenen aanspreekt bij nationalisten in pakweg Amerika en Polen. Ook in Vlaanderen stelt dat christenen voor een dilemma. Zonder het nationalistische uitsluitingsdiscours zouden veel van mijn kennissen voor het Vlaams Belang stemmen. De partij is aantrekkelijk, zeker nu haar migratiestandpunten niet meer zo radicaal lijken omdat de meeste partijen naar rechts opgeschoven zijn en ze de islam lijkt te vervangen door woke als volksvijand nummer één (DS 24 maart).

Volgens de studie van de KU Leuven noemt meer dan 50% van de Vlamingen zich nog christen. Als christenen zouden zij zich in principe de vraag moeten stellen: welke partij leunt vandaag het dichtst aan bij de boodschap van Jezus?

Dat is geen evidente vraag. “Kiezen is verliezen,” zeggen we, want de ideale partij bestaat niet. Ook CD&V maakt de ‘C’ niet waar, en zwijgt er zelfs zedig over. En toch moeten we kiezen. Hoe de kerkelijke en rand-kerkelijke Vlamingen hierover zullen oordelen, zal blijken in juni. Ik kan alleen maar hopen en bidden dat de verkiezingsuitslag recht zal doen aan de originele, universele paasboodschap.

Hoe ‘postchristelijk’ is onze cultuur? (lange versie)

Origineel gepubliceerd op Doorbraak in verkorte versie.

Onze westerse cultuur wordt vaak ‘postchristelijk’ genoemd, maar is dit een feit, een mening of een wens? Wie heeft dat eigenlijk besloten of ‘gedecreteerd’? Is het een product van een (neutrale) observatie of een (ideologisch gekleurde) droom? En als het iemands ‘observatie’ is, is deze dan wel grondig gebeurd, diepgaand en objectief?

Want de feiten en statistieken tonen aan dat, ondanks een algemene daling, een stevige meerderheid zich nog steeds als ‘christelijk’ beschouwt. De meest recente cijfers van het Pew Research Center uit 2018 geven volgend beeld over West-Europa: in België noemt 56% zich christen, in Nederland (het enige Europese land onder de helft!) 48%; in zes landen is dit nog boven de 75%, in Portugal 83%, zelfs in het zeer seculiere Frankrijk 64%. En ook die lage 48% in Nederland blijft nog veruit de grootste van alle levensbeschouwelijke groepen. Met een gemiddelde van 71% kan je de christenheid in Europa absoluut niet afdoen als een ‘miniem of uitstervend groepje’.

Maar er zijn natuurlijk ook ‘harde feiten’ en cijfers die de andere kant staven. De cijfers van het kerkbezoek – minstens éénmaal per maand – zijn in dalende lijn en laag: in België 10%, in Nederland 12% (terwijl de VS nog 50% hebben). Op de vraag of godsdienst voor iemand ‘zeer belangrijk’ is, antwoordt in België 10% positief, in Nederland 18% – ter vergelijking: Roemenië 55% en de VS 53%. Het is duidelijk dat religie in onze cultuur niet meer in het centrum staat, maar in de marge: ze is geduwd naar ‘de kerk en privé’.

Niet alleen in cijfers zien we de achteruitgang, maar ook in de geloofskwaliteit zelf. Als je onder hen die zich ‘christen’ noemen zou vragen of ze geloven dat Jezus de Zoon van God is, de enige weg tot verlossing, opgestaan is uit de dood…, dan zou je schrikken. Het geloof is heel erg uitgehold, verwaterd, verdund: het verschil met zedenleer is soms erg klein. Zelfs de algemene kennis over basisfeiten – bijvoorbeeld ‘Wat vieren we met Pasen?’ – is uitermate zwak. Je kan je ernstig afvragen of zulke ‘gelovigen’ nog als ‘christelijk’ kunnen beschouwd worden.

De Pew-cijfers tonen wel aan dat het vooral Europa is dat erg geseculariseerd is: in andere continenten zien we soms het tegendeel, en groeien kerken explosief. In Zuid-Amerika beschouwt 90% zichzelf als christen. De grootste megakerken (> 50.000 leden) zijn te vinden in Azië, Afrika en Zuid-Amerika: een kerk die op 35 jaar tijd groeide van 5 leden naar 700.000 – in Seoul, Zuid-Korea – mag toch wat wenkbrauwen doen fronsen, nietwaar? En deze ‘nieuwe christenen en kerken’ zijn vaak veel enthousiaster en vuriger voor hun geloof, en brengen het door migratie weer terug naar Europa. Het ‘oude Europa’ scoort duidelijkst het laagst van alle continenten. De West-Europese christenen vergelijken met de Amerikaanse is erg veelzeggend: wie minstens maandelijks naar de kerk gaan: 31 vs 64%; wie godsdienst ‘zeer belangrijk’ vindt: 14 vs 68%; wie dagelijks bidt: 18 vs 68%; wie absoluut zeker is van Gods bestaan: 23 vs 76%. Lijden wij hier aan een soort spirituele burnout?

Dat het christendom in de westerse wereld niet meer het monopolie heeft, is duidelijk. Of het nog ‘dominant’ is in de cultuur, is al moeilijker te bepalen: de invloed van de morele waarden is nog zeer sterk, ook bij niet-gelovigen – zeker de oudere generaties die ze via hun ‘strenge’ opvoeding mee ingestampt hebben gekregen. Critici zeggen dat de seculiere, humanistische waarden voor 90-95% van de christelijke waarden ‘geleend’ zijn: de vruchten worden van deze boom geplukt, maar de boom zelf verworpen.

In de jaren ‘70-‘80 voorspelden sommige sociologen dat, gezien het dalende kerkbezoek, het nog slechts enkele decennia zou duren voordat het christendom definitief voorbij zou zijn. Atheïsten verkneukelden zich dat spoedig heel de wereld ‘het heldere licht van de wetenschap zou zien’, en alle kerken tot musea zouden worden, een reliek uit vroegere tijden. Maar gaandeweg werd duidelijk dat deze voorspellingen allemaal niet zijn uitgekomen: op sommige plaatsen vindt een herleving plaats, het opkomen van nieuwe kerken en bewegingen, ook onder jongeren. Atheïsten kunnen moeilijk verwerken dat door meer wetenschap en kennis religie toch niet afneemt.

Ook uit een heel andere hoek werd het einde van het christendom geprofeteerd: de newage beweging (vanaf de jaren 1970) geloofde dat het traditionele christendom definitief voorbij was. Het tijdperk van de Vissen – gelinkt aan het christendom – maakte plaats voor het sterrenbeeld van Aquarius, en zou een hoger spiritueel niveau brengen: de mens zou voortaan veel helderziender zijn, fijngevoeliger, harmonieuzer. Wat toen zulke grote hype was, wordt vandaag enkel nog in kleine, esoterische groepen geloofd. Het effect dat het wel gehad heeft, is dat de ene, georganiseerde religie meer en meer plaats gemaakt heeft voor 101 vormen van moeilijk definieerbare spiritualiteit.

Hoewel het christendom verre van dood is, is de mainstream in onze cultuur in deze tijd zeker wel seculier. Geloven is erg ‘tegen de stroom in’: het is niet ‘cool’, ‘in’ of ‘hip’. Het lijkt of je dit moet verantwoorden: of je je er niet een beetje voor schaamt? Ben je wel ‘normaal’, mee met de tijd, verlicht? Het hoort zeker niet thuis in bepaalde intellectuele kringen. Zoals er vroeger sterke sociale druk was om te geloven, is deze nu in de andere richting overgeslagen. Zoals deze stem in de media vroeger het monopolie had, wordt ze nu doodgezwegen: christelijke referenties worden geboycot uit naam van neutraliteit en secularisme. Toch een beetje vreemd voor een continent waar de meerderheid zich nog steeds christen noemt?

Kortom, er blijven veel vragen over. Is onze cultuur misschien eerder ‘postkerkelijk’? En wat is de link met ‘postmodern’? Volgens het postmodernisme zijn ook alle andere ‘grote verhalen’ (ideologieën of -ismen) definitief voorbij: modernisme, communisme, socialisme, kapitalisme, liberalisme… Is het dus een algemene crisis waarbij we níets meer geloven – dus niet alleen het christendom? Maar dan moeten we spreken over ‘nihilisme’… En is ‘postchristelijk’ iets definitief en absoluut, of komt er een ‘revival’? Sommige christelijke denkers zeggen zelfs dat het westen nooit echt ‘christelijk’ geweest is: dat het vooral een uiterlijk omhulsel was, bij elkaar gehouden door sociale druk, cultuur en traditie; en dat het uiteenvallen van deze aardse kerkstructuur (met haar rituelen, macht, politieke belangen) juist een kans is voor de echte boodschap van Jezus. Tja, zo kan je het dus ook bekijken…

En als we ‘post-’ zijn, wat zijn we nu dan? Want het is makkelijk iets af te breken en buiten te gooien, maar wat komt in de plaats? Is er een ernstige kandidaat-opvolger in zicht? Een betere, sterkere godsdienst, een zuiverder kerk? Sommigen zeggen dat we vandaag multireligieus zijn, vrijelijk gaan shoppen tussen alle groepen en stromingen. Is religie dus vervangen door spiritualiteit die ieder op zijn eigen manier invult, en zijn we ‘religie-fluïde’? Ieder maakt een god naar zijn eigen beeld en gelijkenis, naar eigen behoefte?

Of zal secularisme de lege plaats invullen? Als het van de vrijzinnigheid afhangt, komt er zeker niets in de plaats van kerk of God! Elk mens bepaalt zijn eigen waarden en normen, hogere doelen en bestemmingen: een humanisme dat de mens op Gods rechterstoel plaatst. Zal dus – eindelijk! – de mens zelf het heft in handen nemen en alle problemen oplossen op een betere, rationele en humane manier? Euh… hoeveel geloof hebben u en ik dat dat zal lukken? Deze groepen, met onderling nog vele verschillende visies, zijn in feite slechts een minderheid. Als we collectief kiezen om in niets hogers te geloven, wordt dan automatisch materialisme of hedonisme de nieuwe ‘religie’? Nihilisme is slechts één stap verwijderd van cynisme. De mensen die blij zijn met het ‘postchristelijke’, hebben dus ook serieuze vragen te beantwoorden.

Kortom, of je onze cultuur beschouwt als ‘postchristelijk’ hangt dus heel erg af van (1) wat je als ‘christelijk’ beschouwt, (2) of je zelf gelovig bent of niet, en (3) hoe je de toekomst inschat.