Hoe voorkomen we dat AI het leven in onze plaats leidt?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.

Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.

Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?

Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.

Vrij denken

Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.

Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.

Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.

En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.

Frictieloze utopie

Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?

Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.

Valentijn: liefde kan je leren

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

‘All you need is love’, zongen de Beatles in 1967: het had uit de Bijbel kunnen komen. Het is heel erg waar, en ook niet waar: zeker als ze verderop zingen ‘It’s easy’, dan waren ze waarschijnlijk eerder onder invloed van marihuana dan van goddelijke inspiratie. Want als het zo makkelijk is, waarom gaat het dan zo vaak fout in de liefde? Bij de Beatles ging het om een rozige, hippie-achtige liefde met een zoete cannabisgeur. Een echte relatie is complexer dan dat.

Liefde wordt in onze cultuur te vaak op één hoop gegooid met verliefdheid. Dat is gekleurd door Hollywood: verliefdheid als een bliksem die je ondersteboven slaat en waar je niets aan kan doen, de pijl van Cupido: de hevigste emotie denkbaar, een ‘slag van de molen’, vlinders in de buik, de hormonen gierend door je lijf.

Het is een geromantiseerd beeld, want in de realiteit gaat het zelden zo. Het winstgedreven Hollywood presenteert wat vlotjes verkoopt, wat mensen laat wegdromen, niet wat moeite vraagt. Onrealistische verwachtingen zijn een recept voor ontgoochelingen. Verliefdheid kan je zeer high maken, maar in de liefde moet je met je twee voeten stevig op de grond staan.

Komt en verdwijnt

Verliefdheid, zeggen relatietherapeuten, is inderdaad een heel sterke emotie, maar zoals alle emoties gaat ze op en af, komt en verdwijnt. Ze is de eerste vonk, de ontsteking, maar niet de blijvende brandstof. Sommige mensen vergelijken de liefde met de lotto: als je toevallig de juiste treft, gaat de rest vanzelf. Niets is minder waar: als we na de roze wolkjes weer met onze voeten op aarde landen – of hard op ons gezicht gaan – komt de moeilijke vraag: is dit echte liefde of niet? De pijl van Cupido kan namelijk ook een heftige verblinding veroorzaken, een roes, tijdelijke verdwazing.

Liefde is prachtig en tegelijk aartsmoeilijk. Ze kan ons in de hoogste verrukking brengen, en nachtmerries bezorgen. Ze laat ons soms leven, en soms sterven. En toch kunnen we niet zonder. We snakken er naar en voelen ons doodgaan als we ze niet vinden.

De seksuele revolutie heeft indertijd veel kapotgemaakt: er was veel seks en weinig liefde. Seks werd ‘los verkrijgbaar’: trouw en engagement waren in de hippietijd ‘kleinburgerlijk’ en ouderwets. Ook de slogan ‘Leve de vrije liefde’ was erg dunnetjes: flirterig, lekker vrijblijvend, voor directe consumptie en een vluchtige kick. Een epidemie van gebroken relaties en gebroken harten was het gevolg. Daarom zien we vandaag almaar meer jonge mensen die niet meer geloven in ‘de échte liefde’: ‘Maar meneer, dat bestaat toch niet meer?!’

Liefhebben maakt ons mens

Als we het over de liefde hebben, kunnen we niet anders dan terugkijken naar de christelijke cultuur die liefde tot hoogste waarde én hoogste gebod verheven heeft. Zij heeft het natuurlijk over de naastenliefde, liefde voor álle mensen, maar deze geldt des te meer in een partnerrelatie. Liefhebben maakt ons bij uitstek tot mensen: dat we het dierlijke niveau kunnen overstijgen. In het Nieuwe Testament is ‘agapè’ het woord voor de zuivere liefde die kan geven zonder terug te verwachten: zoals God die in oneindige mate heeft en wij in beperkte mate. Deze liefde is bevrijdend en verheffend: ons betere ik komt naar boven en dit maakt ons gelukkig op dieper niveau.

Paulus schreef in het ‘Hooglied van de liefde’ (1 Korinthe 13), een juweeltje in de wereldliteratuur: ‘Zonder de liefde was ik niets…, enkel een schelle cymbaal’ – decibels zonder melodie. Als oprechte liefde als diepste drijfveer is in alles wat we doen, geeft dat aan alles kleur en glans, een gouden randje. Johannes, de ‘apostel van de liefde’, schreef nog sterker: ‘God ís Liefde’. Wie in zo’n God gelooft kan niet anders dan streven om goed/beter/best te worden in liefhebben. Ook in relaties en huwelijken.

Volwassen engagement

Liefde kan je – gelukkig – leren! Want als het een gebod is, een levensopdracht, kan je oefenen en groeien, net zoals in andere vaardigheden. De Amerikaanse therapeut en schrijver Gary Chapman ontdekte, na talloze sessies huwelijkscounseling, dat veel koppels uit elkaar groeien omdat ze ‘een andere liefdestaal’ spreken. Als je namelijk op een andere ‘golflengte’ liefde probeert te communiceren, komt deze – hoe oprecht en goed bedoeld ook – niet over. Chapmans boek ‘De vijf talen van de liefde’ (1992) is intussen al meer dan 20 miljoen maal verkocht in 50 talen.

Bij de één is die taal ‘lieve woordjes’ en complimenten, bij de ander cadeautjes en verrassingen, bij nog een ander ‘praktische hulp’ of ‘fysieke aanraking’ (streling, seks)… Als je partner een andere taal spreekt dan jij – wat meestal het geval is –, dan vereist de liefde dat je moeite doet om zijn of haar taal te leren, net zoals Engels of Chinees. Het kan wonderen doen in een relatie, de fleur er weer inbrengen als het vuur uitgeblust raakte.

Een sterke relatie is niet gebouwd op de vluchtige emotie van verliefdheid, maar op een volwassen engagement van liefde en trouw. Het is een geloofsavontuur, maar méér dan de moeite waard. Het goede nieuws is: verliefdheid kan gekoesterd, gevoed en verfrist worden, en levenslang weer opflakkeren.

Nieuwe podcastreeks over C.S. Lewis op VRT Radio 1

Waar een boekenverkoop in de bibliotheek al niet toe kan leiden … De Gentse auteur Christophe Vekeman tikte er een boek van C.S. Lewis op de kop. Op dat moment was de Britse schrijver hem volslagen onbekend, maar toen hij begon te lezen, begreep hij al snel dat hij een nieuw literair idool had. Reden genoeg om meer werken van Lewis te gaan ontdekken. Uiteindelijk werd dit de grote inspiratiebron voor zijn eigen boek ‘Tot God’.

Wie was die nobele onbekende Oxford-professor die zoveel enthousiasme bij Vekeman teweeg bracht? In ons land doet wellicht zijn fantasy-oeuvre een belletje rinkelen: de zevendelige ‘Kronieken van Narnia’. In de eerste plaats kinderboeken, maar volwassenen lezen ze ook graag. In hetzelfde genre hoort bijvoorbeeld ook ‘Lord of the Rings’ van J.R.R. Tolkien, overigens een goede vriend van Lewis.

Maar zijn werk gaat veel verder dan dat. De meeste boeken behandelen geloofsthema’s, vanuit een rationeel perspectief bekeken. In de Tweede Wereldoorlog vroeg de BBC om een aantal radiolezingen te verzorgen; uitzendingen die de burgers van het Verenigd Koninkrijk moed gaven te midden van de oorlogsmiserie.

In tegenstelling tot wat zijn boeken doen vermoeden, was Lewis jarenlang een overtuigd atheïst. In zijn jonge jaren zei hij het christendom vaarwel, maar tot zijn eigen verbazing omarmde hij later het geloof opnieuw. Hoe dat alles in zijn werk ging, is het onderwerp van de radiodocumentairereeks ‘Op Zoek Naar Lewis’, die in de tweede helft van februari op Radio 1 wordt uitgezonden. Aan de hand van de thema’s ‘Verbeelding’, ‘Mythe’, ‘Sehnsucht’ en ‘Vervulling’ voert de zoektocht vanuit Gent naar de Engelse universiteitsstad Oxford – met het Magdalen College waar Lewis doceerde, het pittoreske domein The Kilns waar hij woonde, en het serene kerkhof van de Holy Trinity Church, waar hij begraven ligt.

De vierdelige radiodocumentaire ‘Op Zoek Naar Lewis’ is op 17, 19, 24 en 25 februari te horen op Radio 1, in het programma ‘Zandman’, na het nieuws van 22:00 u. Voor meer info, of om te herbeluisteren, klik hier.

‘Verleiding van gemak en de droom van foutloze machines? Architectuur is meer dan berekening’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Begin 19de eeuw stelde de wiskundige Charles Babbage dat ‘the unerring certainty of machinery’ het probleem van menselijke feilbaarheid zou oplossen. Hij stoorde zich aan de vele rekenfouten in wiskundige tabellen en droomde van een toekomst waarin berekeningen foutloos door machines zouden worden uitgevoerd. Het idee van de computer ontstond zo vanuit een frustratie over menselijk falen.

Slechts 200 jaar later lijkt zijn droom dichterbij dan ooit. Artificiële intelligentie en Large Language Models (LLM’s) maken aan een duizelingwekkend tempo ongelofelijk complexe en voor mensen onnavolgbare berekeningen en lijken taal zelf wiskundig gekraakt te hebben. Kunstmatige breinen die proberen het menselijk brein en al zijn potentie te evenaren en zelfs te overvleugelen. AI-tools die concurreren met schrijvers, programmeurs, grafisch designers, reclamestudio’s, animatiestudio’s en zelfs ministerkabinetten in Albanië.

De vraag kan dus gesteld worden: als AI steeds beter wordt in kennis én creatie, kunnen machines dan ooit de rol van mensen overnemen in het vormgeven van de gebouwde wereld? Met andere woorden: is een artificiële architect denkbaar? Voor mij, als architect, maar ook voor u als gebruiker is die vraag cruciaal. Want de gebouwde wereld wordt hoe dan ook vormgegeven, maar vormt tegelijk ook ons leven: hoe we wonen, werken en samenleven. Juist daarin schuilt haar betekenis.

De verleiding van het gemak

Zo ver zijn we voorlopig nog niet. Vandaag gebruiken mensen AI vooral als een slimme assistent voor kleine taken: een tekst opstarten, een samenvatting maken, een moeilijke mail begrijpen, … Zelfs in dit prille begin komen prangende vragen naar voren. Wat is de ecologische kost van een prompt en wanneer is het verantwoord om AI in te schakelen? Wat is authenticiteit precies en welke dingen blijf je beter zelf schrijven? Hoe blijven we zelf competent in schrijven én denken, en in staat het werk van een AI te beoordelen, als we steeds meer denkwerk uitbesteden aan AI’s? Hoe kunnen we zelf ervaren worden, zonder zelf ervaren te hebben?

Intussen helpt AI niet alleen met teksten, maar ook met programmeercode en automatisering. Steeds vaker worden processen simpelweg overgelaten aan AI. In de techwereld spreekt men zelfs over vibe coding. Maar wie draagt straks nog verantwoordelijkheid in een wereld gebouwd op ‘vibes’? Wie begrijpt nog hoe iets is ontworpen en kan aangesproken worden als het fout loopt om het te verhelpen?

Misschien is het tijd om bewust te vertragen waar AI alles versnelt. Niet om technologie tegen te houden, maar zodat een mens met finale verantwoordelijkheid betrokken kan blijven. Slow AI dus: traagheid als bewuste keuze, om onze inefficiënties en menselijkheid ook opnieuw te leren waarderen.

Berekenen vs. betekenen

Op het grafische front is AI vandaag vooral in staat om afbeeldingen te genereren. Ook in onze Belgische context gebruiken architecten zoals Valérie Codesido AI om rijke, prikkelende beelden te maken, helemaal anders dan de druk-op-de-knop AI-bagger die het internet overspoelt. Maar ook hier, in het kundig gebruik van generative AI, duiken allerlei vragen op. Wiens intellectuele eigendom is het finaal gegenereerde beeld? Wie is de auteur: de architect, de ontwikkelaar van de AI of de eigenaar van de brondata? En dreigen we niet in een echokamer van pseudo-creativiteit terecht te komen?

Maar nog belangrijker: is het wel oké om honderden afbeeldingen van het publieke werk van architecten op te laden om een AI te finetunen? Dat we die beelden gebruiken in onze architectuuropleidingen, daar ligt niemand wakker van. We vormen immers unieke mensen zoals onszelf, die in relatie met ons ook op onze schaal zullen opereren en waardevolle personen in de samenleving worden. AI daarentegen wordt getraind op competentie-expansie — potentie zonder subject. Het systeem wordt beter, maar niemand in het systeem wordt iemand.

Tegelijk wordt ontwerpen alsmaar complexer. Steeds meer regels, verwachtingen en beperkingen maken de zoektocht naar goede oplossingen moeilijker. Alle hulp is dus welkom. Wat ontbreekt dan nog aan zo’n potente assistent dan de mogelijkheid om zelf in de wereld te ervaren hoe ruimte voelt en wat het betekent om daarin te bewegen en met mensen te interageren? Ook in robotica worden vandaag gigantische stappen gezet die kort geleden nog ondenkbaar waren. Binnenkort zullen embodied AI’s wellicht een gedeelde ruimte met ons beleven en zo tot een nog completere context — en dus intelligentie — komen.

Kunnen wij ons dan voorstellen dat een artificiële entiteit op een dag, werkelijk en gegrond in sensorische ervaring, zou kunnen redeneren over ruimtelijkheid, ordelijkheid en volgordelijkheid, ontwerp en logica, gevoel en schoonheid, betekenis en verwachting?

Wat het ook wordt: hier moeten we een lijn trekken. Een intelligentie gebouwd op een kunstmatig neuraal netwerk van artificiële neuronen en belichaamd op een robotisch platform van plastic en aluminium, sensoren en servomotoren is per definitie vreemd aan ons en dus ook niet zoals ons. Zij zijn niet zoals wij. De in hen gegenereerde intelligentie is dan ook niet zozeer een artificial intelligence dan wel een alien intelligence en dus radicaal anders, zoals schrijver Yuval Harari zo treffend stelt.

De gebouwde wereld is echter altijd voor mensen bedoeld geweest, niet voor AI’s. Kunnen we ons dan werkelijk voorstellen dat die ontworpen zou worden door niet-menselijke entiteiten? Zelfs al lijkt de simulatie van menselijkheid steeds completer, ze blijft asymptotisch. Ze nadert, maar raakt nooit de volheid van menselijke ervaring en betekenis. Wat echt geleefd, doorleefd en door een mens belichaamd is, kan niet door simulatie bereikt worden. De na-aping kan nooit het origineel zijn.

Juist daarom is het een gevaarlijk idee om de zorg voor onze ruimte en gebouwen uit handen te geven.

Rentmeesterschap

Architectuur is meer dan een berekening. De architect, zo zegt het Griekse woord, is de ‘arche’ van het ‘tecton’: de oorsprong van wat ontworpen of gebouwd wordt. Een ‘artificiële architect’ is daarom altijd een contradictie. Wat artificieel is, kan namelijk niet oorspronkelijk zijn. Mensen falen, zoveel is zeker, maar daaruit besluiten dat we ons vertrouwen dan maar moeten leggen in steeds completere, niet-menselijke systemen, is een brug te ver en een stap die we alleen tot onze schade zouden nemen.

In Nerdland noemde Jeroen Baert mijn zin “AI berekent, maar een mens betekent” ooit ronduit bullshit — tot hij zich twee minuten later, tot hilariteit van het volledige panel, op exact dezelfde conclusie betrapte. AI genereert, maar wij kiezen wat ertoe doet.

Het mag duidelijk zijn: ik wil geloven in mensen, in auteurschap én in krachtige AI-tools die ons ondersteunen, maar niet in het overdragen van onze verantwoordelijkheid of het rentmeesterschap over deze wonderlijke wereld die ons is toevertrouwd. Het is precies in die zorg voor elkaar en de wereld waarin we leven dat wij een blijvende betekenis zullen kunnen vinden in élke vierkante meter. Want een AI berekent, maar een mens betekent.

Ik dank God voor Bart De Wever

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Op 3 februari 2026 was Bart De Wever één jaar premier! Heffen we een glas champagne of roepen we collectief ‘boe’? Hoe fier zijn we als Belgen op onze overheid en hoe loyaal? Of moéten we altijd overal tégen zijn?

De titel van dit stuk is niet sarcastisch bedoeld. Even ter verduidelijking: ik ben niet door de premier ingehuurd voor dit artikel, ik ben zelfs geen lid van N-VA, heb niet eens voor de brave man gestemd, heb hem nog nooit ontmoet. Maar als iemand iets goeds doet, mag dat in onze media ook eens gewoon gezegd worden?

Democratieën functioneren vandaag steeds moeilijker, draaien met vierkante wielen. Polarisatie en profileringsdrang maken dat politici steeds minder boven hun eigen partij kunnen uitstijgen. Een regeringsploeg vol kakelende *censuur* op één lijn krijgen is bijna bovenmenselijk. Dikke pluim voor Bart.

Gesmolten ijs

Dit is geen verklaring van absolute loyaliteit ‘in goede en kwade dagen’: dat heb ik alleen tegenover mijn vrouw. Maar af en toe een oprecht compliment geven: het maakt het leven voor ons allen veel aangenamer. Deden we het maar wat meer – ook naar medemensen. Het kan de sfeer in een kamer doen opklaren, het ijs doen smelten, veel goodwill creëren.

Persoonlijk mag ik BDW wel: zijn stijl en aanpak zijn rechtdoorzee, en hij heeft tenminste een ruggengraat. Hij is vooral geen populist, doet niet mee aan de moderne sugarcoating van alles wat ‘onleuk’ is. Hij smeert geen stroop om de baard. Hij is verbaal enorm sterk, maar blijft respectvol voor zijn tegenstanders – ook al zou hij ze tot gehakt kunnen vermalen.

Hij heeft veel gezond verstand: ik deel zijn allergie voor doorgeslagen woke en politieke correctheid. Ik vind het verademend als een politicus het kind bij naam durft noemen. Ik prefereer ministers die mij eerlijk zeggen dat we moeilijke tijden tegemoet gaan: ik heb al te veel loze beloften gehoord.

Giftige kritieken

Als christen acht ik het mijn vaderlandslievende plicht om voor onze overheden te bidden: de apostel Paulus, een briljant schrijver en denker, spoort ons aan te bidden ‘voor koningen en hooggeplaatsten’. Ze hebben het verdorie hard nodig in deze tijden: zoveel complexe dossiers, toenemende crisissen, drammerig gelobby, giftige kritieken, zure verwijten, aanvallen onder de gordel, dolken in de rug. Constant moeten optornen tegen al die journalisten en miljoenen burgers die zichzelf expert achten en het zóveel beter weten. Ze moesten ministers extralegale compensaties geven voor alle geleden psychologische schade (PTSS), én voor de gezondheidsschade van extreem stresserende nachtelijke marathonvergaderingen. Serieus: ik heb soms echt compassie met zulke hoogst ondankbare en slopende job.

Ik dank God dus voor alle goedbedoelende politici die deze offers brengen in uw en mijn belang. Want, nee, ik geloof echt niet dat het allemaal ‘zakkenvullers’ zijn: ik weiger mee te gaan in de antipolitiek van nihilisten en beroepsklagers. Derek Prince, een wereldwijd gerespecteerd filosoof en bijbelleraar, zei het als volgt: ‘Klaag niet over politici, maar bid voor hen. Als je klaagt, is het je eigen schuld: omdat je niet genoeg gebeden hebt.’ Wat je zaait, zal je oogsten; wie zegen uitdeelt, zal deze terug krijgen.

Beste medicijn

Ik dank God by the way ook voor onze koning: ik vind dat we véél te weinig fier zijn op hem – zoals de Nederlanders op hun koning. En koningin Mathilde vind ik een cadeau voor ons ganse land, samen met hun vier stralende kinderen, waaronder een zeer beloftevolle prinses Elisabeth. Ik heb vele decennia geen enkele nationale trots gehad, geen greintje fierheid over mijn Belg-zijn, maar ik heb mij daarvan bekeerd: we hebben in ons Belgenlandje véél om dankbaar voor te zijn.

Dankbaarheid: psychologen vertellen ons dat dit de meest gezonde emotie is. Het is het beste medicijn tegen de klaagcultuur in ons land: de verzuring, het ‘malcontentement’, de zwarte bril. Ik ben echt niet blind voor de vele mistoestanden, maar ik kies ervoor om méér naar de zegeningen te kijken. We staan nog altijd in de top van de wereld als het gaat om ‘goed leven’.

Goede voorbeeld

Als leerkracht op school wordt mij regelmatig voorgehouden dat we onze leerlingen ‘burgerzin’ moeten bijbrengen. Ach, denk ik dan, en geven wij als volwassenen dan het goede voorbeeld? Een positieve ingesteldheid, een constructieve houding, in het besef dat ieder zijn steentje moet bijdragen, ook in crisissen en tijden van besparing?

De recente stakingen geven mij helaas een heel ander beeld van ‘Laat die ander maar opdraaien’. Staken blijft een democratisch recht en is soms nodig, maar ‘trop is teveel’. En ja, ik bid ook geregeld voor onze politie, vaak een ondankbare hondenjob als ze bekogeld en uitge*censuur* worden. Maar ook voor alle anderen die, professioneel of vrijwillig, ‘het systeem’ recht houden en ‘de olie’ zijn waardoor de machine blijft draaien.

Of ik geloof dat gebed iets uithaalt? Absoluut! God werkt meestal incognito, maar onderschat Hem niet: Hij heeft een ‘lange arm’. Ongemerkt injecteert Hij een geïnspireerd idee in iemands hoofd – misschien zelfs bij mij! – of maakt Hij iemands hart weer zacht. Hij is ook geen populist: Hij staat vér boven alle partijen, en hoeft gelukkig binnen vier jaar niet herverkozen te worden.