We moeten het idee van een vijandige natuur inwisselen voor dat van een gemeenschappelijk, te herstellen huis

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

In Het onbehagen in de cultuur constateert Freud dat de beschaving bestaat om de mens tegen de gevreesde natuur te beschermen. Dat gebeurt door haar “met technologie aan te vallen en aan de menselijke wil te onderwerpen”. Dankzij vele overwinningen zijn we vandaag inderdaad minder kwetsbaar: gesels als de Zwarte Dood buigen voor de kartonnen doosjes van goedkope antibiotica, de woeste wateren van de oceanen zijn snelwegen voor onze globale pakjeseconomie geworden.

Toch is de natuur nog niet volledig onderworpen. De coronapandemie, de moordende moddervloed in Nepal, het verzengende vuur van deze zomer … ze drukten ons met de neus op de feiten: de natuur wint nog steeds gevechten. Meer nog, onze nederlagen zijn vaak het gevolg van eerdere overwinningen: met de klimaatverandering krijgen we bijvoorbeeld de rekening voorgeschoteld van de industriële revoluties die ons bovenstaande zegeningen brachten.

Hoewel we ons vanwege een groeiende bezorgdheid voor de planeet minder kunnen vinden in het conflict tussen mens en natuur dat Freud beschrijft, gaan we toch door op hetzelfde elan: met technologie de elementen bedwingen. We verdrinken valleien met dammen, plaveien woestijnen met zonnepanelen en richten te land en ter zee windturbines op om groene stroom te genereren. We sturen de biologische evolutie met embryoselectie, genetische modificatie en synthetische organismen om ziekten uit te roeien, voedselproductie te optimaliseren en CO2 uit de lucht te halen.

Overzien we wel wat de gevolgen zijn van deze nieuwe technologische revoluties? Voorspellen we de toekomst beter dan de eerste mensen die steenkool en aardolie verbrandden? Of zullen we nóg meer technologie moeten inzetten om ook de gevolgen van ons huidig technologiegebruik recht te zetten? Het lijkt soms alsof we medicatie innemen om de bijwerkingen van diezelfde medicatie te bestrijden. Het is begrijpelijk dat de natuur revolteert: ze wordt steeds meer een industrieproduct. Toch moeten we de technologie niet verwerpen. Haar zegeningen zijn reëel: tweehonderd jaar geleden zouden twee van mijn vijf kinderen jong sterven. Maar de catastrofale gevolgen van ons technologiegebruik zijn ook steeds reëler: klimaatverandering, milieuvervuiling en mogelijk de grootste massa-extinctie sinds de dinosauriërs.

Lissabon 1755

De vraag is niet of we technologie inzetten, maar hoe. En dat hangt af van hoe we ons verhouden tot de natuur. De aardbeving die in 1755 Lissabon vernielde, had een grote invloed op verlichtingsdenkers als Voltaire, die haar aanhaalden om het idee van een wereld beheerd door een goede God te bekritiseren. En de wreedheid van het dierenrijk – de sluipwesp die eitjes in een insect legt, dat vervolgens van binnenuit door larven wordt verorberd – ondermijnde Darwins geloof in een goedaardige schepping. De schepping vervelde zo tot een onverschillig, zelfs vijandig universum. “Nature, red in tooth and claw”, schreef Tennyson halverwege de negentiende eeuw. Zo’n kijk op de natuur nodigt uit tot strijd en bemeesteren, met alle gevolgen van dien.

Kunnen we ons anders verhouden tot de natuur? In zijn eco-encycliek Laudato si’ schrijft Paus Franciscus dat de mens niet buiten de natuur staat, maar er integraal deel van uitmaakt. Bovendien zijn we geen kolonisten, maar beheerders aan wie een wereld werd toevertrouwd. De aarde is “ons gemeenschappelijk huis”. Toch is dat huis nooit volledig herbergzaam geweest. Om te geloven in een primordiale harmonie moeten we wegkijken van natuurrampen en dierlijke wreedheid. Wel zou de mogelijkheid van harmonieus samenleven in de natuur besloten liggen. Er is dus nog werk aan ons huis, niet alleen om onze ondoordachte verbouwingen te herstellen, maar ook om het originele bouwplan te verwezenlijken. Daarbij komt technologie van pas.

Ons ingrijpen moet wel “een begeleiden” zijn, “een ondersteunen van de door de dingen zelf geboden mogelijkheden”, schrijft Franciscus. Zowel een bos als een airco doet de temperatuur dalen, maar het ene houdt zichzelf in stand, terwijl het andere voortdurend menselijk onderhoud vereist. Duinen en dijken zijn een ander voorbeeld.

Waar te onderhouden technologieën toch nodig zijn, beperken we die best tot een overzichtelijke schaal met minimale neveneffecten. Zonnepanelen zijn fantastisch, maar door hele woestijnen vol te zetten, raken lokale ecosystemen verstoord. En steriele gmo-gewassen zijn te beteugelen, maar reproducerende synthetische micro-organismen kunnen pandemieën veroorzaken. Verder moeten we de ritmes van de natuur volgen: duizenden hectare aan monocultuur, zoals in de Landes, is vragen om bosbranden. En wie zonder aangepaste architectuur in aardbevingsgebied bouwt, stelt zich bloot aan dodelijke rampen.

Techno-realisme

Technologie zal nodig zijn om herhalingen van de Nepalese modderstroom, de zomerse vuurzeeën en de coronapandemie te voorkomen. Maar technologie gaat waar wij sturen. Als we haar inzetten om de natuur te bedwingen zonder die goed te begrijpen, krijgen we meer rampen. We moeten het idee van een vijandige natuur inwisselen voor dat van een gemeenschappelijk, te herstellen huis. Dan zullen we technologie vaker inzetten op een manier die bij haar past. We moeten ook ons techno-optimisme inwisselen voor een techno-realisme: met mate en bezinning toegepast kan technologie helpen de natuur tot haar bestemming te brengen, maar ze lost niet alles op. We moeten vooral politieke, economische en sociale keuzes maken, over groei (eindeloos op een eindige planeet?), levensstijl (consumptie boven alles?), verdeling (wie betaalt?) en zeggenschap (wie beslist?).

Als we de natuur blijven bekampen, dan vrees ik dat ze uiteindelijk verpletterend zal winnen. We zijn nu eenmaal vlooien die schoppen tegen de schenen van een olifant. Als we de natuur daarentegen als goede rentmeesters bewonen, dan zal ze steeds herbergzamer worden. Al zal volledige harmonie – geen aardbevingen of parasitaire sluipwespen meer – toch iets voor de eeuwigheid blijven.