Dat er een inherent conflict tussen godsdienst en wetenschap zou zijn, is een mythe

Origineel gepubliceerd in De Morgen.

In de tweede eeuw vroeg polemist Tertullianus: “Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken? Wat heeft de academie met de kerk te maken?” Zijn antwoord: “Bitter weinig”. Filosofische speculatie, los van de Bijbel, zou enkel ketterij produceren. Met het nakende bezoek van de paus aan de KU Leuven voor haar 600-jarige bestaan stelt men gelijkaardige vragen: “Wat heeft Leuven met Rome te maken? Wat heeft de universiteit met de kerk te maken?” Ook nu antwoorden sommigen: “Bitter weinig”, maar dan ten voordele van de unief: het kerkse dogma staat de wetenschap, die gestoeld is op vrij onderzoek, in de weg.

Onder hen presentator en auteur Tom De Cock, die zijn ambassadeurschap van de KU Leuven opgaf uit protest tegen het pauselijke bezoek. Vooral wegens het kerkelijke standpunt over homofilie en het kindermisbruik. Maar hij vroeg in zijn opiniestuk ook wat kerk en universiteit met elkaar te maken hebben: “Het is niet dankzij de kerk dat we universiteiten hebben, dat er aan wetenschap wordt gedaan”, maar “verdorie ondanks de kerk”.

De kerk werkte de wetenschap soms serieus tegen, klopt. De Cock noemde Vesalius, alumnus van Leuven, die de studie van anatomie door lijken opensnijden nieuw leven inblies na eeuwen kerkelijk verbod. En Galilei, wiens werk over heliocentrisme de kerk tweehonderd jaar verbood.

Alleen, aan de andere kant was de kerk eeuwenlang de grootste geldschieter voor de wetenschap, stichtten haar geestelijken de eerste universiteiten en waren het vaak kerklui die wetenschappelijke doorbraken maakten, tot KU Leuven-professor en priester Lemaître met de bigbangtheorie toe. Het oude idee dat God zich openbaart in zowel Bijbel als natuur, samen met de nieuwere opvatting dat hij een wetmatige schepping maakte, droegen bij tot een middeleeuws wereldbeeld waarin wetenschap theologisch vanzelfsprekend werd. Vreemd dat we universiteiten en wetenschap zouden hebben ondanks de kerk.

Leuvense ‘K’, Brusselse ‘V’

De Leuvense ‘K’ wordt soms in vraag gesteld. Universiteit en kerk zouden niets met elkaar te maken (mogen) hebben. Of de ‘K’ niet past, weet ik niet: ik ben geen katholiek, noch KU Leuven-alumnus. Aan de VUB, waar ik studeerde en werk, is de scheiding tussen kerk en universiteit compleet. De ULB, waar de VUB van afsplitste, was een antiklerikale reactie op de Katholieke Universiteit van Mechelen, die later verhuisde en de KU Leuven werd. De missie van de VUB is vrij onderzoek, vrij van religieuze autoriteit. Vandaar de ‘V’.

Alleen is ook die ‘V’ betwistbaar. Heel wat VUB-posters stellen dat ik vrij ben om elke hogere macht af te wijzen. Posters die stellen dat ik vrij ben om zo’n macht te aanvaarden zijn er niet. Ben ik niet vrij om het vrijzinnige dogma in vraag te stellen? Rector Danckaert klaagt dat mensen zich terugplooien op religieuze waarden, maar plooit zichzelf terug op vrijzinnige waarden. Moet religie privé zijn, maar humanisme niet?

Wetenschapsfilosofen als Kuhn en Feyerabend schreven al dat de wetenschap niet absoluut objectief is. Onderzoek kan niet volledig vrij en rationeel zijn. Al was het maar omdat elke onderzoeker veronderstellingen maakt. In de natuurwetenschappen is dat naturalisme; in de theologie, theïsme. Daarom dat geen van beiden de vraag ‘bestaat God?’ kan beslechten: het ene veld laat God buiten beschouwing en het andere veronderstelt hem.

Voor De Cock is theologie aan de KU Leuven een “aberratie”. De VUB heeft dan ook geen departement theologie. Maar waarom zou men naturalistische veronderstellingen toelaten en theïstische niet? Niet om te zeggen dat alles relatief is. Dat, met een uitgesproken voorbeeld, creationisme naast de wetenschappelijke bigangtheorie kan staan. Wél dat er wereldbeelden vermengd zijn in de wetenschappen en dat daar permanente dialoog over nodig is.

Wat mij betreft is er wetenschappelijk geen probleem met het pauselijke bezoek aan de KU Leuven en heeft theologie er zijn plaats. Men kan dat bezoek in vraag stellen vanwege enkele diep problematische kerkelijke zaken. Maar dat er een inherent conflict tussen godsdienst en wetenschap zou zijn, is een mythe. Theologen en wetenschappers tasten al eeuwen de raakvlakken af – Lemaître is een perfect voorbeeld – en de catechismus van de kerk stelt dat wetenschap niet in strijd is met het geloof. Een constructieve dialoog tussen ‘Leuven’ en ‘Rome’ blijft essentieel, maar moet ook humanisten includeren. Dat het bezoek van de paus dat moge bevorderen.

Asielzoekers voor de politieke bus gooien? Mensen zijn mensen, zelfs als je vindt dat er geen plaats voor hen is in je land

Origineel gepubliceerd op Knack.

Hongarije wil asielzoekers “een vrijwillige, gratis, heenreis naar Brussel aanbieden”. Aldus staatssecretaris Bence Rétvari die voor deze aankondiging suggestief bij een rij bussen met het opschrift “Röszke > Brüsszel” poseerde. Hij meent het dus. Brussels burgemeester Philippe Close pareerde deze onverhulde provocatie: “Wij zullen die bussen blokkeren. Ze komen Brussel niet binnen!” Vervolgens riep hij op X premier De Croo op om voor de zekerheid eventuele bussen al aan de landsgrenzen tegen te houden.

Dat Orbán asielzoekers instrumentaliseert om een politiek punt te maken is verwerpelijk. Mensen zijn mensen, zelfs als je vindt dat er geen plaats voor hen is in je land. Orbán beweert in zijn nationalisme traditionele christelijke waarden te verdedigen. Dan moet hij, in het traditioneel katholieke Hongarije, misschien naar de paus luisteren: die herhaalt in zijn laatste encycliek de Bijbelse boodschap dat elke persoon inherent waardevol is, want geschapen door God, dat we een universele broederlijkheid moeten nastreven, en niet enkel een nationalistische, en dat migranten evenveel naastenliefde waard zijn als landgenoten. Filoxenia noemt het Nieuwe Testament dat: vreemdelingenliefde, het omgekeerde van xenofobie, vreemdelingenangst of haat. Als Orbán een christelijk Hongarije wil, dan mag hij asielzoekers dus niet hanteren in politieke spelletjes, want dat is mensonwaardig.

Burgemeester Close laat zich echter ook verleiden tot dergelijk gedrag wanneer hij met Hongarije een ping-pong spel om asielzoekers aangaat: bus naar hier, bus naar ginder, bus weer terug? Daarbij zijn het uiteraard vooral de asielzoekers die de slagen te verwerken zullen krijgen. We kunnen dus wel kritiek uiten op Orbán, maar reageren Close en andere Belgische politici zoals Theo Francken – “Bussen per direct terugsturen naar Hongarije,” tweette hij – niet vanuit dezelfde instrumentalistische, objectiverende kijk op asielzoekers? Het zijn problemen om op te lossen, pionnen om rond te schuiven, wapens om tegen de politieke tegenstander in te zetten, maar niet in de eerste plaats mensen met fundamentele rechten, individuen met een oneindige inherente waarde, onze naastenliefde dubbel en dik waard. Dat moet niet mislezen worden als een pleidooi voor open grenzen en ongelimiteerde migratie. Neen, asielzoekers liefhebben betekent: hen een eerlijke en rechtvaardige asielprocedure aanbieden, hen in tussentijd opvangen en beschermen, en vervolgens, afhankelijk van het resultaat, hen ofwel laten integreren in de maatschappij ofwel hen vriendelijk maar doortastend terugsturen naar eigen land. Maar hen heen en weer kaatsen tussen Brussel en Boedapest is geen naastenliefde.

Wie met een varken worstelt, wordt zelf vuil, en het varken vindt het nog leuk ook, stelt het Engelse gezegde. We mogen Orbáns spelletjes inzake asielzoekers niet meespelen, want dan zullen wij hen eveneens instrumentaliseren. Migratiepolitiek is complex, en moet daarom (minstens) op Europees niveau coherent aangepakt worden, met oog voor de universele rechten van de mens alsook de mogelijkheden en noden van alle landen, inclusief Hongarije. Groeiende bezorgdheden langs politiek rechtse zijde moeten daarom ook in acht genomen worden en waar nodig ontkracht of aangepakt.

In Hoe migratie echt werkt toont professor Hein de Haas bijvoorbeeld aan hoe asielmigratie weinig tot geen impact heeft op de sociale zekerheid en dat waar er een gebrek aan integratie is, dat typisch te wijten is aan systematische discriminatie en slecht overheidsbeleid, en niet aan de culturele of religieuze achtergrond van de migranten. Langs de andere kant is het duidelijk dat het terugkeerbeleid in de meeste Europese landen, inclusief België, volledig faalt, met alle gevolgen van dien. Dat moet dus veel beter. Maar dat klaag je niet aan door te provoceren met asielzoekers op bussen.

Wanneer Hongarije de Europese regels of zelfs de mensenrechten schendt, moeten we niet staan schelden en vuur met vuur bestrijden. We moeten in dat geval het land op Europees niveau sanctioneren en daarenboven zelf zorgen dat we asielzoekers liefdevol behandelen. Want hypocrisie is nog steeds geen deugd.

Ascetische discipline is essentieel in ons digitale tijdperk

Origineel gepubliceerd op Knack.

Het is de zesde eeuw. De zogenaamde duistere middeleeuwen zijn in volle gang. Het West-Romeinse rijk is niet meer, overrompeld door Germaanse stammen. Een jongeman uit Nursia wordt naar Rome gestuurd voor studies, maar vlucht weg wanneer hij de zedeloosheid van zijn medeleerlingen ziet. Hij trekt zich drie jaar lang terug in een grot op zoek naar “een heilige levensstijl, wensend om enkel God te behagen.” Daar leeft hij van brood alleen en wijdt er zich aan gebed en contemplatie.

Na verloop van tijd worden zijn goedheid en wijsheid bekend in de regio en verlangen anderen zijn voorbeeld te volgen. Daarom sticht hij kloosters, “leerscholen voor de dienst aan de Heer,” waarin monniken geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid afleggen en volgens zijn voorbeeld gedisciplineerd leven om “de deugdzaamheid te bereiken.” De Benedictijnse kloosters worden al snel speerpunten van stabiliteit en herstel in een turbulent tijdperk.

Ascese

Het woord ascese verwees in zijn originele Griekse context naar de training van atleten. Het duidt zowel op de ontberingen waar atleten voor kozen – zich onthouden van allerlei voedsel en drank, bijvoorbeeld – alsook de gedisciplineerde oefeningen die ze bijna ritualistisch uitvoerden om hun lichamen met bloed, zweet en tranen te vormen. Dit alles om een hoger doel te bereiken: winst op de spelen in Olympia.

‘Ascese’ werd ook al snel gebruikt om te verwijzen naar religieuzen en mystieken, zoals Sint Benedictus, die eveneens kozen voor allerlei vormen van onthouding – van voedsel, slaap, bezit, seks – en zich toewijdden aan geestelijke disciplines: gebed, meditatie, contemplatie. Met als hoger doel: een deugdzaam karakter ontwikkelen en een voortdurend bewustzijn van God cultiveren. Net als bij atleten was dat vaak met wisselend succes – sommige mystieken gingen compleet de mist in – maar anderen worden terecht heiligen genoemd, al was het maar in de morele zin van het woord.

Hun hogere doel deed atleten en asceten zich ten dele onttrekken aan de maatschappij en haar normatieve levenspatronen. Een atleet kon namelijk niet verwachten dat hij de Olympische olijfkrans zou verdienen als hij dagelijks op de agora rondhing met Socrates, zich regelmatig op een Dionysische orgie liet zien, en maar sporadisch trainde voor het discuswerpen. Op dezelfde wijze verwachtte de asceet, terecht of onterecht, niet heilig te kunnen worden als hij een gezin moest onderhouden, de moraliteit van de dag volgde en maar af en toe een gebedje opzegde.

Digitale asceten

Het is de eenentwintigste eeuw. We leven de helft van de tijd in een digitale wereld. Bij het ontbijt doomscrollen we op social media naast onze peuter die met zijn papje prutst. Overdag werken we acht uur op een computer, velen van thuis uit, ver van collega’s. ‘s Avonds onderbreken we voortdurend onze gesprekken met partner of vrienden vanwege de ‘ping’ van een nieuw bericht op WhatsApp. Op vakantie ervaren we de exotische natuur doorheen een scherm, want ‘pics or it didn’t happen’.

Onze digitale wereld bestaat nog maar enkele decennia en evolueert schijnbaar steeds sneller. Dat deze technologieën nuttig zijn, is zeker. Wie kan er zich nog een wereld voorstellen zonder internet, smartphones, social media en ondertussen ook AI? De smartphone is de wereld in onze broekzak, sociale media verbinden ons als nooit tevoren, en generatieve AI maakt van iedereen een artiest.

Alleen weten we vanwege de nieuwigheid niet altijd even goed hoe we gezond kunnen leven in die digitale wereld.  Studies linken overdreven social media gebruik aan eenzaamheid, angst en depressie. Steeds geconnecteerd zijn met een smartphone op zak eist zijn tol van onze concentratieisoleert ons van mensen rondom ons en verhoogt de kans op burnout. Pornokijken, een van de populairste internetactiviteiten, wordt gelinkt aan relatieproblemenobjectivering van vrouwen en sekueel geweld. En generatieve AI overspoelt het internet met slopweegt op het klimaat, en duwt ons richting artistieke eenheidsworst.

Het gaat hier wel meestal niet om eenvoudige oorzaak-gevolg relaties. En de grootste risico’s zijn vaak verbonden aan specifiek en excessief technologiegebruik. Het is dus niet nodig om zoals Benedictus de digitale wereld volledig te ontvluchten, al klinkt een compleet analoog leven voor sommigen wel romantisch aanlokkelijk. Maar volledig onbezonnen meesurfen op elke digitale golf is dan ook weer niet wijs.

Net als atleten en asceten moeten we ons afvragen: wat is ons doel in het leven? In onze pluralistische maatschappij zal iedereen op z’n minst akkoord zijn dat we ons eigen welzijn en dat van onze dierbaren verlangen. De volgende vraag is dan hoe we dat effectief kunnen nastreven in een digitale wereld die dat welzijn ten dele in de weg staat. Welke disciplines moeten we ons als digitale atleten en asceten daarvoor aanmeten? Voorstellen zijn er genoeg: een wekelijkse dag zonder schermendevice-free ruimtes en eventssociale media algoritmes uitschakeleneen dumbphone kopenpas op 15 je kind een smartphone geven en op 18 ze op sociale media toelatengeneratieve AI vermijden voor vaardigheden die je zelf nog moet verwerven; enzovoort.

Moeilijker is deze disciplines toe te passen en ons er aan te houden, omdat we te vaak als individuen proberen in te gaan tegen het waaien van de tijdsgeest. Daarom falen onze nieuwjaarsvoornemens meestal. De Olympische atleten in Parijs hebben coaches om hen op koers te houden en de steun van andere sportlui die op gelijkaardige, gedisciplineerde wijze leven; monniken hebben hun abt en kloostergenoten.

Als we successvolle digitale asceten willen worden, zullen we dat collectief moeten doen. Kies met familie, vrienden of collega’s enkele disciplines uit en moedig elkaar aan om deze te practiseren. Merk op hoe jullie er wel bij varen. Na verloop van tijd zullen jullie punten van stabiliteit worden in een turbulente getechnologiseerde wereld. Deugdzame digitalen. Virtuele virtueuzen. Artificiële heiligen.

Op zoek naar een vastgoedmirakel in Brussel

Origineel gepubliceerd op Knack.

Toen ik in 2018 met mijn gezin naar Libanon verhuisde, huurden we daar een ruim appartement voor 300 dollar. Voor een appel en een ei dus, aangezien ons inkomen naar Westerse standaard was. Een jaar later zette ‘s lands economie een gestage implosie in, en door de devaluatie van de lira betaalden we na verloop van tijd nog maar 40 dollar huur per maand. We konden dus veel sparen en weggeven aan de snel verpauperende bevolking rondom ons.

Een jaar geleden keerden we terug naar België en na een maand zoeken vonden we opnieuw een ruim (120m2) appartement in Schaarbeek voor een huurprijs van 1.200 euro. Dat was uiteraard heel wat meer dan we in Libanon betaalden, maar tegelijkertijd ook serieus onder de Brusselse marktprijs. Voor gelijkaardige appartementen in de buurt werd meer dan 1.600 euro gevraagd. Het is een mirakel dat we zo ‘goedkoop’ kunnen huren.

Alleen willen we op termijn niet in dit appartement blijven. Niet omdat we er niet tevreden zijn of omdat het te klein zou worden voor ons uitbreidende gezin. De buurt is ook aangenaam, met heel wat Midden-Oosterse invloeden die ons aan Libanon doen terugdenken.

We zullen echter binnen afzienbare tijd vertrekken omdat we een alternatief woonproject in Brussel willen opstarten. Je zou het een cohousing kunnen noemen, aangezien we met enkele huishoudens willen samenleven, daarbij enkele ruimten, een hoop spullen en regelmatig een maaltijd willen delen, en in het algemeen elkaar willen ondersteunen in de drukte van het leven. Je zou ons project ook een sociaal initiatief kunnen noemen, aangezien we hopen een steen bij te dragen in de reële nood aan crisisopvang door een stabiele plaats te bieden aan bijvoorbeeld vluchtelingen of alleenstaande moeders.

Maar de beste beschrijving voor ons initiatief is dat het een nieuw monastiek woonproject is. Dat betekent dat we ons laten inspireren door de traditionele kloosterordes. We zullen geloften afleggen om enkele monastieke waarden hoog te houden, zoals gemeenschap, gastvrijheid en dienstbaarheid, en om gezamenlijke ritmes van gebed en bezinning te onderhouden. Terzijde: de gelofte van kuisheid zullen we niet afleggen.

De redenen om dit project op te richten, dat we Stadsklooster Brussel noemen, zijn veelvoudig. Gemeenschapsleven lijkt ons een belangrijk middel tegen de kwalen van de moderne geïndividualiseerde samenleving, zijnde eenzaamheid, depressie en angststoornissen. Onder Syrische vluchtelingen in Libanon merkten we ook de potentiële rijkdom van een hechte gemeenschap, waar in het beste geval gezamenlijk de lasten van het leven gedragen worden en tezamen voor jong, oud en zieken gezorgd wordt.

Als christenen willen we ook groeien in de naastenliefde en is er een betere leerschool dan samenleven met mensen die anders zijn dan jezelf? Mét de gelofte dat je kiest om aan de onderlinge relaties te blijven werken, ‘in goede en kwade dagen’, en dus niet de relatie afbreekt wanneer er fouten gemaakt werden of vertrouwen geschaad? De laatste, en waarschijnlijk minst tastbare drijfveer voor een niet-gelovige, is het verlangen om gezamenlijk onze liefde voor God uit te diepen.

Maar goed, we hebben dus nog geen gebouw in Brussel en kunnen nog niet samenleven. De grootste reden daarvoor is, niet onverwachts, dat gebouwen in Brussel onbetaalbaar zijn. Niet alleen individuen lukt het niet om in Brussel een eigen woonst te kopen. Ook voor groepen als de onze is dat quasi onmogelijk.

Cohousing wordt nochtans soms aangevoerd als dé oplossing voor de wooncrisis, maar daar merken we niet veel van. Vorig jaar bezochten we twee aanpalende panden nabij het Noordstation in Schaarbeek. Het ene herenhuis had een tuin, het andere een achterhuis en tezamen zou het geheel onze huidige groep van vier gezinnen kunnen huisvesten, met overschot voor gemeenschappelijke ruimtes en de sociale opvang die we willen voorzien. Alleen steeg de vraagprijs met de minuut, tot 2,5 miljoen euro aan het einde van het bezoek. Aangezien coöperatieve vennootschappen 20% van de te lenen som moeten ophoesten, zouden wij een half miljoen euro moeten verzamelen om deze woonst de onze te maken. Dat kunnen wij helaas niet zonder investeerders erbij te betrekken. We zijn nochtans geen sukkelaars, met enkele hooggekwalificeerden onder ons. Maar dat is blijkbaar geen garantie op de gewenste koopkracht.

Ergens op het platteland zouden we ons project misschien wel al kunnen realiseren. Alleen is het onze visie om een lichtpunt te zijn in de grootstad die Brussel is, met al haar gekende problematieken.

Of we ooit zelf een gepast gebouw zullen kunnen betalen is onwaarschijnlijk. We moeten eigenlijk rekenen op een wonder. Enkele maanden geleden spraken we met het Vicariaat van het Tijdelijke van de Katholieke Kerk, het departement dat het vastgoed beheert. Zij hebben mogelijk de juiste gebouwen voor ons, die we in erfpacht zouden kunnen beheren. Het is echter verre van zeker dat deze aan ons zullen toegewezen worden. Maar we gaan het toch van dit soort alternatieve constructies moeten hebben: erfpacht, giften, of subsidies.

In ons netwerk hebben we de voorbije jaren gelukkig wel al enkele vastgoedmirakels kunnen vieren. Het lukte vrienden om 6 miljoen euro aan subsidies en giften te verzamelen voor een nieuwe school in Haren, die ondertussen goed draait. En onze kerk kreeg onlangs uit het niets een kapel geschonken nabij de beruchte Aarschotstraat aan Brussel-Noord. Die ervaringen geven het nodige geloof voor ons eigen Brusselse vastgoedmirakel.

Een lofzang op de achterblijvers in Libanon

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Als vliegtuigen de luchthaven van Beiroet naderen, volgen ze steevast de Libanese kustlijn vanuit het noorden. Gelukkige passagiers gezeten aan de linkerkant van het voertuig kunnen ’s lands hoge pieken en mediterrane stranden bewonderen, waar je ’s ochtends kunt skiën en ’s namiddags zwemmen. Drie weken geleden hing mijn vliegtuig ter hoogte van downtown Beiroet – op een handvol seconden van landing – toen de piloot plots scherp afdraaide richting Middellandse Zee. Een geroezemoes vulde het vliegtuig. Libanese expats die net nog wolkenkrabbers bewonderden, keken elkaar met grote ogen aan en vroegen: “Heeft Israël aangevallen? Zijn we op het nippertje ontsnapt aan het begin van de oorlog?”

Sinds 8 oktober betuigt Hezbollah zijn ‘steun’ voor Hamas door Israël met raketten te bestoken. Sinds die dag leeft in Libanon de vrees dat het land zal worden meegesleurd in de zuidelijke oorlog. Ons voormalige buurmeisje in Libanon huilde: “Ik dacht niet dat ik al zo jong zou sterven.” Aangezien een regionale oorlog bijna onvermijdelijk leek, vertrokken veel buitenlanders en Libanezen. Mij werd de vraag bespaard of ik met mijn gezin al dan niet zou vertrekken, omdat we net terug waren in België na vijf jaar in Libanon te hebben gewoond.

In die vijf jaar zagen we Libanon drastisch veranderen: de oude kwalen van sektarisme en corruptie hadden een economische implosie veroorzaakt die nagenoeg ongezien is in de recente wereldgeschiedenis. De revolutie van 17 oktober 2019, die een miljoen Libanezen mobiliseerde tegen de maffia-achtige politieke klasse, kon daar geen verandering in brengen. De coronacrisis en de bijbehorende maatschappelijke maatregelen versnelden de implosie alleen maar. En de zwaarste niet-nucleaire explosie ooit, in 2020 in het hart van Beiroet, werd voor veel Libanezen het vernietigende symbool van hun falende staat. Het gevolg: in 2022 was volgens de VN meer dan 80 procent van de inwoners in armoede beland.

Exodus

De exodus na 7 oktober was maar een versnelling van de uitvaart die in 2019 op gang kwam vanwege de economische crisis, die op haar beurt maar de zoveelste Libanese emigratiegolf was. Het gevolg is een enorme braindrain: bijna iedereen met geld of een buitenlands paspoort is weg. Duizenden dokters en verplegers verlieten het land, met alle gevolgen van dien voor de gezondheidszorg.

En nu stijgt de kans op een nieuwe oorlog tussen Hezbollah en Israël met de dag. Israëlische leiders profeteren dat ze indien nodig het land terug naar het stenen tijdperk zullen bombarderen. Zo’n oorlog zal onvermijdelijk tot een nieuwe Libanese burgeroorlog leiden. De situatie is vergelijkbaar met die van midden jaren 70: er zijn massa’s vluchtelingen – toen Palestijnen, nu Palestijnen én Syriërs – er is een conflict met Israël – toen aangestookt door de PLO, nu door Hezbollah – en Libanese gemeenschappen zijn diep verdeeld: veel christenen kanten zich steeds gewelddadiger tegen de Syriërs en tegen Hezbollah, terwijl Hezbollah pro-Syrisch is en zijn subversieve staat-in-een-staat tot elke prijs zal verdedigen tegen Israël en Libanese christenen.

Een Palestijnse vriendin in Libanon, getrouwd met een Libanese christen, wist te zeggen dat alle gezinnen in hun christelijke buurt machinegeweren aangeschaft hebben. En de Syrische vluchtelingen die ze bezoekt, vertellen haar dat ze eveneens wapens hebben opgeslagen voor de komende strijd tegen de Libanese christenen. Als je oorlog wil, bereid je dan voor op oorlog?

Twijfels en angsten

Twee weken geleden nog adviseerden de Nederlandse en Duitse ambassades hun landgenoten om Libanon te verlaten. Je zou voor minder. Vandaar mijn ode aan de nobele zielen die kiezen om te blijven, uit loyaliteit, uit naastenliefde, in het geloof dat ze een verschil kunnen maken, dat het land niet finaal verdoemd is.

Laat een collega van mij het gezicht zijn van die ‘nobele achterblijver’. Hij groeide op tijdens de burgeroorlog in Libanon. Zijn vader was een Libanees-Zwitserse voorganger in een Protestantse kerk, zijn moeder een Zwitserse immigrante. Ondanks hun buitenlandse paspoorten bleven ze tijdens de oorlog in Libanon, zelfs lang in West-Beiroet, waar regelmatig christenen werden gedood vanwege hun godsdienst. Het idee was dat, aangezien God zich volgens de Bijbel onder de mensen begaf, in onze miserie deelde en al dienend stierf, zij ook zo zouden handelen met de Libanezen. Hun dienstbaarheid met gevaar voor eigen leven heeft veel betekend voor anderen.

Mijn collega heeft intussen een doctoraat van Oxford, doceert de islam aan seminaries in binnen- en buitenland en is al decennia actief in interreligieuze dialoog en vredestichtend werk. Als ware erfgenaam van zijn ouderlijke gedachtegoed blijft ook hij met zijn gezin in Libanon, hoewel ze een buitenlands paspoort hebben: om voor een beter Libanon te ijveren in het geloof dat zelfs na de huidige, ongelooflijke tegenspoed er weer betere tijden zullen aanbreken.

Zo zijn er veel Libanezen: dokters, leraren, sociale werkers en anderen die onzelfzuchtig achterblijven. Het zijn geen bovenmenselijke super­helden, ook zij kennen twijfels en angsten. Maar dat maakt hen des te bewonderenswaardiger. Wat zou er zonder hen van Libanon terechtkomen? Hoeveel erger zou het in Gaza zijn zonder gelijkaardige achterblijvers? Hoeveel armer zou de mensheid zijn zonder hun getuigenis?

Toen mijn vliegtuig na een toertje te maken alsnog landde in Beiroet, slaakte iedereen een zucht van opluchting: de oorlog was toch niet uitgebroken. Ik kon zoals gepland mijn collega’s bezoeken om de voort­zetting van ons vredestichtend werk te bespreken. Aan de mogelijk nakende oorlog maakten we niet veel woorden vuil. Met of zonder oorlog hebben de Libanezen nog een lange weg af te leggen om waarlijk in vrede met elkaar te leven. Dat werk heeft moedige achterblijvers nodig, die onzelfzuchtig in de dreigende storm kiezen om te blijven bouwen en in mensen te investeren. Zij verdienen niet alleen een lofzang, maar ook al onze steun.

We zijn wezens, geen breinen die we best naar het metaversum uploaden

Origineel gepubliceerd in De Morgen.

Apple lanceerde onlangs een reclamefilmpje voor de nieuwste iPad. Het begint met het beeld van een hydraulische pers hangend boven een piano, camera’s, boeken, een klassieke buste en meer. Allemaal symbolen van menselijke creativiteit. De pers daalt neer en verpulvert alles. Vervolgens onthult ze de dunste iPad ooit. De idee: de iPad vervangt al deze culturele objecten.

Hevige reacties online leidden tot excuses van Apple, dat liet weten de bal te hebben missgeslagen. Alleen: het filmpje is waarheidsgetrouw; een metafoor voor de groeiende mogelijkheid om fysieke, menselijke activiteiten te vervangen door ‘efficiëntere’ en meer democratische digitale varianten. Want dat is de positieve kant: voor de prijs van een tablet kan iedereen een piano bespelen, schilderijen maken en boeken lezen. Qua plaats- en kostenbesparing kan dat tellen.

Zo worden deze hobby’s beschikbaar voor een breder publiek. Alleen zijn dat niet meer dezelfde hobby’s. Een scherm aanraken is niet hetzelfde als een gewichtige toets aanslaan op een piano. Stroperige olieverf op een doek uitsmeren wordt op de iPad een één-dimensionaal proces. Zelfs een fysiek boek lezen heeft mentale voordelen die een digitale versie niet heeft.

Menselijk contact

Het onderzoeksrapport Apestaartjaren beschrijft het mediagebruik van kinderen en jongeren en levert een tweede voorbeeld van dit fenomeen. Een van de onderzoekers vertelt over een tiener die ’s nachts angstig wakker werd en naar een AI-chatbot greep om even te praten. Vermoedelijk kon de tiener bij niemand anders terecht. We mogen dankbaar zijn dat een chatbot voorhanden was.

Maar zijn we het er over eens dat de langetermijnoplossing iets anders is? Namelijk: ervoor zorgen dat tieners mensen kennen waarmee ze kunnen praten. 20 procent van de bevraagde kinderen geeft aan chatbots te gebruiken als praatvriend. Maar een chatbot kan menselijke interacties niet vervangen. Zéker niet in gevoelige situaties. Meevoelen, lichaamstaal lezen, de ander begrijpen vanuit eigen ervaring, doorleefde wijsheid delen: een chatbot kan dat niet.

Een laatste voorbeeld: OpenAI presenteerde recent de laatste versie van ChatGPT. Deze variant kan dankzij spraak- en visietechnologie nu heel natuurlijk interageren en zelfs liedjes zingen en kledingadvies geven. Héél indrukwekkend. Een promotiefilmpje toont hoe deze versie ook als geduldige en deskundige huiswerkbegeleider kan functioneren. De tijd is voorbij dat ouders naast hun kinderen zwoegden over taken die ze maar half begrepen. Een populaire commentator jubelde: “ChatGPT veranderde van wat tekst in een app in een vriend, leraar en mentor. De toekomst is nu!”

Maar willen we ook deze, toegegeven, soms vervelende interactie met onze kinderen opgeven? Het zou de druk op vele ouders verlichten. Maar kinderen steeds een gsm in de hand stoppen doet dat ook, en daarvan weten we dat dat niet goed afloopt. Hoe zullen we onze kinderen nog leren kennen en opvoeden? Hoe zullen zij leren omgaan met anderen als ze steeds achter schermen zitten en met chatbots spreken?

Discipline

Onze fysieke, multisensorische activiteiten worden steeds meer verdrongen door ‘efficiëntere’, maar armere digitale alternatieven. Dat dit soms nodig is, klopt: om de druk op ouders te verlichten, om een eenzame tiener te troosten, om kansarme kinderen een piano te geven. Alleen, op de lange termijn is dat geen oplossing.

Ik ben geen luddiet, maar ik ben wel bezorgd om het mensbeeld achter deze ontwikkelingen. We zijn belichaamde wezens, gemaakt voor een fysieke wereld en menselijk contact ‘van aangezicht tot aangezicht’; geen breinen die we best naar het metaversum uploaden om ons te bevrijden van fysieke beperkingen. Die beperkingen zijn inherent aan ons mens-zijn: het is met bloed, zweet en tranen dat we uitvinders, kunstenaars en vakmensen worden, niet door steeds voor snelle AI-oplossingen te kiezen. Het is door samen te zijn en soms samen vervelende dingen te doen dat de menselijke relaties ontwikkelen die essentieel zijn voor ons welzijn.

Technologie kán ons helpen om meer mens te worden, maar dan moeten we ze goed gebruiken. We moeten een sterk mensbeeld voor ogen houden en technologie er ondergeschikt aan maken. Dat vergt discipline en het vermijden van ‘efficiënte’ kortetermijnoplossingen. Soms is inefficiënt zijn het beste dat we kunnen doen, als het betekent dat we meer aandacht zullen hebben voor elkaar in de echte wereld.

Een gebrek aan barmhartigheid maakt werknemers ziek

Origineel gepubliceerd in De Standaard samen met Jan Rosier en Ides Nicaise.

Verkiezingsoverwinnaar N-VA belooft langdurig zieken dichter op de hielen te gaan zitten. Verliezer Open VLD beloofde dat ook, en nam met de regering-De Croo al de symbolische maatregel dat die mensen 2,5 procent van hun uitkering zullen verliezen als ze weigeren de verplichte vragenlijst in te vullen over een mogelijke terugkeer naar het werk.

Er zijn inderdaad genoeg situaties waarbij werknemers onterecht langdurig ‘ziek’ zijn, zoals mensen die zich ziek melden als wapen in een conflict met hun werkgever of hun collega’s. Dat neemt niet weg dat veel andere mensen ziek zijn omdat ze het zwaar te verduren hebben onder een nietsontziende managementcultuur.

Mensura, de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, laat weten dat het aantal werknemers dat kampt met fysieke klachten de afgelopen vijf jaar met 20 procent is toegenomen. Psychische klachten stegen met liefst 80 procent. Geert Van Hootegem, hoogleraar arbeids- en organisatiesociologie en veranderingsmanagement aan de KU Leuven, was niet verbaasd. In De Morgen zei hij: “Ik word heel ambetant van die berichten dat we vandaag een bijna volledige tewerkstelling hebben. En wat dan met die bijna 600.000 mensen van wie velen ziek zijn gemaakt door hun werk?”

Adam Smith

Van kaderleden en veel andere werknemers wordt steeds meer mentale flexibiliteit verwacht. Sommigen krijgen het hard te verduren. Meer dan twintig kaderleden van zandreus Sibelco moeten naar Spanje verhuizen of ze worden ontslagen. Op die manier omgaan met mensen en werk­nemers is giftig voor de samenleving. Als die steeds weer uit hun ‘comfortzone’ moeten worden gehaald – zoals managementprofeten graag bepleiten – dan verliezen ze op den duur alle veerkracht en lonkt de burn-out. Het eindresultaat is dan niet alleen quiet quitting en duizenden thuisblijvers, maar ook een zware druk op gezinnen en de gezondheidszorg.

Ondanks het discours over maatschappelijk verantwoord ondernemen en bedrijfsethiek zijn veel bedrijfsleiders nog altijd vooral geïnteresseerd in het maximaliseren van aandeelhouderswaarde, zo schrijven talloze managementacademici. Het World Economic Forum analyseert de leiderschapscrisis als volgt: “Het gebrek aan waarden in leiderschap heeft waarschijnlijk te maken met het probleem van leiders die alleen maar om hun eigen belangen geven, in plaats van door iets anders gemotiveerd te worden.”

Maar wat zou dat ‘iets anders’ dan kunnen zijn? Adam Smith, de oer­vader van het kapitalisme, argumenteert in het bekende The wealth of nations dat ongebreideld en competitief eigenbelang nastreven tot algemene welvaart zou leiden. Maar hij stelt ook in het eerste hoofdstuk van zijn minder bekende, maar magistrale eerste werk Theory of moral sentiments: “Hoe egoïstisch de mens ook verondersteld mag worden te zijn, het ligt ook duidelijk in zijn aard om geïnteresseerd te zijn in het geluk van anderen en hun geluk zelfs voor zichzelf noodzakelijk te vinden, hoewel hij er niets anders aan ontleent dan het plezier om het te zien.” Als we Smith ernstig nemen, is het noodzakelijk voor ons welzijn om anderen gelukkig te maken. Moeten we het in de management- en in de leiderschapspraktijk daarom niet eens hebben over barmhartigheid?

Dienaar worden

Dat barmhartigheid intrinsiek deel uitmaakt van goed leiderschap werd al duizenden jaren geleden geopperd. Als we teruggrijpen naar de man van Nazareth, die bekendstond om zijn barmhartigheid, dan wordt die profetische boodschap voor het management nog scherper. Zo vertelde hij: “Jullie weten dat de machthebbers misbruik maken van hun macht. Maar onder jullie moet dat totaal anders zijn. Wie van jullie de grootste wil zijn, moet jullie dienaar worden.”

Hij leerde dat echte leiders dienend optreden in plaats van steeds meer offers te vragen. Ze zijn er niet alleen om aandeelhouders gunstig te stemmen, maar ook om rekening te houden met het welzijn van hun werknemers en gezinnen. Er zijn bedrijfsleiders, van vooral kleine en middelgrote ondernemingen, die deze profetische woorden al in de praktijk brengen. Er zijn er zelfs die hun omzet begrenzen omdat het welzijn van hun werknemers hen dierbaar is.

Zou een bedrijfscultuur van barmhartigheid geen revolutionaire managementpraktijk zijn? Hoeveel van de duizenden langdurig zieken zouden niet weer graag aan de slag willen als iedere bedrijfsleider of manager die raad ter harte zou nemen? Hoeveel minder fysieke en psychische klachten zouden werknemers rapporteren? En hoeveel geld zou de sociale zekerheid niet uitsparen? In een samenleving die hunkert naar leefbaarheid, maar die jarenlang mismeesterd is door een neoliberale visie op de werkelijkheid, die bijna uitsluitend wordt gestuurd door economische belangen en waar moraal gebaseerd is op een kosten-batenanalyse, wordt het tijd om barmhartig leiderschap ernstig te nemen.

Zullen ‘onze’ mensen de laatsten zijn?

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Bij rechts-nationalistische partijen hoort men regelmatig dat het eigen volk voorrang moet krijgen op migranten. “Eigen volk eerst”, “Nederlanders weer op 1”, “America first”… Deze partijen grijpen vaak terug naar een christelijk verleden bij het definiëren van het volk dat ze vervolgens eerst plaatsen. Maar zegt Jezus niet: “De eersten zullen de laatsten zijn.”

Het concept volk is niet goed gedefinieerd. Wie is Vlaming, bijvoorbeeld? Iemand die Vlaams spreekt? Die in Vlaanderen woont? Wiens voorouders hier woonden? Hoewel nationalisten vaak het idee van een primordiaal volk mythologiseren, erkent ook de Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken dat een volk aflijnen geen exacte wetenschap is. Het concept berust meer op een buikgevoel dan op objectieve criteria. Toch stelt Van Grieken dat het ‘christelijke’ en het ‘blanke’ cruciale factoren moeten zijn bij het definiëren van de Vlaamse identiteit. “Onze mensen” zijn dus vooral blanke (cultuur-)christenen? Zo’n vermenging van christendom en volksnationalisme lach ik vaak snel weg met wat religiologisch denken: in Jezus’ rangorde zet het Vlaams Belang zo de Vlaming als laatste en de migrant als eerste. De ironie! Alleen negeer ik zo te gemakkelijk de terechte nationalistische kritiek op een te naïef universalisme. 

Lees verder op Tertio met een gratis maandlang proefabonnement.

Massa’s vluchtelingen en conflict met Israël: het is niet de eerste keer dat dit het recept vormt voor een burgeroorlog in Libanon

Origineel gepubliceerd in De Morgen en Dimanche.

Recent werd Pascal Sleiman gekidnapt nabij Byblos in Libanon. Sleiman was een hoge functionaris van de Libanese Strijdkrachten, een christelijke politieke partij en militie. Zijn lichaam werd een dag later in Syrië gevonden. Hoewel het Libanese leger oordeelde dat Sleiman gedood werd bij een carjacking door een Syrische bende, zag zijn partij dat anders: “een politieke moord tot het tegendeel bewezen is”. De vinger wees naar Hezbollah, de sjiitische partij en militie, bondgenoot van Syrië en vijand van de Libanese Strijdkrachten.

Na de moord waren heel wat Libanese christenen uit op wraak. In Byblos, christelijke buurten in Beiroet en elders legden bewoners Syrische vluchtelingen een uitgaansverbod op, bedreigden hen met uitzetting en vielen hen aan. Veel Syriërs brachten het suikerfeest door opgesloten in eigen huis, uit angst voor represailles. Op de begrafenis van Sleiman noemde de Maronitische patriarch al-Rahi de Syriërs “een bedreiging voor de Libanezen”, al spoorde hij christenen wel aan om niet te kiezen voor “wraak en opruiing”.

Met zowel Hezbollah als de Syrische vluchtelingen in het vizier van de Libanese Strijdkrachten bereikt de spanning in Libanon nieuwe hoogten. Al sinds 7 oktober vreest men in het Israëlisch-Palestijnse conflict te zullen meegesleurd worden. De Libanese Strijdkrachten verfoeien Hezbollahs geweld tegen Israël, wat de communautaire spanningen in het verdeelde Libanon ten top drijft. De vraag is hoelang die spanning kan aanhouden. Het zou niet de eerste keer zijn dat massa’s vluchtelingen en conflict met Israël de achtergrond vormen voor een burgeroorlog.

BURGEROORLOG

Midden jaren 70 woonden honderdduizenden Palestijnen in Libanese kampen nadat ze de Israëlische bezetting van hun gebieden ontvlucht waren. Vanuit Libanon voerde de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) een gewapende strijd tegen Israël, wat Libanon diep verdeelde. Linkse en islamitische partijen steunden het Palestijnse verzet vanuit een pan -Arabische solidariteit, terwijl christelijke partijen de Palestijnen zagen als een bedreiging voor de nationale soevereiniteit. Na Zwarte Zaterdag in ‘75 werd het conflict een sektarische burgeroorlog, waarbij Libanezen elkaar doodden op basis van godsdienst.

Wanneer het Israëlische leger Libanon binnenviel in ‘82 om terug te slaan tegen de PLO, waren christelijke groeperingen zoals de Libanese Strijdkrachten natuurlijke bondgenoten. De beruchte massamoord op Palestijnen in Sabra en Shatila werd zo door Israël gecoördineerd en door Libanese christenen uitgevoerd. Hezbollah werd gesticht tijdens de Israëlische bezetting van Libanon als verzetsbeweging en verdreef Israël uiteindelijk.

Vergeleken met de jaren 70 kent Libanon vandaag een nog veel grotere aanwezigheid vluchtelingen: zo’n 1,5 miljoen Syriërs en vijfhonderdduizend Palestijnen tegenover vijf miljoen Libanezen. En er is nog steeds geweld vanuit Libanon tegen Israël, al komt dat vandaag vooral van Hezbollah, eerder dan Palestijnen. Maar het patroon is gelijkaardig: massa’s vluchtelingen en conflict met Israël. Het was al eens het recept voor een burgeroorlog. Zal de geschiedenis zich herhalen?

HET VERLEDEN VERWERKEN

Na de burgeroorlog eind jaren 80 verruilden de militieleiders hun militaire pakken voor maatpakken en beklommen politieke posities. Ze vergaven zichzelf met een amnestie en dwongen de Libanese bevolking tot amnesie. De wonden van de burgeroorlog werden niet behandeld, en zijn blijven etteren. Omdat de Libanese gemeenschappen nooit verzoend zijn, konden de corrupte sektarische leiders Libanon verdelen als een maffiakartel. Ze holden het land uit, wat zich sinds 2019 manifesteert in een dramatisch economische implosie. De massa Syrische vluchtelingen weegt zeker, maar zij zijn een te gemakkelijke zondebok. De kern van het probleem is het sektarisme dat in stand gehouden wordt doordat het verleden niet verwerkt is. Zo blijven groeperingen als Hezbollah machtig.

Maar er zijn ook individuen en gemeenschappen die het verleden wel verwerkt hebben. Tijdens de 17 oktoberrevolutie in 2019 stond een nieuwe generatie politieke spelers op met een sterk discours tegen het sektarisme en voor het algemene goed. Netwerken van imams en priesters zetten in op interreligieuze dialoog, om onder andere de kwalijke, sektarische retoriek in kerk en moskee aan te pakken. En lokale kerken zoals de mijne overwonnen hun diepgewortelde haat voor Syriërs – christenen leden erg onder de Syrische bezetting tijdens de burgeroorlog – en organiseren voedselbedelingen en runnen scholen voor Syrische kinderen.

Voorlopig heeft dit allemaal weinig effect op nationale schaal, waar de teneur nog steeds sektarisch is. Als Libanon een herhaling van haar oorlogsgeschiedenis wil vermijden, is het cruciaal dat Libanezen hun gewelddadige verleden confronteren en verwerken. Het zal geen verschil meer maken voor de huidige escalatie tussen Israël, door-Iran-gesteunde groeperingen als Hamas, Hezbollah en de Hoethis, en nu ook Iran zelf. Daarvoor is het te laat. Maar in het belang van de volgende generatie moet Libanon haar verleden en zodoende het sektarisme te boven komen.


Een beter debat: hoe maken we abortus onnodig?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Toen eerder dit jaar het abortusdebat oplaaide, schreef een lezer van De Standaard een brief getiteld Een abortus onderga je enkel en alleen omdat het nodig is. In het stuk legt de schrijfster uit hoe zij en haar man kozen voor een abortus toen hun tweede zwangerschap een tweeling bleek te zijn. Ze beschrijft hoe hartverscheurend het was om te ‘kiezen voor het nu, voor wat er al was. Een bewuste en zelfbewuste beslissing uit liefde en verantwoordelijkheidszin.’

Volgens het expertisecentrum Sensoa waren in 2021 de meest aangehaalde redenen voor abortus ’te jong’, ‘geen kinderwens’ en ‘voltooid gezin’. Ook volgens Sensoa waren er in 2021 iets minder dan 17.000 abortussen in België. Het huidige parlementair debat gaat om de mogelijke uitbreiding van de toegelaten abortustermijn van twaalf weken tot achttien of twintig weken. Dat debat moet worden gevoerd. Maar we nemen best ook tijd om te debatteren over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat er zo min mogelijk mensen zich tot een abortus genoodzaakt voelen. Want zoals de vrouw in haar lezersbrief schrijft: ‘Ik ben er ook van overtuigd dat niemand een abortus wil.’

Koppige realiteit

Sensoa zet zich in om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. De organisatie promoot kennis over voortplanting, kennis van anticonceptie, praten over de kinderwens, enzovoort. Dit heeft een stevige impact op het aantal onverwachte zwangerschappen. Maar zelfs met de beste voorbehoedsmiddelen en voorzorg is een zwangerschap niet volledig uit te sluiten: het blijft een koppige biologische realiteit gelinkt aan seks. Wanneer zo’n onverwachte zwangerschap dan toch voorvalt, kiezen velen voor een abortus.

Wat zijn de factoren die ervoor zorgen dat mensen een abortus niet alleen bij de ‘klassieke gevallen’ als verkrachting en zware handicap als nodig ervaren? Waarom voelt men zich te jong, wil men geen kinderen of kan er geen kind meer bij? Welke sociale, economische of andere realiteiten leiden daartoe? Hoe kunnen we koppels en vrouwen omkaderen en ondersteunen zodat we met betere alternatieven abortus kunnen terugdringen tot de allerlaatst-te-overwegen optie? Tot een uitzondering? Debatteren we niet beter daarover?

In het huidige debat lijken het ontluikende leven en de moeder vaak tegen elkaar uitgespeeld te worden. Het klopt dat een foetus op achttien of twintig weken verre van volledig ontwikkeld is en zeker nog niet zonder moeder kan. Maar het gaat toch wel ver als je beschuldigd wordt van ‘emotionele argumenten (…) om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen‘ wanneer je zo’n foetus als ‘leven’ beschouwt, laat staan dat je het een ‘kind’ noemt. Wetenschappers kunnen heel goed het ‘hoe’ en ‘wat’ van een foetus beschrijven, maar kunnen daar per definitie geen waardeoordeel over uitspreken – dat is een ethische kwestie. Helaas wordt dat feit verdoezeld doordat nogal veel mensen steevast over de aanbevelingen van een ‘wetenschappelijk comité’ spreken. Dat geeft de ethische en juridische interpretaties van wetenschappelijke feiten over levensvatbaarheid en pijnperceptie de illusie van objectiviteit.

Baby

Mijn vrouw is momenteel achttien weken zwanger van ons vierde kind. Het wezen in haar baarmoeder heet wetenschappelijk gezien een foetus, heeft waarschijnlijk geen of beperkte pijnperceptie. Het is nog niet levensvatbaar ex utero, en heeft voor zover we weten geen zelfbewustzijn. Voor onze andere kinderen heet de foetus in de buik van mijn vrouw een baby en is die baby op echo’s al wekenlang een herkenbaar, groeiend mensje. Hij of zij zal een volwassen persoon en vriend van zijn of haar grotere zussen worden. En, ongelukken daargelaten, zal hij/zij ook alle pijn en vreugde die bij het leven horen ervaren.

Dit zijn geen ‘emotionele argumenten om vrouwen het recht op zelfbeschikking te ontzeggen’. Het is de realiteit van de meeste gewenste zwangerschappen. Het is een andere benadering van dezelfde wetenschappelijke feiten. Wij hebben de luxe dat we ons niet tot een abortus genoodzaakt voelen en leven mee met zij die wel in die situatie zitten. Want we geloven ook dat niemand een abortus wil, zoals die lezeres het schreef.

Dus opnieuw, hoe kunnen we ervoor zorgen dat vrouwen en koppels ervaren dat er betere opties zijn dan abortus? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat bij onverwachte zwangerschappen abortus almaar minder als noodzaak wordt gezien? Hoe kunnen we er zoveel mogelijk een én-én-verhaal van maken: moeder én kind (of moeder én foetus, als je wil). Is dat niet een beter debat?