Van Prometheus tot AI: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Toen de Titaan Prometheus het vuur aan de mens gaf, schafte hij de goden af. Dankzij het vuur kon de mens namelijk licht in de duisternis brengen, warmte in de kou, hij kon steeds gesofisticeerdere gereedschappen ontwikkelen en zijn controle over de natuur breidde gestaag uit. Mettertijd werden de goden overbodig. Zeus had dit voorzien en was razend op Prometheus’ verraad. Hij verdoemde de Titaan tot een dagelijkse leverresectie uitgevoerd door een adelaar tot het einde der tijden. Voor de 19e-eeuwse humanisten was Prometheus echter een held: hij was de nobele god die zijn ras afschafte om plaats te ruimen voor de mens, het nieuwe centrum van de schepping.

In 1818 schreef Mary Shelley de roman Frankenstein, over een excentrieke wetenschapper die een mensachtig wezen samenstelt en tot leven wekt. Het monster ontsnapt echter, ontdekt het vuur, wordt door mensen vervolgd en doodt uiteindelijk dokter Frankensteins geliefden, waarna de man zelf ook sterft. Het is niet voor niets dat de ondertitel van Frankenstein “The Modern Prometheus” is.  Volgens Shelley herhaalt niet alleen de geschiedenis zich, maar ook mythes. Als we onze creaties het vuur geven, riskeren ze ons af te schaffen. Want de mens is niet onvermijdelijk het centrum van de schepping; net als de goden kunnen we van onze troon gestoten worden.

Vandaag is die boodschap uiterst relevant, stelt Brits mytheverteller Stephen Fry. Hij trekt paralellen tussen de Prometheusmythe en de ontwikkeling van AI. Handelen we als Prometheus en geven we onze schepselen steeds meer macht en autonomie, waardoor we onszelf overbodig maken en misschien zelfs afschaffen? Of proberen we als Zeus te zijn en houden we AI op haar rechtmatige plaats, als dienaar onder onze controle, louter een krachtig gereedschap?

De grote taalmodellen achter de huidige chatbots zijn getraind op al de teksten en berichten die we collectief op het internet plaatsten, van boeken en nieuwsartikels tot blogs, mails en sociale mediaposts. Vandaag worden steeds meer teksten geschreven door chatbots. Sinds enkele jaren worden programmeurs ingehuurd om AI-systemen beter te leren programmeren. Vandaag beweren bedrijven als Anthropic dat 90% van hun code geschreven is door AI. En onderzoekers bij OpenAI zetten alles op alles om een volautomatische onderzoeker te bouwen, die de wetenschap in hun plaats kan bedrijven.

Ondertussen leveren miljoenen Tesla-eigenaars de rijgegevens die gebruikt wordt om Tesla auto’s en vrachtwagens volledig autonoom te maken. In Chinese fabrieken dragen werknemers virtual reality-headsets en exoskeletten terwijl ze onophoudelijk microgolfovens openen of kleren strijken, en freelancers in Nigeria en Indië met een iPhone op het voorhoofd vastgemaakt filmen zichzelf bij het uitvoeren van allerhande huishoudelijke taken. Dit om de massa’s data te genereren die nodig zijn om de robots van de toekomst te trainen. Die zullen vervolgens onze huishoudelijke taken overnemen.

Samengevat: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken.

Toegegeven, afstompend of gevaarlijk werk uitbesteden aan machines is uiteraard wenselijk. Alleen bouwen we niet enkel gespecialiseerde systemen die één bepaalde taak kunnen uitvoeren – een wasmachine vullen, een bom onschadelijk maken – maar algemene systemen die de mens in zijn geheel automatiseren. Dat is het punt van artificiële algemene intelligentie (AGI) en humanoïde robots. Die zullen niet alleen vervelend administratief of huishoudelijk werk kunnen overnemen, maar elke intellectuele en fysieke activiteit. Wat als AI-gedreven robots alles kunnen wat een mens kan, en misschien zelfs beter? Zal er dan nog plaats zijn voor ons in deze wereld? Of zal ons het lot van de Griekse goden beschoren zijn?

We houden wel van verhalen waarin de onderdrukten zich emanciperen. Zeker als wij zelf bij die onderdrukten horen. Daarom spreekt de Prometheusmythe aan. Maar Frankenstein houdt ons een spiegel voor: wat als wij bedreigd worden door de emancipatie van onze creaties? Zijn we dan voor die emancipatie? Zullen we AI’s en robots rechten geven, hen behandelen als evenwaardige wezens? En zullen zij ons nog rechten gunnen? Zullen zij ons bestaan dulden, ook al deden wij dat niet met de goden van weleer? Hoewel we geen collectief gedragen antwoord hebben op die vragen, stormen we vooruit met de ontwikkeling van AI en robotica. Dat er geen geest in de machine zit en vermoedelijk nooit zal zitten, doet er dan niet toe. Wat telt is of we een wereld scheppen waarin de mens nog van belang is of niet.

Misschien hebben we een ander soort verhaal nodig. Niet een van rivaliteit tussen schepper en schepsel, maar van samenwerking. Met Pasen wordt elk jaar het verhaal verteld van de afgeschafte God die de mens zo centraal stelde dat hij er zelf een werd. Misschien geeft dat verhaal meer inspiratie en hoop dan de Prometheusmythe of Frankenstein?

Oorsprong van de grote christelijke feesten wordt steeds meer onder de mat geveegd

Pasen komt er weer aan en dat stelt ons als moderne westerlingen steeds opnieuw voor de vraag: wat moeten we hiermee? Vieren of niet? Even stilstaan bij de reden en de betekenis van het feest, of vooral paaseitjes smullen en snel voorthollen? Onze cultuur spoort ons enthousiast aan om te feesten zelfs zonder enige reden: het is natuurlijk de commercie die deze ‘hogere filosofie’ als een seculier gebod uitbazuint, want de economie moet draaien. Zijn we dan collectief volleerde en doorwinterde materialisten aan het worden?

De oorspronkelijke betekenis van de grote christelijke feesten wordt in onze cultuur steeds meer onder de mat geveegd. Nochtans vertegenwoordigen zij vitale en essentiële waarden in het DNA van de westerse beschaving. Als rond Pasen alleen de chocolade paashaas en de eitjes overblijven, is het droevig gesteld met de spiritualiteit van de humanistische mens.

Met Pasen wordt nochtans wereldwijd, nog steeds door 2,5 miljard christenen, de opstanding van Jezus uit de dood gevierd. Voor velen klinkt dit misschien als ‘oude verhaaltjes’ uit een héél oud boek, maar er zit veel meer achter. Wat Jezus daar aan dat kruis deed, geldt voor christenen als de hoogst denkbare prestatie ooit.

Even een omwegje als aanloop om dit te kaderen. Vandaag kennen wij ontelbaar veel soorten wedstrijden ‘voor het eerst, verst, hoogst, langst…’: we zijn dol op kampioenschappen en records! Er bestaan ± 400 officieel erkende sporten, en volgens de World Sports Encyclopedia meer dan 8.000 sporten en spelvormen wereldwijd. Daarbuiten heb je nog de gekste competities in zoveel mogelijk hamburgers eten, luchtgitaar spelen, teenworstelen…

Welk nut hebben zulk soort wedstrijden, wat leveren ze op? En als zo’n topsporter indrukwekkende spieren heeft, of een record met een miliseconde scherper stelt, is hij daarom een indrukwekkend méns? Wat heeft hij écht bewezen? Geeft dat hem meer spreekrecht of gewicht dan u en mij? De nuchtere Johan Cruijff zei al: ‘Voetbal is de belangrijkste bijzaak ter wereld.’

Er is de laatste decennia een echte aardverschuiving gekomen in de waarden van de westerse cultuur. Wie wordt namelijk op de podia geheven of geroemd? Er was een tijd dat dat – in katholieke landen althans – met de heiligen gebeurde. Vandaag kijken we daar wat meewarig naar, en toegegeven: de hele santenboetiek was behoorlijk uit de hand gelopen. Maar er zat wel een diepzinnige reden achter de verering: omdat deze mensen staan voor spirituele en morele waarden zoals naastenliefde, zachtmoedigheid, geloof, trouw, zelfopoffering, dienstbaarheid – zoals vele pater Damiaans en moeder Teresa’s.

Vandaag doet onze cultuur lacherig en neerbuigend over vroomheid of deugdzaamheid, reinheid of eerbaarheid – als ‘hopeloos ouderwetse’ en voorbijgestreefde deugden. Maar het woord ‘heilig’ is verwant met ‘heel’, (Engels) whole, holistisch, uit één stuk dus.

We lachen met ‘heiligheid’ maar snakken naar ‘integriteit’: hoezo?

Paulus omschrijft als de hoogste deugden in de christelijke moraal ‘geloof, hoop en liefde’, en voegt er onmiddellijk aan toe dat de liefde van deze drie de hoogste is (1 Kor. 13:13). Want zeker ook de moeilijkste: omdat onze natuurlijke zelfgerichtheid zo diep ingebakken zit. Omdat jezelf overwinnen veel moeilijker is dan een wereldrecord breken.

Zo komen we dus weer bij Jezus uit: dat hij bewust, met overtuiging en vrijwillig zijn kruisiging tegemoet stapte, is bovenmenselijk. Wie zou het hem nadoen? Hij wist welke foltering op hem wachtte, geseling, slagen, bespotting en zes uren van de gruwelijkste pijnen. Een sportkampioenschap winnen vraagt ook veel opofferingen, discipline en pijn, maar niet zoals deze.

De Mount Everest beklimmen is extreem, ‘bijna sterven’. Maar de top van morele volmaaktheid bestijgen is helemaal ‘sterven aan jezelf’. Dat is echter wat liefde doet: sterven aan zichzelf, het directe eigenbelang of comfort. Streven naar perfectie in de liefde vereist een ander soort, innerlijke discipline: pijn kunnen incasseren aan je ego. Het was of is nooit de populairste ‘hobby’. Men noemt deze de ‘zachte waarden’, maar ze zijn zeker niet voor watjes: ze vragen bikkelharde tests in karaktersterkte.  

Wie echter beoefent deze ‘edele disciplines’ vandaag nog? In onze cultuur worden ze in ieder geval niet financieel beloond noch massaal geliket in sociale media. Dat deze waarden niet meer geleerd of voorgehouden worden, is waarschijnlijk de grootste reden voor de verharding of verzuring in onze maatschappij. Zachtmoedigheid wordt geridiculiseerd als zwakheid. Macho is weer ‘in’. De wereld is aan de brutalen.

Ach, ben ik extreem naïef als ik droom van een wereld waar WK’s worden georganiseerd in integriteit en liefde, Nobelprijzen worden uitgereikt voor trouw en onbaatzuchtigheid, eredoctoraten in zelfopoffering en barmhartigheid? Nee, ik vind het écht niet eerlijk noch proportioneel dat gouden medailles vooral gaan naar gespierde benen of alle applaus naar uiterlijke schoonheid: waarom niet naar hen die ‘de linkerwang toekeren’ en hun vijanden zegenen, wat waarschijnlijk het toppunt is van liefde?

Deze waarden beoefenen zou wel uiterst ‘nuttig’ en relevant zijn vandaag en een wereld van verschil uitmaken in alle hedendaagse wereldconflicten en oorlogen. Ik weet het: ik ben héél naïef. Maar ik verkies te geloven dat de liefde aan het einde zál overwinnen, dat haat niet het laatste woord heeft, dat de dood al overwonnen is. Jezus geloofde dat en ging door: hij zag het Koninkrijk van God al vóór zich, een nieuwe wereld waar de kronen aan het juiste soort ‘helden’ zullen toekomen. Hij was geen naïeve dromer, maar een visionair. En 2,5 miljard mensen volgen hem daarin. Naïef of hoopvol?

Misschien kan Pasen een aanleiding zijn om toch drie minuten – de leestijd van dit artikel – bij onze échte waarden stil te staan?

Straks zijn we overgeleverd aan de genade van AI

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorige week werd in deze krant meermaals gewezen op de groeiende en soms kwalijke rol die AI speelt in moderne oorlogsvoering, eerst in Oekraïne, dan Gaza en nu Iran. Een van de grote ethische vraagstukken daarbij is wie of wat welke beslissingen neemt en daar de eindverantwoordelijkheid voor draagt. Is dat AI of de mens? Generaals en defensiebedrijven beweren dat er altijd menselijke inbreng is: de ‘kill chain’ zou niet volledig algoritmisch gestuurd worden.

Dat is twijfelachtig. Kijk maar naar de massale vernietiging die Israël veroorzaakte in Gaza, waarbij AI tienduizenden doelen voorstelde en Israëlische soldaten maar 20 seconden per doel kregen om dat voorstel goed te keuren, met alle nevenschade van dien. Volautomatische wapensystemen lijken onvermijdelijk in de huidige militaire wedloop, vanwege de voorsprong die ze geven dankzij hun snelheid. Of het wenselijk is om menselijke beslissingen en morele verantwoordelijkheid op die manier uit te besteden, klinkt dan als een vervelend filosofisch vraagstuk dat je beter pragmatisch aan de kant kunt schuiven.

Dat vraagstuk blijft niet beperkt tot oorlogsvoering. Overal waar beslissingen worden overgelaten aan AI of andere machines, krijgen we ermee te maken. Neem nu zelfrijdende auto’s. De belofte is dat die veiliger zullen zijn dan wagens die door een mens bestuurd worden: AI kan veel sneller reageren, haar aandacht verslapt nooit en ze kan niet dronken achter het stuur kruipen. De recentste autonome automodellen lijken inderdaad in de meeste omstandigheden veiliger te zijn. Bij dageraad, schemering of mist hebben ze het soms moeilijk, dus vereisen ze nog steeds menselijke controle. De ‘bestuurder’ moet te allen tijde klaarstaan om in te grijpen (al rijd ik in dat geval liever zelf, eerlijk gezegd).

Fietser of voetganger?

Maar wat als de mens niet langer alert hoeft te zijn en rustig zijn krant mag lezen tijdens de autorit? Wat met onze verantwoordelijkheid als de auto zelf moeilijke ethische keuzes moet maken? Een fietser steekt onverwacht over en de auto kan niet op tijd remmen: moet hij dan de fietser omverrijden, uitwijken en inrijden op tegenliggers, of de stoep oprijden en daar voetgangers in gevaar brengen? Hoe moet de auto beslissen en wie draagt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen?

Hetzelfde dilemma dient zich aan in de platformeconomie. Daar verbinden algoritmes vraag en aanbod in digitale marktplaatsen. Denk aan Uber of Deliveroo, maar ook aan bedrijven in de zorg- of schoonmaaksector. Die werken met flexibele freelancers, wier werktempo, taken en verloning bepaald worden door een machine.

Steeds meer bedrijven zetten bovendien AI in om hun werknemers te surveilleren, om meer productiviteit uit hen te wringen. Amazon is daar het extreemste voorbeeld van. De keuzes die dergelijke algoritmes maken, hebben een reële impact op het welzijn en de waardigheid van het werk van tienduizenden werknemers. Van menselijke inbreng is geen sprake meer, toch niet bij individuele beslissingen.

Nevenschade

Als de controle overgelaten wordt aan AI, denkt men alleen nog in de ontwikkelingsfase na over de ethische keuzes die gemaakt zullen worden. In welke omstandigheden mag een drone kiezen om de trekker over te halen? Welke levens zijn meer waard dan andere in een gevaarlijke verkeerssituatie? Hoeveel werk kan een Uberchauffeur aan, hoe weinig mag hij verdienen? Zulke beslissingen worden van een afstand genomen, in het abstracte, niet geconfronteerd met de mensen op wie ze impact zullen hebben.

In het beste geval leidt dat tot een rationeler en eerlijker systeem, waarbij de menselijke vooroordelen worden uitgevlakt die het leven soms onrechtvaardig maken. In het slechtste geval leiden afstandelijke beslissingen tot genadeloze systemen die de voorkeuren en vooroordelen van een selecte groep mensen versterken. Van een afstand is het veel makkelijker te beslissen dat de nevenschade van een bombardement aanvaardbaar is als je een Iraanse leider wilt uitschakelen, dan wanneer je oog in oog staat met de mensen die mee zullen sterven. Uit studies blijkt dat als zelfrijdende auto’s moeten kiezen, mensen liever hebben dat ouderen, daklozen, criminelen en zwaarlijvige mensen overreden worden dan kinderen, hoogopgeleiden en slanke mensen. Vanuit het verre hoofdkwartier is het ook makkelijker om de werkdruk van Uberchauffeurs te verhogen en hun lonen te verlagen, dan als je hen persoonlijk kent en op de hoogte bent van hun gezinssituatie.

Utilitair filosoof William MacAskill, die veel invloed heeft in Silicon Valley, stelde in een gedachte-experiment dat het beter zou zijn een Picasso te redden uit een brandend huis dan een kind, omdat je met het geld dat de Picasso kan opleveren meer kinderen zou kunnen redden. Kan zijn, maar als de robots van de toekomst zo geprogrammeerd worden, dan hoeft het voor mij niet.

Utilitaire moraliteit

Een dosis afstandelijkheid is nuttig bij morele beslissingen, zoals ook John Rawls argumenteerde met zijn gedachte-experiment ‘sluier van onwetendheid’: als we niet weten wie de ander is, kunnen we vooroordelen overstijgen en rechtvaardige principes formuleren. Maar we wéten of we generaals of bedrijfsleiders zijn die kunnen bepalen wiens belangen AI dient. Daarom is ook nabijheid essentieel: ze helpt ons om empathische principes te formuleren in het belang van iedereen, en om de genade op te brengen om de vele uitzonderingen op onze regels te herkennen. Mensen in de ogen kijken is nodig om de machinale en dus onmenselijke utilitaire moraliteit te overstijgen. Niet alles kan gemeten worden, niet alle gevolgen kunnen worden voorzien.

Tenzij we AI-systemen kunnen bouwen die empathie en genade ontwikkelen, stevenen we af op een steeds hardere en onrechtvaardigere wereld. Maar zelfs als we “machines of loving grace” zouden kunnen bouwen, zoals Dario Amodei, de ceo van Anthropic, ze noemt, blijft de vraag: willen we echt van de genade van machines afhangen?

Make Belgium Great (Again): hoe, wat, waarin?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

‘Make America Great Again’: de bekende of beruchte MAGA-slogan van president Donald Trump kent intussen iedereen op deze planeet. Zoals (bijna) elke verkiezingsslogan is hij op zich niet fout, maar ook niet erg veelzeggend: het hangt ervan af hoe hij ingevuld wordt. De slogan suggereert dat Amerika vroeger groot (of groter) was, maar klopt dat? ‘We’re not going to Make America Great Again — it was never that great… We have not reached greatness’, repliceerde Andrew Cuomo, toenmalig Democratisch gouverneur van New York, in 2018.

Waarom in ons land nog niemand opgekomen is met ‘Make Belgium Great Again’? Dé vraag is natuurlijk: groot op welk gebied? Politiek, economisch, militair, cultureel, intellectueel, sportief, sociaal…? Het zegt alles over de waardenschalen waarmee we vandaag ‘een grote beschaving’ meten.

De grootste

Het verlangen om ‘de grootste’ te zijn is al zo oud als de mensheid. Farao Cheops (2600 v.C.) wou zijn onsterfelijke grootheid vereeuwigen door de grootste piramide ooit te bouwen (146 meter). Welke opofferingen er gemaakt moesten worden in dienst van zijn vergoddelijkt ego was een detail in de marge. In alle wereldrijken na hem – van Mesopotamië tot Rome – was dat wezenlijk dezelfde drijfveer: de grootste willen zijn, tot elke prijs, massaal bloedvergieten inbegrepen.

Vaak werd de gewenste grandeur in bouwwerken uitgedrukt: burchten, triomfbogen, stadsmuren, paleizen… Vandaag is dat nog niet echt anders: de competitie om de hoogste toren ter wereld te hebben gaat door, van het One World Trade Center (New York, 541 meter) tot de Burj Kalifa (Dubai, 829 meter). Zulk soort stunts zijn bedoeld om de eigen superioriteit te bevestigen. Maar maakt dat een land echt tot hét grootste? Of is het een compensatie voor minderwaardigheidscomplexen?

Of is een land het grootste als het op de Olympische Spelen het hoogste aantal gouden medailles binnenhaalt? Of het hoogste bruto binnenlands product heeft, de meeste wetenschappelijke patenten, atoomkernkoppen of topkunstwerken? Amerika heeft als land zonder twijfel véle troeven, maar over de schaduwzijden kunnen ook dikke boeken geschreven worden.

Grenzeloze behoefte

Waar grenst grootheid aan grote ego’s en grootheidswaanzin? Wat is fake en opgeblazen? In welke mate willen heersers grootse dingen realiseren om hun eigen innerlijke onzekerheid te overschreeuwen? Zoals mannen met laag zelfvertrouwen willen imponeren met een stoere auto.

Een grenzeloze behoefte aan bewondering is volgens het DSM-handboek een kenmerk van narcisme. Iemand die per se moet ‘bewijzen’ dat hij ‘iemand’ is, worstelt met inferioriteit. Wie een sterke en gezonde identiteit heeft, hoeft dat niet uit te bazuinen. Net zoals een mooie vrouw geen plastische chirurgie, massa’s juwelen of make-up nodig heeft.

Eigenlijk willen de meeste wereldleiders hetzelfde als Trump: Vladimir Poetin wil ook Rusland in zijn ‘oude glorie’ als wereldmacht herstellen – gekrenkte trots? En Erdogan in Turkije en Xi Jin Ping in China? Hitler wou in wezen ook Duitsland weer groot maken na de vernedering van de Eerste Wereldoorlog. Dat is een probleem als míjn grootheid vereist dat jij kleiner moet worden gemaakt. Oekraïne betaalt een absurd hoge prijs voor Poetins megalomanie.

Innerlijke grootheid

Gelukkig bestaat er ook zoiets als innerlijke grootheid: grootmoedigheid, gulhartigheid, noblesse. We hoeven als Belgenlandje niet per se mee te gaan in een noodlottige competitie om ons als great voor te doen. Small is beautiful too. We kunnen streven naar grootheid in écht belangrijke zaken: medemenselijkheid en vriendelijkheid – zelfs al worden daar geen medailles voor uitgereikt.

Toen in 2005 de publieksstemming ‘De Grootste Belg aller tijden’ gehouden werd, werd uiteindelijk Pater Damiaan gekozen. Eddy Merckx, die als derde uitkwam, reageerde zeer sportief: ‘Ik zou me doodgeschaamd hebben als ze mij boven Damiaan verkozen hadden… Hij heeft veel meer voor de mensheid gedaan… Ik heb slechts ontspanning gebracht.’

Pater Damiaan heeft wereldwijd bewondering afgedwongen door zijn belangeloze en radicale inzet voor de minsten. Hij belichaamde dezelfde waarden als Jezus die geen enkele vorm van uiterlijke grootheid nastreefde, integendeel: het ging hem om welk soort méns je bent, diep vanbinnen, ‘als alleen God je ziet’. Of je nu gelooft in Jezus of niet, hij is een van de grootste wereldleraars wiens woorden we niet kunnen negeren.

Hij keerde de waarden van machthebbers ondersteboven, of beter gezegd: hij zette ze weer récht: ‘Wie onder u de grootste wil zijn, moet alle anderen dienen.’ Wie echt groot is, kan zich ook klein maken. Enkel wie vrij is van egotripperij is een veilige leider. Geloof, hoop en liefde zijn sterkere wapens dan geld, macht en kanonnen. Het nastreven van spirituele en morele grootheid levert in onze media helaas minder likes op dan machogedrag.

Welbevinden

Kan een land ook groot zijn inzake ‘bruto nationaal geluk’ of welbevinden? Volgens het World Happiness Report staat het kleine Finland al acht jaar op rij op nummer één voor welzijn en levenskwaliteit. Dat is pas een vermeldenswaardig én ‘nuttig’ wereldrecord! België staat in deze lijst op de 14de plaats, de VS op de 24ste. Trump heeft dus nog véél werk om de VS – op dit gebied – great te maken!

Zijn intussen roemruchte slogan houdt ons allemaal, individueel en als land, een grote spiegel voor: op welke vlakken willen we grootheid nastreven? Moet België de beste zijn in frieten, bier en chocolade? We hebben de wereld heus nog veel beters te bieden, en dat mag zonder enige protserige zelfverheffing.

Hoe voorkomen we dat AI het leven in onze plaats leidt?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.

Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.

Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?

Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.

Vrij denken

Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.

Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.

Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.

En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.

Frictieloze utopie

Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?

Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.

Valentijn: liefde kan je leren

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

‘All you need is love’, zongen de Beatles in 1967: het had uit de Bijbel kunnen komen. Het is heel erg waar, en ook niet waar: zeker als ze verderop zingen ‘It’s easy’, dan waren ze waarschijnlijk eerder onder invloed van marihuana dan van goddelijke inspiratie. Want als het zo makkelijk is, waarom gaat het dan zo vaak fout in de liefde? Bij de Beatles ging het om een rozige, hippie-achtige liefde met een zoete cannabisgeur. Een echte relatie is complexer dan dat.

Liefde wordt in onze cultuur te vaak op één hoop gegooid met verliefdheid. Dat is gekleurd door Hollywood: verliefdheid als een bliksem die je ondersteboven slaat en waar je niets aan kan doen, de pijl van Cupido: de hevigste emotie denkbaar, een ‘slag van de molen’, vlinders in de buik, de hormonen gierend door je lijf.

Het is een geromantiseerd beeld, want in de realiteit gaat het zelden zo. Het winstgedreven Hollywood presenteert wat vlotjes verkoopt, wat mensen laat wegdromen, niet wat moeite vraagt. Onrealistische verwachtingen zijn een recept voor ontgoochelingen. Verliefdheid kan je zeer high maken, maar in de liefde moet je met je twee voeten stevig op de grond staan.

Komt en verdwijnt

Verliefdheid, zeggen relatietherapeuten, is inderdaad een heel sterke emotie, maar zoals alle emoties gaat ze op en af, komt en verdwijnt. Ze is de eerste vonk, de ontsteking, maar niet de blijvende brandstof. Sommige mensen vergelijken de liefde met de lotto: als je toevallig de juiste treft, gaat de rest vanzelf. Niets is minder waar: als we na de roze wolkjes weer met onze voeten op aarde landen – of hard op ons gezicht gaan – komt de moeilijke vraag: is dit echte liefde of niet? De pijl van Cupido kan namelijk ook een heftige verblinding veroorzaken, een roes, tijdelijke verdwazing.

Liefde is prachtig en tegelijk aartsmoeilijk. Ze kan ons in de hoogste verrukking brengen, en nachtmerries bezorgen. Ze laat ons soms leven, en soms sterven. En toch kunnen we niet zonder. We snakken er naar en voelen ons doodgaan als we ze niet vinden.

De seksuele revolutie heeft indertijd veel kapotgemaakt: er was veel seks en weinig liefde. Seks werd ‘los verkrijgbaar’: trouw en engagement waren in de hippietijd ‘kleinburgerlijk’ en ouderwets. Ook de slogan ‘Leve de vrije liefde’ was erg dunnetjes: flirterig, lekker vrijblijvend, voor directe consumptie en een vluchtige kick. Een epidemie van gebroken relaties en gebroken harten was het gevolg. Daarom zien we vandaag almaar meer jonge mensen die niet meer geloven in ‘de échte liefde’: ‘Maar meneer, dat bestaat toch niet meer?!’

Liefhebben maakt ons mens

Als we het over de liefde hebben, kunnen we niet anders dan terugkijken naar de christelijke cultuur die liefde tot hoogste waarde én hoogste gebod verheven heeft. Zij heeft het natuurlijk over de naastenliefde, liefde voor álle mensen, maar deze geldt des te meer in een partnerrelatie. Liefhebben maakt ons bij uitstek tot mensen: dat we het dierlijke niveau kunnen overstijgen. In het Nieuwe Testament is ‘agapè’ het woord voor de zuivere liefde die kan geven zonder terug te verwachten: zoals God die in oneindige mate heeft en wij in beperkte mate. Deze liefde is bevrijdend en verheffend: ons betere ik komt naar boven en dit maakt ons gelukkig op dieper niveau.

Paulus schreef in het ‘Hooglied van de liefde’ (1 Korinthe 13), een juweeltje in de wereldliteratuur: ‘Zonder de liefde was ik niets…, enkel een schelle cymbaal’ – decibels zonder melodie. Als oprechte liefde als diepste drijfveer is in alles wat we doen, geeft dat aan alles kleur en glans, een gouden randje. Johannes, de ‘apostel van de liefde’, schreef nog sterker: ‘God ís Liefde’. Wie in zo’n God gelooft kan niet anders dan streven om goed/beter/best te worden in liefhebben. Ook in relaties en huwelijken.

Volwassen engagement

Liefde kan je – gelukkig – leren! Want als het een gebod is, een levensopdracht, kan je oefenen en groeien, net zoals in andere vaardigheden. De Amerikaanse therapeut en schrijver Gary Chapman ontdekte, na talloze sessies huwelijkscounseling, dat veel koppels uit elkaar groeien omdat ze ‘een andere liefdestaal’ spreken. Als je namelijk op een andere ‘golflengte’ liefde probeert te communiceren, komt deze – hoe oprecht en goed bedoeld ook – niet over. Chapmans boek ‘De vijf talen van de liefde’ (1992) is intussen al meer dan 20 miljoen maal verkocht in 50 talen.

Bij de één is die taal ‘lieve woordjes’ en complimenten, bij de ander cadeautjes en verrassingen, bij nog een ander ‘praktische hulp’ of ‘fysieke aanraking’ (streling, seks)… Als je partner een andere taal spreekt dan jij – wat meestal het geval is –, dan vereist de liefde dat je moeite doet om zijn of haar taal te leren, net zoals Engels of Chinees. Het kan wonderen doen in een relatie, de fleur er weer inbrengen als het vuur uitgeblust raakte.

Een sterke relatie is niet gebouwd op de vluchtige emotie van verliefdheid, maar op een volwassen engagement van liefde en trouw. Het is een geloofsavontuur, maar méér dan de moeite waard. Het goede nieuws is: verliefdheid kan gekoesterd, gevoed en verfrist worden, en levenslang weer opflakkeren.

Nieuwe podcastreeks over C.S. Lewis op VRT Radio 1

Waar een boekenverkoop in de bibliotheek al niet toe kan leiden … De Gentse auteur Christophe Vekeman tikte er een boek van C.S. Lewis op de kop. Op dat moment was de Britse schrijver hem volslagen onbekend, maar toen hij begon te lezen, begreep hij al snel dat hij een nieuw literair idool had. Reden genoeg om meer werken van Lewis te gaan ontdekken. Uiteindelijk werd dit de grote inspiratiebron voor zijn eigen boek ‘Tot God’.

Wie was die nobele onbekende Oxford-professor die zoveel enthousiasme bij Vekeman teweeg bracht? In ons land doet wellicht zijn fantasy-oeuvre een belletje rinkelen: de zevendelige ‘Kronieken van Narnia’. In de eerste plaats kinderboeken, maar volwassenen lezen ze ook graag. In hetzelfde genre hoort bijvoorbeeld ook ‘Lord of the Rings’ van J.R.R. Tolkien, overigens een goede vriend van Lewis.

Maar zijn werk gaat veel verder dan dat. De meeste boeken behandelen geloofsthema’s, vanuit een rationeel perspectief bekeken. In de Tweede Wereldoorlog vroeg de BBC om een aantal radiolezingen te verzorgen; uitzendingen die de burgers van het Verenigd Koninkrijk moed gaven te midden van de oorlogsmiserie.

In tegenstelling tot wat zijn boeken doen vermoeden, was Lewis jarenlang een overtuigd atheïst. In zijn jonge jaren zei hij het christendom vaarwel, maar tot zijn eigen verbazing omarmde hij later het geloof opnieuw. Hoe dat alles in zijn werk ging, is het onderwerp van de radiodocumentairereeks ‘Op Zoek Naar Lewis’, die in de tweede helft van februari op Radio 1 wordt uitgezonden. Aan de hand van de thema’s ‘Verbeelding’, ‘Mythe’, ‘Sehnsucht’ en ‘Vervulling’ voert de zoektocht vanuit Gent naar de Engelse universiteitsstad Oxford – met het Magdalen College waar Lewis doceerde, het pittoreske domein The Kilns waar hij woonde, en het serene kerkhof van de Holy Trinity Church, waar hij begraven ligt.

De vierdelige radiodocumentaire ‘Op Zoek Naar Lewis’ is op 17, 19, 24 en 25 februari te horen op Radio 1, in het programma ‘Zandman’, na het nieuws van 22:00 u. Voor meer info, of om te herbeluisteren, klik hier.

‘Verleiding van gemak en de droom van foutloze machines? Architectuur is meer dan berekening’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Begin 19de eeuw stelde de wiskundige Charles Babbage dat ‘the unerring certainty of machinery’ het probleem van menselijke feilbaarheid zou oplossen. Hij stoorde zich aan de vele rekenfouten in wiskundige tabellen en droomde van een toekomst waarin berekeningen foutloos door machines zouden worden uitgevoerd. Het idee van de computer ontstond zo vanuit een frustratie over menselijk falen.

Slechts 200 jaar later lijkt zijn droom dichterbij dan ooit. Artificiële intelligentie en Large Language Models (LLM’s) maken aan een duizelingwekkend tempo ongelofelijk complexe en voor mensen onnavolgbare berekeningen en lijken taal zelf wiskundig gekraakt te hebben. Kunstmatige breinen die proberen het menselijk brein en al zijn potentie te evenaren en zelfs te overvleugelen. AI-tools die concurreren met schrijvers, programmeurs, grafisch designers, reclamestudio’s, animatiestudio’s en zelfs ministerkabinetten in Albanië.

De vraag kan dus gesteld worden: als AI steeds beter wordt in kennis én creatie, kunnen machines dan ooit de rol van mensen overnemen in het vormgeven van de gebouwde wereld? Met andere woorden: is een artificiële architect denkbaar? Voor mij, als architect, maar ook voor u als gebruiker is die vraag cruciaal. Want de gebouwde wereld wordt hoe dan ook vormgegeven, maar vormt tegelijk ook ons leven: hoe we wonen, werken en samenleven. Juist daarin schuilt haar betekenis.

De verleiding van het gemak

Zo ver zijn we voorlopig nog niet. Vandaag gebruiken mensen AI vooral als een slimme assistent voor kleine taken: een tekst opstarten, een samenvatting maken, een moeilijke mail begrijpen, … Zelfs in dit prille begin komen prangende vragen naar voren. Wat is de ecologische kost van een prompt en wanneer is het verantwoord om AI in te schakelen? Wat is authenticiteit precies en welke dingen blijf je beter zelf schrijven? Hoe blijven we zelf competent in schrijven én denken, en in staat het werk van een AI te beoordelen, als we steeds meer denkwerk uitbesteden aan AI’s? Hoe kunnen we zelf ervaren worden, zonder zelf ervaren te hebben?

Intussen helpt AI niet alleen met teksten, maar ook met programmeercode en automatisering. Steeds vaker worden processen simpelweg overgelaten aan AI. In de techwereld spreekt men zelfs over vibe coding. Maar wie draagt straks nog verantwoordelijkheid in een wereld gebouwd op ‘vibes’? Wie begrijpt nog hoe iets is ontworpen en kan aangesproken worden als het fout loopt om het te verhelpen?

Misschien is het tijd om bewust te vertragen waar AI alles versnelt. Niet om technologie tegen te houden, maar zodat een mens met finale verantwoordelijkheid betrokken kan blijven. Slow AI dus: traagheid als bewuste keuze, om onze inefficiënties en menselijkheid ook opnieuw te leren waarderen.

Berekenen vs. betekenen

Op het grafische front is AI vandaag vooral in staat om afbeeldingen te genereren. Ook in onze Belgische context gebruiken architecten zoals Valérie Codesido AI om rijke, prikkelende beelden te maken, helemaal anders dan de druk-op-de-knop AI-bagger die het internet overspoelt. Maar ook hier, in het kundig gebruik van generative AI, duiken allerlei vragen op. Wiens intellectuele eigendom is het finaal gegenereerde beeld? Wie is de auteur: de architect, de ontwikkelaar van de AI of de eigenaar van de brondata? En dreigen we niet in een echokamer van pseudo-creativiteit terecht te komen?

Maar nog belangrijker: is het wel oké om honderden afbeeldingen van het publieke werk van architecten op te laden om een AI te finetunen? Dat we die beelden gebruiken in onze architectuuropleidingen, daar ligt niemand wakker van. We vormen immers unieke mensen zoals onszelf, die in relatie met ons ook op onze schaal zullen opereren en waardevolle personen in de samenleving worden. AI daarentegen wordt getraind op competentie-expansie — potentie zonder subject. Het systeem wordt beter, maar niemand in het systeem wordt iemand.

Tegelijk wordt ontwerpen alsmaar complexer. Steeds meer regels, verwachtingen en beperkingen maken de zoektocht naar goede oplossingen moeilijker. Alle hulp is dus welkom. Wat ontbreekt dan nog aan zo’n potente assistent dan de mogelijkheid om zelf in de wereld te ervaren hoe ruimte voelt en wat het betekent om daarin te bewegen en met mensen te interageren? Ook in robotica worden vandaag gigantische stappen gezet die kort geleden nog ondenkbaar waren. Binnenkort zullen embodied AI’s wellicht een gedeelde ruimte met ons beleven en zo tot een nog completere context — en dus intelligentie — komen.

Kunnen wij ons dan voorstellen dat een artificiële entiteit op een dag, werkelijk en gegrond in sensorische ervaring, zou kunnen redeneren over ruimtelijkheid, ordelijkheid en volgordelijkheid, ontwerp en logica, gevoel en schoonheid, betekenis en verwachting?

Wat het ook wordt: hier moeten we een lijn trekken. Een intelligentie gebouwd op een kunstmatig neuraal netwerk van artificiële neuronen en belichaamd op een robotisch platform van plastic en aluminium, sensoren en servomotoren is per definitie vreemd aan ons en dus ook niet zoals ons. Zij zijn niet zoals wij. De in hen gegenereerde intelligentie is dan ook niet zozeer een artificial intelligence dan wel een alien intelligence en dus radicaal anders, zoals schrijver Yuval Harari zo treffend stelt.

De gebouwde wereld is echter altijd voor mensen bedoeld geweest, niet voor AI’s. Kunnen we ons dan werkelijk voorstellen dat die ontworpen zou worden door niet-menselijke entiteiten? Zelfs al lijkt de simulatie van menselijkheid steeds completer, ze blijft asymptotisch. Ze nadert, maar raakt nooit de volheid van menselijke ervaring en betekenis. Wat echt geleefd, doorleefd en door een mens belichaamd is, kan niet door simulatie bereikt worden. De na-aping kan nooit het origineel zijn.

Juist daarom is het een gevaarlijk idee om de zorg voor onze ruimte en gebouwen uit handen te geven.

Rentmeesterschap

Architectuur is meer dan een berekening. De architect, zo zegt het Griekse woord, is de ‘arche’ van het ‘tecton’: de oorsprong van wat ontworpen of gebouwd wordt. Een ‘artificiële architect’ is daarom altijd een contradictie. Wat artificieel is, kan namelijk niet oorspronkelijk zijn. Mensen falen, zoveel is zeker, maar daaruit besluiten dat we ons vertrouwen dan maar moeten leggen in steeds completere, niet-menselijke systemen, is een brug te ver en een stap die we alleen tot onze schade zouden nemen.

In Nerdland noemde Jeroen Baert mijn zin “AI berekent, maar een mens betekent” ooit ronduit bullshit — tot hij zich twee minuten later, tot hilariteit van het volledige panel, op exact dezelfde conclusie betrapte. AI genereert, maar wij kiezen wat ertoe doet.

Het mag duidelijk zijn: ik wil geloven in mensen, in auteurschap én in krachtige AI-tools die ons ondersteunen, maar niet in het overdragen van onze verantwoordelijkheid of het rentmeesterschap over deze wonderlijke wereld die ons is toevertrouwd. Het is precies in die zorg voor elkaar en de wereld waarin we leven dat wij een blijvende betekenis zullen kunnen vinden in élke vierkante meter. Want een AI berekent, maar een mens betekent.

Ik dank God voor Bart De Wever

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Op 3 februari 2026 was Bart De Wever één jaar premier! Heffen we een glas champagne of roepen we collectief ‘boe’? Hoe fier zijn we als Belgen op onze overheid en hoe loyaal? Of moéten we altijd overal tégen zijn?

De titel van dit stuk is niet sarcastisch bedoeld. Even ter verduidelijking: ik ben niet door de premier ingehuurd voor dit artikel, ik ben zelfs geen lid van N-VA, heb niet eens voor de brave man gestemd, heb hem nog nooit ontmoet. Maar als iemand iets goeds doet, mag dat in onze media ook eens gewoon gezegd worden?

Democratieën functioneren vandaag steeds moeilijker, draaien met vierkante wielen. Polarisatie en profileringsdrang maken dat politici steeds minder boven hun eigen partij kunnen uitstijgen. Een regeringsploeg vol kakelende *censuur* op één lijn krijgen is bijna bovenmenselijk. Dikke pluim voor Bart.

Gesmolten ijs

Dit is geen verklaring van absolute loyaliteit ‘in goede en kwade dagen’: dat heb ik alleen tegenover mijn vrouw. Maar af en toe een oprecht compliment geven: het maakt het leven voor ons allen veel aangenamer. Deden we het maar wat meer – ook naar medemensen. Het kan de sfeer in een kamer doen opklaren, het ijs doen smelten, veel goodwill creëren.

Persoonlijk mag ik BDW wel: zijn stijl en aanpak zijn rechtdoorzee, en hij heeft tenminste een ruggengraat. Hij is vooral geen populist, doet niet mee aan de moderne sugarcoating van alles wat ‘onleuk’ is. Hij smeert geen stroop om de baard. Hij is verbaal enorm sterk, maar blijft respectvol voor zijn tegenstanders – ook al zou hij ze tot gehakt kunnen vermalen.

Hij heeft veel gezond verstand: ik deel zijn allergie voor doorgeslagen woke en politieke correctheid. Ik vind het verademend als een politicus het kind bij naam durft noemen. Ik prefereer ministers die mij eerlijk zeggen dat we moeilijke tijden tegemoet gaan: ik heb al te veel loze beloften gehoord.

Giftige kritieken

Als christen acht ik het mijn vaderlandslievende plicht om voor onze overheden te bidden: de apostel Paulus, een briljant schrijver en denker, spoort ons aan te bidden ‘voor koningen en hooggeplaatsten’. Ze hebben het verdorie hard nodig in deze tijden: zoveel complexe dossiers, toenemende crisissen, drammerig gelobby, giftige kritieken, zure verwijten, aanvallen onder de gordel, dolken in de rug. Constant moeten optornen tegen al die journalisten en miljoenen burgers die zichzelf expert achten en het zóveel beter weten. Ze moesten ministers extralegale compensaties geven voor alle geleden psychologische schade (PTSS), én voor de gezondheidsschade van extreem stresserende nachtelijke marathonvergaderingen. Serieus: ik heb soms echt compassie met zulke hoogst ondankbare en slopende job.

Ik dank God dus voor alle goedbedoelende politici die deze offers brengen in uw en mijn belang. Want, nee, ik geloof echt niet dat het allemaal ‘zakkenvullers’ zijn: ik weiger mee te gaan in de antipolitiek van nihilisten en beroepsklagers. Derek Prince, een wereldwijd gerespecteerd filosoof en bijbelleraar, zei het als volgt: ‘Klaag niet over politici, maar bid voor hen. Als je klaagt, is het je eigen schuld: omdat je niet genoeg gebeden hebt.’ Wat je zaait, zal je oogsten; wie zegen uitdeelt, zal deze terug krijgen.

Beste medicijn

Ik dank God by the way ook voor onze koning: ik vind dat we véél te weinig fier zijn op hem – zoals de Nederlanders op hun koning. En koningin Mathilde vind ik een cadeau voor ons ganse land, samen met hun vier stralende kinderen, waaronder een zeer beloftevolle prinses Elisabeth. Ik heb vele decennia geen enkele nationale trots gehad, geen greintje fierheid over mijn Belg-zijn, maar ik heb mij daarvan bekeerd: we hebben in ons Belgenlandje véél om dankbaar voor te zijn.

Dankbaarheid: psychologen vertellen ons dat dit de meest gezonde emotie is. Het is het beste medicijn tegen de klaagcultuur in ons land: de verzuring, het ‘malcontentement’, de zwarte bril. Ik ben echt niet blind voor de vele mistoestanden, maar ik kies ervoor om méér naar de zegeningen te kijken. We staan nog altijd in de top van de wereld als het gaat om ‘goed leven’.

Goede voorbeeld

Als leerkracht op school wordt mij regelmatig voorgehouden dat we onze leerlingen ‘burgerzin’ moeten bijbrengen. Ach, denk ik dan, en geven wij als volwassenen dan het goede voorbeeld? Een positieve ingesteldheid, een constructieve houding, in het besef dat ieder zijn steentje moet bijdragen, ook in crisissen en tijden van besparing?

De recente stakingen geven mij helaas een heel ander beeld van ‘Laat die ander maar opdraaien’. Staken blijft een democratisch recht en is soms nodig, maar ‘trop is teveel’. En ja, ik bid ook geregeld voor onze politie, vaak een ondankbare hondenjob als ze bekogeld en uitge*censuur* worden. Maar ook voor alle anderen die, professioneel of vrijwillig, ‘het systeem’ recht houden en ‘de olie’ zijn waardoor de machine blijft draaien.

Of ik geloof dat gebed iets uithaalt? Absoluut! God werkt meestal incognito, maar onderschat Hem niet: Hij heeft een ‘lange arm’. Ongemerkt injecteert Hij een geïnspireerd idee in iemands hoofd – misschien zelfs bij mij! – of maakt Hij iemands hart weer zacht. Hij is ook geen populist: Hij staat vér boven alle partijen, en hoeft gelukkig binnen vier jaar niet herverkozen te worden.

Kerst is de ideale periode om stil te staan bij de vraag: welk licht zoek ik?

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Kerst valt in de donkerste periode van het jaar. Daarom wordt het ook wel het ‘feest van het licht’ genoemd. We zien het overvloedig in onze straten: het aantal lichtslingers en andere LED-decoratie groeit jaarlijks exponentieel. Is Jezus’ missie met zijn geboorte om ‘licht in de duisternis’ te brengen dus geslaagd? Uiteraard bedoelde hij dat niet. Hoe ‘verlicht’ zijn we vandaag dan? Of lijkt het soms dat de duisternis om ons heen eerder aan het toenemen is?

‘Licht’ is een universeel thema in godsdiensten en spirituele tradities. Het komt voort uit een algemeen aanvoelen dat we als mensen toch maar erg ‘in het duister tasten’ over de geestelijke wereld, meer vragen hebben dan antwoorden. Onze ‘geestelijke ogen’ – ook ‘ogen van het hart’ genoemd – zijn onderontwikkeld, of: verdoft.

Er zijn in deze wereld minstens 4000 à 10.000 verschillende religies en spirituele tradities. 10.000 verschillende antwoorden op de grote waaromvragen: tja, begin het maar eens uit te zoeken, hé. Wie ziet er nog helder het spirituele bos doorheen de bomen? En wat heeft die baby in de kribbe in deze context ons te bieden?

Existentiële onzekerheid of verwarring kan zwaar wegen. Een mens is bereid om keihard te werken en zich helemaal te smijten voor een ideaal, maar als hij op een dag ontdekt dat hij niet (meer) weet waaróm hij zich afslooft, knalt hij tegen een onzichtbare muur: alles wordt zinloos en absurd. De ‘geest’ is uit de fles, de motivatie en drive lopen leeg zoals een doorprikte ballon. Soms lijkt het alsof onze postmoderne cultuur geen richting meer heeft.

‘Ik leef in duisternis’ is een zeer reëel gevoel voor sommigen, erg beangstigend: ‘het niet meer zien zitten’, ‘geen uitzicht meer hebben’, ‘diep in de put’, ‘in dichte mist’… Onderliggend aan vele andere crisissen – zeker de ‘epidemie’ van psychische problemen – ligt namelijk een spirituele crisis: ons zingevingskader is afgebrokkeld, het gemeenschappelijk waardensysteem versnipperd. Ieder doet maar wat. Elk ‘groter verhaal’ om in te geloven – gelinkt aan dat kerstekind in de stal – is versnipperd, het gevoel van verbondenheid is verdampt.

‘Licht in de nacht’ – zoals dat beroemde kerstlied zingt – is dus zeker geen luxe. Maar hoe seculier willen we zijn? 1500 jaar lang was iedereen in de Europese cultuur het erover eens dat het ultieme licht ‘van boven’ kwam: van de God die aan het begin van de eerste scheppingsdag sprak “Er zij licht” (Genesis 1:3).

De Verlichting leende dezelfde beeldspraak over ‘licht’, maar draaide de betekenis helemaal om: het licht komt van de rede, de wetenschap, zeg maar: van de mens! ‘Scientia vincere tenebras’ is nog steeds de slogan van de Vrije Universiteit Brussel: ‘door wetenschap duisternis overwinnen’. De vrijzinnigheid heeft als symbool de fakkel: het licht dat een mens zélf kan brengen. Gelovigen én ongelovigen willen uiteraard meer licht, maar mag het ‘van boven’ komen, of is deze piste afgesloten, dicht gebetonneerd? De achterliggende vraag hierbij is: hoeveel licht kan de mens aandragen, of: hoeveel duisternis draagt hij zelf nog in zich?

Christelijk geloof en vrijzinnigheid staan hier inderdaad diametraal tegenover elkaar. Wie met Kerst zingt ‘de redder is geboren’ erkent dat de mensheid een redder nodig heeft. Het vraagt een dosis nederigheid om te aanvaarden dat wij het zelf niet kunnen. Deze tegenstelling wordt gemakkelijk gepresenteerd als ‘geloof’ tegenover ‘rede’, maar dat klopt niet: beide zijn evenzeer geloof: geloof in God tegenover geloof in de mens.

Het eerste is zeker en vast religieus, maar het tweede is daarom niet ‘rationeel’ of evident: want we zien elke dag om ons heen dat de mens een onbetrouwbaar wezen is. Waarom doen we onze deuren, auto’s en fietsen anders op slot en beveiligen al onze accounts met wachtwoorden? Hoe verlicht is het om je ultieme vertrouwen op zulk onvoorspelbaar schepsel te bouwen?

Het nieuwe ‘licht’ in de verlichtingstijd ging niet over spiritueel licht, maar over rationaliteit, wetenschap en technologische vooruitgang: deze zijn zeker niet onbelangrijk, maar gaan wel over iets heel anders. Want ook de ‘the dark side’, de onderwereld en maffia, maken evengoed gebruik van alle spitstechnologie. Helaas, na 3 eeuwen verlichting hebben we nog meer dan genoeg duisternis in de westerse wereld. Sommigen zouden beweren in dat die (weer?) aan het toenemen is: in de wereldpolitiek, in intermenselijke relaties, verharding, verzuring, vereenzaming…

Wat is dan geestelijk licht, en wie kan dat brengen? Wie kan deze claim hard maken? Of kan iedereen, elke goeroe, sekteleider of charlatan, zomaar beweren wat hij wil? Jezus is weliswaar één van de velen die een claim maken om licht te brengen, maar hij is zeker niet de eerste de beste. 2,5 miljard volgelingen: niemand deed of doet het hem na. Hij durfde zaken benoemen zonder doekjes om te winden, vrij van populisme of angst voor mensen. Ook ver buiten zijn eigen ‘club’ geniet hij daarom groot respect. Of zijn claim waar is ontdek je pas als je ze uitprobeert en test.

John Newton (1725-1807), een Brits slavenhandelaar die zich bekeerde en vurig abolitionist werd, verwoordde het in zijn wereldberoemde lied ‘Amazing Grace’: ‘I once was lost, but now I’m found, was blind, but now I see’. Miljoenen anderen na hem kunnen dat beamen en beweren licht gevonden te hebben, bevrijd te zijn uit vele vormen van duisternis en wanhoop. Het is niet omdat er vele ‘valse lichten’ zijn dat er ‘dus geen echte bestaan’.

In de middeleeuwen vergeleek men God met de zon – die aan al het bestaande licht, warmte en leven geeft – en de mens met de maan die Zijn licht kan reflecteren. Een gelovige prefereert het stralende licht van de zon boven dat van een fakkel. Ach, hoe moeilijk is het om een redder en lichtdrager van buitenaf te accepteren? Doet dat pijn aan onze trots als méns? Het heerlijke licht van de zon – ook van bovenaf! – ontvangen we toch élke dag?

De technologie heeft intussen zoveel – fysiek! – licht gebracht dat we klagen over lichtvervuiling, waardoor we de fonkelende sterrenhemel niet meer kunnen zien. Trop is teveel? Maar geestelijk gaat het met de westerse mens echt niet goed. Nihilisme en cynisme nemen de tijdgeest over, een spirituele burn-out en apathie.

En tegelijk, misschien precies net daarom, zien we in vele westerse landen een hernieuwde zoektocht naar geloof en religie, zeker bij jongeren. De oude psalmist zei: “In Uw licht zien wij het licht” (Ps. 36:10). En toen de pasgeboren Jezus naar de tempel in Jeruzalem werd gebracht profeteerde de oude Simeon ook dat deze baby ‘een licht voor de volken’ zou worden (Luk. 2:32). En inderdaad, in élk land van de wereld heeft hij vandaag volgelingen die zich over zijn licht verheugen en zijn geboorte vieren.

En zo is de kerstperiode weer een ideale gelegenheid om eens stil te staan bij de vraag: wat geloof ik eigenlijk? Of: welk licht heb ik, of: zoek ik? Hebben we collectief te snel de kerstboodschap buiten gegooid? Het (kerste)kind met het badwater…?