Origineel gepubliceerd in De Tijd.
Welke impact zal artificiële intelligentie op ons werk hebben? Het World Economic Forum (WEF) schat dat tegen 2030 92 miljoen jobs zullen verdwijnen vanwege AI, vooral onder administratief en secretariaatspersoneel. Maar er zouden ook 170 miljoen jobs worden gecreëerd, de meeste daarvan in de (land)bouw, verkoop en voedselverwerking. Relatief gezien zou de grootste groei zich in software, big data, fintech en AI-gerelateerde jobs voltrekken.
Maar, waarschuwt het WEF, ‘zonder passende besluitvormingskaders, economische stimuleringsmaatregelen en, mogelijk, overheidsregelgeving blijft het risico bestaan dat technologische ontwikkelingen vooral gericht zullen zijn op het vervangen van menselijke arbeid, wat de ongelijkheid en de werkloosheid zou kunnen vergroten.’
Nobelprijswinnaars economie Daron Acemoglu en Simon Johnson vrezen voor dat tweede scenario. In hun boek ‘Power and Progress’, over de eeuwenoude relatie tussen technologie, werk en welvaart, bekritiseren ze het geloof dat productiviteit verhogen en winstmarges maximaliseren vanzelf leidt tot meer werk, stijgende lonen en algemene welvaart.
Groeiende ongelijkheid
Dat gebeurt enkel onder bepaalde omstandigheden, stellen ze: wanneer technologie niet ingezet wordt om werknemers te vervangen of strikter te surveilleren, maar om ze te ondersteunen en om nieuwe opportuniteiten te creëren. Bovendien moeten werknemers kunnen delen in de productiviteitswinsten, hetgeen vooral gebeurt wanneer er geen monopolies ontstaan, werknemers collectieve actie kunnen ondernemen en overheden navenant reguleren. Anders stijgt de ongelijkheid en daalt de kwaliteit van het werk.
De eerste industriële revolutie is het schoolvoorbeeld van hoe het mis kan lopen, met kapitaalconcentratie, een verbod op vakbonden en voor arbeiders de wereld die we kennen uit ‘Daens’. Tegenover dat schrijnende tijdperk staan les trente glorieuses, de unieke naoorlogse periode waarin groeiende productiviteit, waardiger werk én algemene welvaart hand in hand gingen. Dat was mogelijk dankzij nieuwe maatschappelijke structuren die constructief overleg tussen bedrijven, vakbonden en overheden faciliteerden.
Volgens Acemoglu en Johnson heerst vandaag opnieuw het geloof dat bedrijfswinsten en aandeelhouderswaarde maximaliseren in het algemeen belang is. Bovendien wordt AI op veel plaatsen ingezet om te surveilleren – denk aan werknemers in Amazon-magazijnen of gig-werknemers bij Uber – en om de cognitieve mens te automatiseren.
Ondertussen faalt het sociaal overleg – zie de frequente stakingen – tieren digitale monopolies welig, en dereguleren overheden wereldwijd, inclusief de onze. Dat is waarom Acemoglu en Johnson vrezen voor een groeiende ongelijkheid en verslechterende werkomstandigheden.
Arbeid versus kapitaal
In de nasleep van de eerste industriële revolutie, te midden van het broeiende conflict tussen kapitalisme en socialisme, werd Adolf Daens geïnspireerd door de katholieke sociale leer, die een middenweg zocht tussen twee kwalijke extremen. Tegen het staatssocialisme onderschreef die het belang van individuele vrijheid en het recht op privébezit. Tegen het laissez-fairekapitalisme verdedigde ze rechtvaardige arbeidsomstandigheden en solidariteit met de zwakken.
Maar ook het schijnbaar inherente conflict tussen de belangen van arbeid en kapitaal moest overstegen worden. In ‘Rerum Novarum’, een encycliek uit 1891 over de situatie van de arbeidersklasse, schreef paus Leo XIII: ‘Kapitaal kan niet zonder arbeid, noch arbeid zonder kapitaal. Eendracht kweekt schoonheid en goede orde, terwijl aanhoudend conflict noodzakelijk wanorde en brutale barbaarsheid produceert.’
Belangrijk daarbij is dat kapitaal en arbeid in een juiste verhouding staan. Het doel van kapitaal is in de eerste plaats om arbeid mogelijk te maken, en het doel van arbeid is in de eerste plaats de mens: die ontplooit zich tijdens zijn werk, vindt er een gemeenschap en levert een waardevolle bijdrage aan de maatschappij. In onze huidige economische systemen is de volgorde eerder omgekeerd.
Waardig werk
Kan het anders? Tech-CEO’s spiegelen ons een toekomst voor waarin menselijke arbeid volledig weg is geautomatiseerd, omdat AI en robots al het werk goedkoper en beter kunnen uitvoeren en enorme welvaart genereren. Dankzij een universal high income zouden we allen een luxueuze levensstandaard genieten en onze tijd naar believen kunnen invullen. Dat kan goed klinken als arbeid een noodzakelijk kwaad is om te overleven en te kunnen genieten van het leven na het werk.
Een andere vraag is of een toekomst waarin menselijk werk economisch gezien waardeloos wordt, wel wenselijk is. We zouden natuurlijk nog steeds op eigen initiatief, zonder noodzaak, kunnen werken, zoals we ook sporten – hoewel het leven ons niet meer dwingt tot fysieke inspanning. Maar zal dat evenveel betekenis hebben?
Eerlijk gezegd kies ik liever voor een toekomst waarin waardig menselijk werk centraal staat in de economie. AI kan dat ondersteunen, maar om op zo’n toekomst aan te sturen hebben we vooral een nieuw soort samenwerking nodig tussen kapitaal en arbeid, tussen werkgever en werknemer, tussen bedrijven, overheden en vakbonden. Als alle spelers de handen in elkaar slaan om het conflict tussen kapitaal en arbeid te overstijgen, in plaats van louter de eigen belangen te verdedigen en het conflict in stand te houden, dan ben ik hoopvol voor onze toekomst.


