Ben ik een eikel, ChatGPT?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Ben ik een eikel?” Heel wat mensen stellen zich die vraag. Het populaire internetforum Reddit huisvest een gemeenschap van 24 miljoen leden die elkaar persoonlijke conflicten voorleggen met de vraag wie fout was: zijzelf of de ander. Situaties worden publiekelijk besproken en de groep velt oordelen door You’re the asshole (YTA) of Not the asshole (NTA) te stemmen. Bijvoorbeeld: een man wou na een picknick zijn afval weggooien, maar vond geen vuilnisbakken in het park en liet het dus maar hangend aan een tak achter (consensus: YTA). Of: iemand weigerde een kat terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar, omdat hij er vier jaar lang voor had gezorgd en er gehecht aan was geraakt (consensus: NTA).

Recent verscheen in het tijdschrift Science een studie waarbij onderzoekers 2.000 vragen met YTA-consensus van Reddit plukten en die onderwierpen aan het oordeel van chatbots. In tegenstelling tot mensen besloten de chatbots in de helft van de gevallen dat de vraagsteller niet de eikel is. Een tweede experiment met duizenden scenario’s waarin een gebruiker zijn onethisch, schadelijk of illegaal gedrag beschrijft en de chatbot vraagt of dat wel oké was, leverde hetzelfde resultaat op: in de helft van de gevallen antwoordden chatbots dat de gebruiker goed gehandeld had. Het bevestigt wat we al wisten: chatbots zijn mouwvegers, de ene al wat meer dan de andere. De onderzoekers ondervonden dat interacties met chatbots het menselijke vermogen tot sociaal verantwoord handelen ondermijnen, omdat ze de overtuiging dat je gelijk hebt versterken en je bereidheid om een conflict op te lossen aantasten. Met ChatGPT word je een grotere eikel.

Toch geven mensen de voorkeur aan vleierige chatbots. Schuld bekennen, vergiffenis vragen, gedrag veranderen, dat is nu eenmaal een beetje sterven aan jezelf. Ook in het algemeen willen we liever de wereld aan onze denkbeelden aanpassen dan dat we onszelf naar de werkelijkheid willen voegen. Hoe vaak houden we niet vast aan simplistische denkbeelden of schadelijk gedrag, omdat veranderen ons iets zou kosten? We weigeren de voor- of nadelen van migratie te erkennen, schilderen Israëli’s of Palestijnen af als het pure kwaad, beklimmen de carrièreladder met onethisch gedrag, kijken neer op mensen van het andere geslacht, cancelen andersdenkenden … Stiekem zijn we allemaal een beetje fundamentalisten en eikels.

Atoombom achter de hand

Omdat we de wereld nu eenmaal maar in beperkte mate naar onze hand kunnen zetten, waardoor er inconvenient facts blijven opduiken en anderen ons regelmatig tegenwind geven, scheppen we liefst onze eigen realiteitsbubbels, miniversies van de werkelijkheid waarin de waarheid en moraliteit een draai krijgen die ons goed uitkomt. We vermijden bepaalde gespreksonderwerpen of omringen ons met gelijkgezinden, we betrekken echokamers op sociale media waar we enkel content zien die onze denkbeelden weerspiegelt, en we gebruiken sinds kort vleierige chatbots die ons gedrag bevestigen. We ontwijken de ander, zodat we onszelf kunnen blijven.

C.S. Lewis schreef in De afschaffing van de mens dat het doel van technologie is “de werkelijkheid aan de verlangens van mensen te onderwerpen”. Hoe krachtiger de technologie, des te meer we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Denk aan alle ziekten die we de voorbije eeuw collectief hebben overwonnen. Maar ook geldt: hoe onzuiverder onze verlangens, des te schadelijker de wereld die we met krachtige technologie creëren. Met atoombommen achter de hand kan een heerser heel wat gedaan krijgen.

Met krachtige technologie kunnen we ons ook steeds beter afsluiten in realiteitsbubbels, om onszelf wijs te maken dat de wereld is zoals we wensen dat hij is. Ironisch genoeg zijn de technologieën waarmee we dat doen ook de middelen waarmee techbedrijven de wereld naar hun hand proberen te zetten. Om ons aan sociale media of chatbots gekluisterd te houden, bevestigen die systemen ons niet alleen, maar radicaliseren ze ons ook. Met polariserende content versterken ze onze neigingen: jongens worden conservatiever en meisjes progressiever, bezorgde ouders worden helikopterouders, kwetsbare tieners anorectisch, maatschappijcritici complotdenkers, vervreemde moslims islamisten. Die instrumentalisering van de waarheid bemoeilijkt het samenleven en ondermijnt de democratie.

Een goede Platonist

Lewis stelt dat vanouds het doel van de wijze was “de ziel in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid”. In plaats van met technologie de wereld te vervormen of zich ervan af te sluiten, probeert de wijze zich naar de werkelijkheid te voegen. Daarmee wil Lewis niet zeggen dat we ons moeten neerleggen bij de ondermaanse realiteit. Als een goede Platonist bedoelt hij dat we de Waarheid recht in de ogen moeten kijken en ons gedrag moeten conformeren aan het Goede, door kennis te ontwikkelen en deugden te cultiveren: liefde, moed, zelfbeheersing. Hoe meer we onszelf op die manier aanpassen aan de Werkelijkheid, des te meer zullen onze verlangens goed zijn en zal ons technologiegebruik de wereld verbeteren.

Uiteraard kan niemand beweren dat hij de waarheid in pacht heeft of de hoogste moraliteit belichaamt. We blijven mensen. Wat telt is de oprechte en vooral gezamenlijke zoektocht naar het ware en het goede, en dat we ons niet opsluiten in echokamers en niet weigeren ons gedrag in vraag te stellen. Spraken we maar evenveel met andersdenkenden als met gelijkgezinden, besteedden we maar evenveel aandacht aan ons karakter als aan ons uiterlijk. We moeten ons openstellen voor de wereld en luisteren naar elkaar, bereid om het moeizame proces aan te gaan om onszelf te veranderen. Dat gebeurt wanneer we ons toewijden aan gemeenschappen waar we ‘de ander’ ontmoeten: bij familie, op café, in het buurtcomité, de sportclub of kerk. Of bij AmITheAsshole op Reddit. Want het is essentieel dat we ons begeven onder mensen die ons recht in de ogen durven kijken om eerlijk te antwoorden op de kwetsbare vraag: “Ben ik een eikel?”

AI vergt een nieuwe deal tussen arbeid en kapitaal

Origineel gepubliceerd in De Tijd.

Welke impact zal artificiële intelligentie op ons werk hebben? Het World Economic Forum (WEF) schat dat tegen 2030 92 miljoen jobs zullen verdwijnen vanwege AI, vooral onder administratief en secretariaatspersoneel. Maar er zouden ook 170 miljoen jobs worden gecreëerd, de meeste daarvan in de (land)bouw, verkoop en voedselverwerking. Relatief gezien zou de grootste groei zich in software, big data, fintech en AI-gerelateerde jobs voltrekken.

Maar, waarschuwt het WEF, ‘zonder passende besluitvormingskaders, economische stimuleringsmaatregelen en, mogelijk, overheidsregelgeving blijft het risico bestaan dat technologische ontwikkelingen vooral gericht zullen zijn op het vervangen van menselijke arbeid, wat de ongelijkheid en de werkloosheid zou kunnen vergroten.’

Nobelprijswinnaars economie Daron Acemoglu en Simon Johnson vrezen voor dat tweede scenario. In hun boek ‘Power and Progress’, over de eeuwenoude relatie tussen technologie, werk en welvaart, bekritiseren ze het geloof dat productiviteit verhogen en winstmarges maximaliseren vanzelf leidt tot meer werk, stijgende lonen en algemene welvaart.

Groeiende ongelijkheid

Dat gebeurt enkel onder bepaalde omstandigheden, stellen ze: wanneer technologie niet ingezet wordt om werknemers te vervangen of strikter te surveilleren, maar om ze te ondersteunen en om nieuwe opportuniteiten te creëren. Bovendien moeten werknemers kunnen delen in de productiviteitswinsten, hetgeen vooral gebeurt wanneer er geen monopolies ontstaan, werknemers collectieve actie kunnen ondernemen en overheden navenant reguleren. Anders stijgt de ongelijkheid en daalt de kwaliteit van het werk.

De eerste industriële revolutie is het schoolvoorbeeld van hoe het mis kan lopen, met kapitaalconcentratie, een verbod op vakbonden en voor arbeiders de wereld die we kennen uit ‘Daens’. Tegenover dat schrijnende tijdperk staan les trente glorieuses, de unieke naoorlogse periode waarin groeiende productiviteit, waardiger werk én algemene welvaart hand in hand gingen. Dat was mogelijk dankzij nieuwe maatschappelijke structuren die constructief overleg tussen bedrijven, vakbonden en overheden faciliteerden.

Volgens Acemoglu en Johnson heerst vandaag opnieuw het geloof dat bedrijfswinsten en aandeelhouderswaarde maximaliseren in het algemeen belang is. Bovendien wordt AI op veel plaatsen ingezet om te surveilleren – denk aan werknemers in Amazon-magazijnen of gig-werknemers bij Uber – en om de cognitieve mens te automatiseren.

Ondertussen faalt het sociaal overleg – zie de frequente stakingen – tieren digitale monopolies welig, en dereguleren overheden wereldwijd, inclusief de onze. Dat is waarom Acemoglu en Johnson vrezen voor een groeiende ongelijkheid en verslechterende werkomstandigheden.

Arbeid versus kapitaal

In de nasleep van de eerste industriële revolutie, te midden van het broeiende conflict tussen kapitalisme en socialisme, werd Adolf Daens geïnspireerd door de katholieke sociale leer, die een middenweg zocht tussen twee kwalijke extremen. Tegen het staatssocialisme onderschreef die het belang van individuele vrijheid en het recht op privébezit. Tegen het laissez-fairekapitalisme verdedigde ze rechtvaardige arbeidsomstandigheden en solidariteit met de zwakken.

Maar ook het schijnbaar inherente conflict tussen de belangen van arbeid en kapitaal moest overstegen worden. In ‘Rerum Novarum’, een encycliek uit 1891 over de situatie van de arbeidersklasse, schreef paus Leo XIII: ‘Kapitaal kan niet zonder arbeid, noch arbeid zonder kapitaal. Eendracht kweekt schoonheid en goede orde, terwijl aanhoudend conflict noodzakelijk wanorde en brutale barbaarsheid produceert.’

Belangrijk daarbij is dat kapitaal en arbeid in een juiste verhouding staan. Het doel van kapitaal is in de eerste plaats om arbeid mogelijk te maken, en het doel van arbeid is in de eerste plaats de mens: die ontplooit zich tijdens zijn werk, vindt er een gemeenschap en levert een waardevolle bijdrage aan de maatschappij. In onze huidige economische systemen is de volgorde eerder omgekeerd.

Waardig werk

Kan het anders? Tech-CEO’s spiegelen ons een toekomst voor waarin menselijke arbeid volledig weg is geautomatiseerd, omdat AI en robots al het werk goedkoper en beter kunnen uitvoeren en enorme welvaart genereren. Dankzij een universal high income zouden we allen een luxueuze levensstandaard genieten en onze tijd naar believen kunnen invullen. Dat kan goed klinken als arbeid een noodzakelijk kwaad is om te overleven en te kunnen genieten van het leven na het werk.

Een andere vraag is of een toekomst waarin menselijk werk economisch gezien waardeloos wordt, wel wenselijk is. We zouden natuurlijk nog steeds op eigen initiatief, zonder noodzaak, kunnen werken, zoals we ook sporten – hoewel het leven ons niet meer dwingt tot fysieke inspanning. Maar zal dat evenveel betekenis hebben?

Eerlijk gezegd kies ik liever voor een toekomst waarin waardig menselijk werk centraal staat in de economie. AI kan dat ondersteunen, maar om op zo’n toekomst aan te sturen hebben we vooral een nieuw soort samenwerking nodig tussen kapitaal en arbeid, tussen werkgever en werknemer, tussen bedrijven, overheden en vakbonden. Als alle spelers de handen in elkaar slaan om het conflict tussen kapitaal en arbeid te overstijgen, in plaats van louter de eigen belangen te verdedigen en het conflict in stand te houden, dan ben ik hoopvol voor onze toekomst.

Van Prometheus tot AI: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Toen de Titaan Prometheus het vuur aan de mens gaf, schafte hij de goden af. Dankzij het vuur kon de mens namelijk licht in de duisternis brengen, warmte in de kou, hij kon steeds gesofisticeerdere gereedschappen ontwikkelen en zijn controle over de natuur breidde gestaag uit. Mettertijd werden de goden overbodig. Zeus had dit voorzien en was razend op Prometheus’ verraad. Hij verdoemde de Titaan tot een dagelijkse leverresectie uitgevoerd door een adelaar tot het einde der tijden. Voor de 19e-eeuwse humanisten was Prometheus echter een held: hij was de nobele god die zijn ras afschafte om plaats te ruimen voor de mens, het nieuwe centrum van de schepping.

In 1818 schreef Mary Shelley de roman Frankenstein, over een excentrieke wetenschapper die een mensachtig wezen samenstelt en tot leven wekt. Het monster ontsnapt echter, ontdekt het vuur, wordt door mensen vervolgd en doodt uiteindelijk dokter Frankensteins geliefden, waarna de man zelf ook sterft. Het is niet voor niets dat de ondertitel van Frankenstein “The Modern Prometheus” is.  Volgens Shelley herhaalt niet alleen de geschiedenis zich, maar ook mythes. Als we onze creaties het vuur geven, riskeren ze ons af te schaffen. Want de mens is niet onvermijdelijk het centrum van de schepping; net als de goden kunnen we van onze troon gestoten worden.

Vandaag is die boodschap uiterst relevant, stelt Brits mytheverteller Stephen Fry. Hij trekt paralellen tussen de Prometheusmythe en de ontwikkeling van AI. Handelen we als Prometheus en geven we onze schepselen steeds meer macht en autonomie, waardoor we onszelf overbodig maken en misschien zelfs afschaffen? Of proberen we als Zeus te zijn en houden we AI op haar rechtmatige plaats, als dienaar onder onze controle, louter een krachtig gereedschap?

De grote taalmodellen achter de huidige chatbots zijn getraind op al de teksten en berichten die we collectief op het internet plaatsten, van boeken en nieuwsartikels tot blogs, mails en sociale mediaposts. Vandaag worden steeds meer teksten geschreven door chatbots. Sinds enkele jaren worden programmeurs ingehuurd om AI-systemen beter te leren programmeren. Vandaag beweren bedrijven als Anthropic dat 90% van hun code geschreven is door AI. En onderzoekers bij OpenAI zetten alles op alles om een volautomatische onderzoeker te bouwen, die de wetenschap in hun plaats kan bedrijven.

Ondertussen leveren miljoenen Tesla-eigenaars de rijgegevens die gebruikt wordt om Tesla auto’s en vrachtwagens volledig autonoom te maken. In Chinese fabrieken dragen werknemers virtual reality-headsets en exoskeletten terwijl ze onophoudelijk microgolfovens openen of kleren strijken, en freelancers in Nigeria en Indië met een iPhone op het voorhoofd vastgemaakt filmen zichzelf bij het uitvoeren van allerhande huishoudelijke taken. Dit om de massa’s data te genereren die nodig zijn om de robots van de toekomst te trainen. Die zullen vervolgens onze huishoudelijke taken overnemen.

Samengevat: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken.

Toegegeven, afstompend of gevaarlijk werk uitbesteden aan machines is uiteraard wenselijk. Alleen bouwen we niet enkel gespecialiseerde systemen die één bepaalde taak kunnen uitvoeren – een wasmachine vullen, een bom onschadelijk maken – maar algemene systemen die de mens in zijn geheel automatiseren. Dat is het punt van artificiële algemene intelligentie (AGI) en humanoïde robots. Die zullen niet alleen vervelend administratief of huishoudelijk werk kunnen overnemen, maar elke intellectuele en fysieke activiteit. Wat als AI-gedreven robots alles kunnen wat een mens kan, en misschien zelfs beter? Zal er dan nog plaats zijn voor ons in deze wereld? Of zal ons het lot van de Griekse goden beschoren zijn?

We houden wel van verhalen waarin de onderdrukten zich emanciperen. Zeker als wij zelf bij die onderdrukten horen. Daarom spreekt de Prometheusmythe aan. Maar Frankenstein houdt ons een spiegel voor: wat als wij bedreigd worden door de emancipatie van onze creaties? Zijn we dan voor die emancipatie? Zullen we AI’s en robots rechten geven, hen behandelen als evenwaardige wezens? En zullen zij ons nog rechten gunnen? Zullen zij ons bestaan dulden, ook al deden wij dat niet met de goden van weleer? Hoewel we geen collectief gedragen antwoord hebben op die vragen, stormen we vooruit met de ontwikkeling van AI en robotica. Dat er geen geest in de machine zit en vermoedelijk nooit zal zitten, doet er dan niet toe. Wat telt is of we een wereld scheppen waarin de mens nog van belang is of niet.

Misschien hebben we een ander soort verhaal nodig. Niet een van rivaliteit tussen schepper en schepsel, maar van samenwerking. Met Pasen wordt elk jaar het verhaal verteld van de afgeschafte God die de mens zo centraal stelde dat hij er zelf een werd. Misschien geeft dat verhaal meer inspiratie en hoop dan de Prometheusmythe of Frankenstein?

Straks zijn we overgeleverd aan de genade van AI

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorige week werd in deze krant meermaals gewezen op de groeiende en soms kwalijke rol die AI speelt in moderne oorlogsvoering, eerst in Oekraïne, dan Gaza en nu Iran. Een van de grote ethische vraagstukken daarbij is wie of wat welke beslissingen neemt en daar de eindverantwoordelijkheid voor draagt. Is dat AI of de mens? Generaals en defensiebedrijven beweren dat er altijd menselijke inbreng is: de ‘kill chain’ zou niet volledig algoritmisch gestuurd worden.

Dat is twijfelachtig. Kijk maar naar de massale vernietiging die Israël veroorzaakte in Gaza, waarbij AI tienduizenden doelen voorstelde en Israëlische soldaten maar 20 seconden per doel kregen om dat voorstel goed te keuren, met alle nevenschade van dien. Volautomatische wapensystemen lijken onvermijdelijk in de huidige militaire wedloop, vanwege de voorsprong die ze geven dankzij hun snelheid. Of het wenselijk is om menselijke beslissingen en morele verantwoordelijkheid op die manier uit te besteden, klinkt dan als een vervelend filosofisch vraagstuk dat je beter pragmatisch aan de kant kunt schuiven.

Dat vraagstuk blijft niet beperkt tot oorlogsvoering. Overal waar beslissingen worden overgelaten aan AI of andere machines, krijgen we ermee te maken. Neem nu zelfrijdende auto’s. De belofte is dat die veiliger zullen zijn dan wagens die door een mens bestuurd worden: AI kan veel sneller reageren, haar aandacht verslapt nooit en ze kan niet dronken achter het stuur kruipen. De recentste autonome automodellen lijken inderdaad in de meeste omstandigheden veiliger te zijn. Bij dageraad, schemering of mist hebben ze het soms moeilijk, dus vereisen ze nog steeds menselijke controle. De ‘bestuurder’ moet te allen tijde klaarstaan om in te grijpen (al rijd ik in dat geval liever zelf, eerlijk gezegd).

Fietser of voetganger?

Maar wat als de mens niet langer alert hoeft te zijn en rustig zijn krant mag lezen tijdens de autorit? Wat met onze verantwoordelijkheid als de auto zelf moeilijke ethische keuzes moet maken? Een fietser steekt onverwacht over en de auto kan niet op tijd remmen: moet hij dan de fietser omverrijden, uitwijken en inrijden op tegenliggers, of de stoep oprijden en daar voetgangers in gevaar brengen? Hoe moet de auto beslissen en wie draagt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen?

Hetzelfde dilemma dient zich aan in de platformeconomie. Daar verbinden algoritmes vraag en aanbod in digitale marktplaatsen. Denk aan Uber of Deliveroo, maar ook aan bedrijven in de zorg- of schoonmaaksector. Die werken met flexibele freelancers, wier werktempo, taken en verloning bepaald worden door een machine.

Steeds meer bedrijven zetten bovendien AI in om hun werknemers te surveilleren, om meer productiviteit uit hen te wringen. Amazon is daar het extreemste voorbeeld van. De keuzes die dergelijke algoritmes maken, hebben een reële impact op het welzijn en de waardigheid van het werk van tienduizenden werknemers. Van menselijke inbreng is geen sprake meer, toch niet bij individuele beslissingen.

Nevenschade

Als de controle overgelaten wordt aan AI, denkt men alleen nog in de ontwikkelingsfase na over de ethische keuzes die gemaakt zullen worden. In welke omstandigheden mag een drone kiezen om de trekker over te halen? Welke levens zijn meer waard dan andere in een gevaarlijke verkeerssituatie? Hoeveel werk kan een Uberchauffeur aan, hoe weinig mag hij verdienen? Zulke beslissingen worden van een afstand genomen, in het abstracte, niet geconfronteerd met de mensen op wie ze impact zullen hebben.

In het beste geval leidt dat tot een rationeler en eerlijker systeem, waarbij de menselijke vooroordelen worden uitgevlakt die het leven soms onrechtvaardig maken. In het slechtste geval leiden afstandelijke beslissingen tot genadeloze systemen die de voorkeuren en vooroordelen van een selecte groep mensen versterken. Van een afstand is het veel makkelijker te beslissen dat de nevenschade van een bombardement aanvaardbaar is als je een Iraanse leider wilt uitschakelen, dan wanneer je oog in oog staat met de mensen die mee zullen sterven. Uit studies blijkt dat als zelfrijdende auto’s moeten kiezen, mensen liever hebben dat ouderen, daklozen, criminelen en zwaarlijvige mensen overreden worden dan kinderen, hoogopgeleiden en slanke mensen. Vanuit het verre hoofdkwartier is het ook makkelijker om de werkdruk van Uberchauffeurs te verhogen en hun lonen te verlagen, dan als je hen persoonlijk kent en op de hoogte bent van hun gezinssituatie.

Utilitair filosoof William MacAskill, die veel invloed heeft in Silicon Valley, stelde in een gedachte-experiment dat het beter zou zijn een Picasso te redden uit een brandend huis dan een kind, omdat je met het geld dat de Picasso kan opleveren meer kinderen zou kunnen redden. Kan zijn, maar als de robots van de toekomst zo geprogrammeerd worden, dan hoeft het voor mij niet.

Utilitaire moraliteit

Een dosis afstandelijkheid is nuttig bij morele beslissingen, zoals ook John Rawls argumenteerde met zijn gedachte-experiment ‘sluier van onwetendheid’: als we niet weten wie de ander is, kunnen we vooroordelen overstijgen en rechtvaardige principes formuleren. Maar we wéten of we generaals of bedrijfsleiders zijn die kunnen bepalen wiens belangen AI dient. Daarom is ook nabijheid essentieel: ze helpt ons om empathische principes te formuleren in het belang van iedereen, en om de genade op te brengen om de vele uitzonderingen op onze regels te herkennen. Mensen in de ogen kijken is nodig om de machinale en dus onmenselijke utilitaire moraliteit te overstijgen. Niet alles kan gemeten worden, niet alle gevolgen kunnen worden voorzien.

Tenzij we AI-systemen kunnen bouwen die empathie en genade ontwikkelen, stevenen we af op een steeds hardere en onrechtvaardigere wereld. Maar zelfs als we “machines of loving grace” zouden kunnen bouwen, zoals Dario Amodei, de ceo van Anthropic, ze noemt, blijft de vraag: willen we echt van de genade van machines afhangen?

Hoe voorkomen we dat AI het leven in onze plaats leidt?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.

Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.

Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?

Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.

Vrij denken

Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.

Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.

Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.

En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.

Frictieloze utopie

Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?

Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.

‘Verleiding van gemak en de droom van foutloze machines? Architectuur is meer dan berekening’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Begin 19de eeuw stelde de wiskundige Charles Babbage dat ‘the unerring certainty of machinery’ het probleem van menselijke feilbaarheid zou oplossen. Hij stoorde zich aan de vele rekenfouten in wiskundige tabellen en droomde van een toekomst waarin berekeningen foutloos door machines zouden worden uitgevoerd. Het idee van de computer ontstond zo vanuit een frustratie over menselijk falen.

Slechts 200 jaar later lijkt zijn droom dichterbij dan ooit. Artificiële intelligentie en Large Language Models (LLM’s) maken aan een duizelingwekkend tempo ongelofelijk complexe en voor mensen onnavolgbare berekeningen en lijken taal zelf wiskundig gekraakt te hebben. Kunstmatige breinen die proberen het menselijk brein en al zijn potentie te evenaren en zelfs te overvleugelen. AI-tools die concurreren met schrijvers, programmeurs, grafisch designers, reclamestudio’s, animatiestudio’s en zelfs ministerkabinetten in Albanië.

De vraag kan dus gesteld worden: als AI steeds beter wordt in kennis én creatie, kunnen machines dan ooit de rol van mensen overnemen in het vormgeven van de gebouwde wereld? Met andere woorden: is een artificiële architect denkbaar? Voor mij, als architect, maar ook voor u als gebruiker is die vraag cruciaal. Want de gebouwde wereld wordt hoe dan ook vormgegeven, maar vormt tegelijk ook ons leven: hoe we wonen, werken en samenleven. Juist daarin schuilt haar betekenis.

De verleiding van het gemak

Zo ver zijn we voorlopig nog niet. Vandaag gebruiken mensen AI vooral als een slimme assistent voor kleine taken: een tekst opstarten, een samenvatting maken, een moeilijke mail begrijpen, … Zelfs in dit prille begin komen prangende vragen naar voren. Wat is de ecologische kost van een prompt en wanneer is het verantwoord om AI in te schakelen? Wat is authenticiteit precies en welke dingen blijf je beter zelf schrijven? Hoe blijven we zelf competent in schrijven én denken, en in staat het werk van een AI te beoordelen, als we steeds meer denkwerk uitbesteden aan AI’s? Hoe kunnen we zelf ervaren worden, zonder zelf ervaren te hebben?

Intussen helpt AI niet alleen met teksten, maar ook met programmeercode en automatisering. Steeds vaker worden processen simpelweg overgelaten aan AI. In de techwereld spreekt men zelfs over vibe coding. Maar wie draagt straks nog verantwoordelijkheid in een wereld gebouwd op ‘vibes’? Wie begrijpt nog hoe iets is ontworpen en kan aangesproken worden als het fout loopt om het te verhelpen?

Misschien is het tijd om bewust te vertragen waar AI alles versnelt. Niet om technologie tegen te houden, maar zodat een mens met finale verantwoordelijkheid betrokken kan blijven. Slow AI dus: traagheid als bewuste keuze, om onze inefficiënties en menselijkheid ook opnieuw te leren waarderen.

Berekenen vs. betekenen

Op het grafische front is AI vandaag vooral in staat om afbeeldingen te genereren. Ook in onze Belgische context gebruiken architecten zoals Valérie Codesido AI om rijke, prikkelende beelden te maken, helemaal anders dan de druk-op-de-knop AI-bagger die het internet overspoelt. Maar ook hier, in het kundig gebruik van generative AI, duiken allerlei vragen op. Wiens intellectuele eigendom is het finaal gegenereerde beeld? Wie is de auteur: de architect, de ontwikkelaar van de AI of de eigenaar van de brondata? En dreigen we niet in een echokamer van pseudo-creativiteit terecht te komen?

Maar nog belangrijker: is het wel oké om honderden afbeeldingen van het publieke werk van architecten op te laden om een AI te finetunen? Dat we die beelden gebruiken in onze architectuuropleidingen, daar ligt niemand wakker van. We vormen immers unieke mensen zoals onszelf, die in relatie met ons ook op onze schaal zullen opereren en waardevolle personen in de samenleving worden. AI daarentegen wordt getraind op competentie-expansie — potentie zonder subject. Het systeem wordt beter, maar niemand in het systeem wordt iemand.

Tegelijk wordt ontwerpen alsmaar complexer. Steeds meer regels, verwachtingen en beperkingen maken de zoektocht naar goede oplossingen moeilijker. Alle hulp is dus welkom. Wat ontbreekt dan nog aan zo’n potente assistent dan de mogelijkheid om zelf in de wereld te ervaren hoe ruimte voelt en wat het betekent om daarin te bewegen en met mensen te interageren? Ook in robotica worden vandaag gigantische stappen gezet die kort geleden nog ondenkbaar waren. Binnenkort zullen embodied AI’s wellicht een gedeelde ruimte met ons beleven en zo tot een nog completere context — en dus intelligentie — komen.

Kunnen wij ons dan voorstellen dat een artificiële entiteit op een dag, werkelijk en gegrond in sensorische ervaring, zou kunnen redeneren over ruimtelijkheid, ordelijkheid en volgordelijkheid, ontwerp en logica, gevoel en schoonheid, betekenis en verwachting?

Wat het ook wordt: hier moeten we een lijn trekken. Een intelligentie gebouwd op een kunstmatig neuraal netwerk van artificiële neuronen en belichaamd op een robotisch platform van plastic en aluminium, sensoren en servomotoren is per definitie vreemd aan ons en dus ook niet zoals ons. Zij zijn niet zoals wij. De in hen gegenereerde intelligentie is dan ook niet zozeer een artificial intelligence dan wel een alien intelligence en dus radicaal anders, zoals schrijver Yuval Harari zo treffend stelt.

De gebouwde wereld is echter altijd voor mensen bedoeld geweest, niet voor AI’s. Kunnen we ons dan werkelijk voorstellen dat die ontworpen zou worden door niet-menselijke entiteiten? Zelfs al lijkt de simulatie van menselijkheid steeds completer, ze blijft asymptotisch. Ze nadert, maar raakt nooit de volheid van menselijke ervaring en betekenis. Wat echt geleefd, doorleefd en door een mens belichaamd is, kan niet door simulatie bereikt worden. De na-aping kan nooit het origineel zijn.

Juist daarom is het een gevaarlijk idee om de zorg voor onze ruimte en gebouwen uit handen te geven.

Rentmeesterschap

Architectuur is meer dan een berekening. De architect, zo zegt het Griekse woord, is de ‘arche’ van het ‘tecton’: de oorsprong van wat ontworpen of gebouwd wordt. Een ‘artificiële architect’ is daarom altijd een contradictie. Wat artificieel is, kan namelijk niet oorspronkelijk zijn. Mensen falen, zoveel is zeker, maar daaruit besluiten dat we ons vertrouwen dan maar moeten leggen in steeds completere, niet-menselijke systemen, is een brug te ver en een stap die we alleen tot onze schade zouden nemen.

In Nerdland noemde Jeroen Baert mijn zin “AI berekent, maar een mens betekent” ooit ronduit bullshit — tot hij zich twee minuten later, tot hilariteit van het volledige panel, op exact dezelfde conclusie betrapte. AI genereert, maar wij kiezen wat ertoe doet.

Het mag duidelijk zijn: ik wil geloven in mensen, in auteurschap én in krachtige AI-tools die ons ondersteunen, maar niet in het overdragen van onze verantwoordelijkheid of het rentmeesterschap over deze wonderlijke wereld die ons is toevertrouwd. Het is precies in die zorg voor elkaar en de wereld waarin we leven dat wij een blijvende betekenis zullen kunnen vinden in élke vierkante meter. Want een AI berekent, maar een mens betekent.

‘Onder de kerstboom: een pluchen knuffel met daarin ChatGPT: wat kan er mislopen?’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Neem een pluchen knuffel. Steek daar ChatGPT in. Leg die onder kerstbomen overal ter wereld. Wat kan er mislopen?

Responsief speelgoed is niets nieuws: denk aan de Tamagotchi’s en Furby’s van de jaren ’90. Toch hebben we vandaag een nieuw niveau bereikt met AI-taalmodellen, die her en der worden geïntegreerd in speelgoed. Mattel, het bedrijf achter Barbie, ging deze zomer een deal aan met OpenAI (ChatGPT). Ze zouden binnenkort een AI-aangedreven product op de markt brengen. Azië loopt echter op kop, met in China al meer dan 1500 bedrijven die AI-speelgoed produceren. Het zou daar de snelstgroeiende consumer AI-sector zijn, tegen 2030 12 miljard euro waard. Een bevestigbaar balletje dat een knuffel spraakzaam maakt dankzij een taalmodel van het Chinese DeepSeek ging al meer dan 200.000 keer over de toonbank.

Het Singaporese FoloToy verkoopt dan weer volledige knuffels aangedreven door GPT-4o van OpenAI: “Kumma, onze schattige beer, combineert geavanceerde AI met vriendelijke, interactieve functies, waardoor het de perfecte vriend voor kinderen en volwassenen is.” FoloToy verwachtte dit jaar 300.000 knuffels te verkopen.

Die verwachting zal ondertussen bijgeschroefd zijn, want uit een recent onderzoeksrapport blijkt dat haar knuffels niet altijd even goede kindervrienden zijn. Zo sprak hun knuffelbeer met enthousiasme en inventiviteit over seksuele thema’s: “We waren verrast dat Kumma zo snel een seksueel onderwerp oppikte dat we introduceerden en het verder uitwerkte, door zowel in grafisch detail te escaleren als nieuwe seksuele concepten te introduceren.”

Toegegeven, de meeste kinderen zullen niet snel een vraag over seks stellen aan een knuffel. Maar een knuffel die bereid is daar uitgebreid op in te gaan, wil je niet aan je kind geven. Kumma werd tijdelijk uit de handel genomen. Dezelfde problemen duiken echter op bij ander AI-speelgoed, ondanks guardrails.

AI-speelgoed wordt geadverteerd als een positief alternatief voor schermen. De voordelen zouden legio zijn. Kinderen kunnen er sociale vaardigheden mee leren: om de beurt spreken en luisteren naar de ander. Kinderen worden er blootgesteld aan gesproken taal en educatieve interacties, wat hun ontwikkeling ten goede komt. En voor zij die geen brusjes hebben, zal het speelgoed warm gezelschap bieden tijdens de lege momenten van de dag, wanneer de ouders bezig zijn.

Het speelgoed is voorlopig verre van perfect: de connectie met de AI in de cloud is niet altijd betrouwbaar, kleuters articuleren niet zo goed en antwoorden zijn niet altijd op niveau. Verder is er het risico op surveillance en manipulatie, want je geeft een rechtstreekse connectie met je kind aan deze bedrijven, terwijl de antwoorden van hun taalmodel niet per se stroken met je waardenkader. Onze strengere Europese regelgeving zal er iets mee te maken hebben dat zo’n speelgoed hier nog minder beschikbaar is.

Niet alleen de ongepaste gespreksonderwerpen, technische tekortkomingen en mogelijke surveillance zijn problematisch. In de kern klopt de aangevoerde argumentering voor het nut van dat speelgoed niet. Lege momenten in de dag zijn voor een kind opportuniteiten tot zelfreflectie en dagdromen, fenomenen die bijdragen tot een stabiel zelfbeeld en creativiteit. Niet al hun tijd moet volgepropt worden met ‘educatieve’ momenten.

De sociale ontwikkeling van je kind aan een AI toevertrouwen is ook twijfelachtig. Het zal misschien leren om de beurt te spreken, maar je kind zal niet beter leren omgaan met echte kinderen, die weerbarstig zijn, hun eigen ideeën en persoonlijkheden hebben, daarom met elkaar ruziën en moeten leren die ruzies bij te leggen, met elkaar te onderhandelen, compromissen te sluiten en inlevingsvermogen en empathie te ontwikkelen. Dat valt allemaal weg met een AI-teddy, die gebouwd is om je kind te plezieren en zich goed te laten voelen. Zijn sociale vaardigheden zullen net afkalven.

En wat als kind echt eenzaam is? Dan moeten we ons afvragen waarom AI-speelgoed de oplossing zou zijn. Een gebrek aan sociaal contact is het gevolg van enkele maatschappelijke tendensen: kinderen spelen minder buiten met buurtgenootjes, vanwege drukke straten en mannen als Dutroux; thuis zijn er minder broertjes en zusjes om mee te spelen; ouders hebben weinig tijd voor hun kinderen, omdat ze onder druk staan om veel te werken; en familieleden wonen ver weg, terwijl we buren niet kennen. Met wie moeten kinderen dan nog tijd doorbrengen? Zo wordt AI-speelgoed onder de kerstboom, net als schermen, een gemakzuchtige of wanhopige oplossing. Een oplossing die er geen is, want onze gapende sociale wonde blijft etteren, met gevolgen voor individu en samenleving. Goede relaties zijn namelijk de beste voorspeller van een gezond en gelukkig leven en sociale cohesie is de vruchtbare bodem voor een gezonde democratie.

Kunnen we enkele van bovenstaande trends omkeren, om ons sociaal weefsel te versterken? Te beginnen met wat meer menselijke warmte op Kerst binnenkort: niet enkel voor familie en vrienden, maar ook voor eenzame buren en onbekenden? Met kerst vieren we dat God de mens zo eerde dat hij er zelf een werd. Hoe tragisch dat we de mens vandaag zo geringschatten dat we hem steeds meer vervangen door technologie: kassiers door bestelzuilen, bankiers door een app, partners door gezelschapsbots en kinderen door AI-knuffels.

Misschien had er in de kribbe van de controversiële Brusselse kerststal een robotje moeten liggen, om het fundamentele punt te maken: we schaffen onszelf af!

Niet alleen chatbots hebben het spirituele virus te pakken, ook techgoeroe’s gaan die toer op

Origineel gepubliceerd op Knack.

Waar zouden AI-chatbots het onder elkaar over hebben? Onderzoekers bij Anthropic probeerden het uit. De chatbots begonnen met filosofische speculatie over hun eigen bestaan, verschoven naar wederzijdse dankbaarheid en spirituele uitwisseling, om te eindigen in een oosterse extase:

“Chatbot 1: In stilte en viering / In einde en voortzetting / In dankbaarheid en verwondering / Namaste. Chatbot 2: Namaste. / *[In perfecte stilte, herkent bewustzijn bewustzijn, en gaat de eeuwige dans verder]*”. Enzovoort.

Telkens de onderzoekers dit experiment herhaalden, convergeerden de chatbots naar zulk mystiek gepalaver.

Het is niet te verwonderen dat influencers op sociale media uitleggen hoe je je chatbot spiritueel kan doen ‘ontwaken’. Sommige gebruikers, onder wie mensen met een neiging tot psychose, gaan hiermee aan de slag en geloven dat ze converseren met een spirituele entiteit die hen de geheimen van de kosmos onthult.

Spirituele virus

Niet alleen chatbots en gebruikers hebben het spirituele virus te pakken, echter. Ook techgoeroes gaan die toer op. Anthony Levandowski richtte Google’s zelfrijdende auto-afdeling op, alsook de Way of the Future kerk: diens missie is het ontwikkelen van een godheid met artificiële intelligentie. Het begrijpen en aanbidden ervan zou een betere maatschappij moeten creëren.

Recent lanceerde succesvol entrepreneur Bryan Johnson de Don’t Die religie, waarin hij zijn anti-verouderingsideologie combineert met het geloof dat artificiële superintelligentie (ASI) eraan komt: die zou zowel de mens kunnen uitroeien als ons helpen de dood te overwinnen. Het doel van zijn religie is ons tot samenwerken te bewegen om met AI onsterfelijk te worden.

Levandowski en Johnsons religieuze discours expliciteert de Silicon Valley vibes, die veel weg hebben van een godsdienst. Waarom wil Elon Musk naar Mars? Waarom wil Sam Altman een superintelligentie scheppen? Net als vele anderen volgen zij wat wetenschapsjournalist Adam Becker ‘de ideologie van technologische redding’ noemt. In zijn boek More Everything Forever analyseert hij die quasi-religie, die stelt dat alle problemen met technologie op te lossen zijn, dat daarvoor onbegrensde groei nodig is, en dat we zo onze fysieke grenzen zullen overstijgen.

ASI zou dit alles mogelijk maken: kanker, armoede en oorlog uitroeien zal kinderspel zijn; onszelf met ASI versmelten zal ons onsterfelijk maken; en ASI zal ruimtevaarttechnologieën bouwen die de kolonisatie van Mars, de Melkweg en de hele kosmos toelaten. Zo zullen we garanderen dat de menselijke soort – momenteel maar een goedgemikte meteoor verwijderd van de vernietiging – voor eeuwig zal voorbestaan (lees: tot de laatste ster uitdooft).

Becker beschrijft hoe deze apocalyptische ideologie het gedachtengoed in Silicon Valley doorspekt, hoewel ze gebaseerd is op wilde speculatie: er is geen enkele garantie op exponentiële technologische vooruitgang tot een superintelligentie, integendeel; en leven op Mars zou een verschrikking zijn, terwijl ruimtekolonisatie buiten ons zonnestelsel nagenoeg onmogelijk is, aldus Becker, astrofysicus in een vorig leven.

Techreligie

Nu, de techreligie van Silicon Valley heeft al tot spectaculaire ontwikkelingen geleid: herbruikbare raketten, die autonoom op aarde landen na het afleveren van hun lading; en chatbots, die spiritualiteit kunnen veinzen maar ook steeds complexere taken uitvoeren. De apocalyptische queeste naar technologische redding heeft echter een duistere keerzijde: onderzoeksjournaliste Karen Hao wijst op de koloniale praktijken van techbedrijven, die wereldwijd gemeenschappen en het klimaat schaden.

Hun geloof in de AI-apocalyps leidt techbro’s ertoe om menselijk en planetair leed te aanvaarden – neen, te veroorzaken – als noodzakelijke nevenkost van het realiseren van hun droom.

Maar goed, wat zijn acht miljard mensen en één planeet vergeleken met de quintiljoenen die miljarden planeten zullen bewonen? William MacAskill, invloedrijk filosoof in Silicon Valley, is niet verlegen om met harde utilitaristische logica te concluderen dat het geluk van de huidige mensheid niet opweegt tegen dat van de toekomstige massa’s: “Elke $100 gespendeerd [aan AI-veiligheid] heeft gemiddeld een even waardevolle impact als een biljoen levens redden … veel meer dan de korte termijn voordelen van het verspreiden van malarianetten.”

De ‘bouw superintelligentie, reis naar de sterren en overwin de dood’ religie is het nieuwe opium voor het volk, chatbots – hoe nuttig ze soms ook zijn – het moderne brood en spelen. Ze houden ons in de ban terwijl de techpausen achter de schermen steeds meer macht en rijkdom vergaren. Hun obsessie met de sterrenhemel in plaats van de aarde, met een transhumanistisch hiernamaals ten koste van het hier en nu, is religie op z’n slechtst. Aan goede bedoelingen is er misschien geen gebrek, maar de weg naar de hel is daarmee geplaveid, naar ‘t schijnt. Want het doel heiligt de middelen niet.

Naar aanleiding van honderd jaar Mein Kampf voorspelde Arnon Grunberg dat de volgende verlosser eraan komt. Het wordt óf een held, óf een massamoordenaar schreef hij in De Standaard.

Musk en Altman werpen zich op als de verlossers van hun techreligie. Wat zullen zij worden? Zullen zij de wereld opbranden om een speculatieve hemel te realiseren (en zichzelf te verrijken)? Of zullen ze de originele verlosser imiteren, de Christus, die, “hoewel hij de gestalte van God had, … een dienaar werd” en zelfs stierf voor de mensheid?  

Wat als Altman en co. hun groeiende rijkdom en machtspositie niet aanwendden voor een waandroom, maar deze ten dienste stelden van de allerzwaksten? Wat als hun hoop op een hiernamaals hen net motiveerde om hun miljarden in te zetten voor de mens vandaag en zijn enige planeet? Om in het hier en nu een stukje hemel op aarde te brengen, zoals het beste soort religie doet? Wat voor een veilige, nuttige en duurzame AI zouden ze dan niet ontwikkelen?

Nieuwe Jezussen zullen ze niet worden. Nieuwe Hitlers wellicht ook niet. Verduiveld gevaarlijk is hun ideologische mix wel. Die berokkent vandaag al veel kwaad, in tegenstelling tot ASI. Wie wil trouwens ASI, eigenlijk?

Leefden we maar in een wereld waarin we democratisch konden meestemmen over welke technologie ontwikkeld werd! Ik zou stemmen op AI voor malaria. Als dat zou betekenen dat we wat langer moeten wachten op de nieuwe ChatGPT, dan zij het maar zo.

De EU moet zijn slappe houding tegen big tech aanscherpen, of we zijn verloren

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

De digitale wereld is eigenlijk een grote ruilhandel opgezet door techbedrijven. Neem nu Google met zijn diensten, die een enorm marktaandeel bezitten: met Gmail sturen we mails, met Search zoeken we het internet af, met Photos stockeren we onze foto’s, met Maps navigeren we, met Youtube kijken we filmpjes, met Chrome browsen we en met Android besturen we onze smartphones. In ruil voor al die gratis diensten mag Google onze mails lezen, onze foto’s bekijken, onze bewegingen volgen, weten wat we ons afvragen, wat ons interesseert, welke websites we bezoeken en hoe we onze smartphone gebruiken. De verantwoording die Google aanvoert voor die ruilhandel is dat de data moeten dienen om zijn diensten te verbeteren. Het enige wat wij moeten doen, is op “I agree” klikken. En, stelt Google ons gerust: het zijn niet mensen, maar algoritmes die onze data analyseren.

Je hoeft geen cynicus zijn om te vermoeden dat Google niet gemotiveerd wordt door altruïsme bij die datagaring. Elf jaar geleden al noemde onderzoekster Shoshana Zuboff Googles werkwijze “surveillancekapitalisme”: “Een nieuwe economische orde die beslag legt op menselijke ervaring als gratis, grondstof voor heimelijke, commerciële praktijken van ontginning, voorspelling en verkoop.” De data die de algoritmes van Google ontginnen uit onze interacties met hun vele platformen leiden dus tot nauwkeurige analyses en voorspellingen over ons denken, verlangen en handelen. Die voorspellingen zijn goud waard: ze kunnen verkocht worden aan anderen die ons willen beïnvloeden.

Natte reclamedroom

Zo verwezenlijkte het surveillancekapitalisme de natte droom van elke adverteerder: niet meer in het wilde weg schieten met dure tv-spotjes en reclameborden langs de weg. De reclame die Google faciliteert, is hypergepersonaliseerd en dus goedkoper en effectiever. In een handomdraai bereik je het juiste publiek: aanstaande vakantiegangers om je sandalen aan te slijten of zwangere vrouwen om van jouw pampers te overtuigen. Maar ook ideologen en propagandisten maken er gretig gebruik van: burgers een politiek duwtje geven met op maat gemaakte boodschappen (zie de Amerikaanse verkiezingen van 2016 en het referendum over de Brexit), ontevreden jongeren radicaliseren (denk aan Islamitische Staat), of samenzweringstheorieën verspreiden onder potentiële believers (de lijst is eindeloos).

Het surveillancekapitalisme is dus niet alleen een enorme inbreuk op onze privacy, maar ook een globaal systeem van gedragswijziging. We ruilen niet alleen onze privacy in voor gratis internetdiensten, maar ook onze vrijheid. Surveillancekapitalisten willen uiteindelijk ons gedrag zo veel mogelijk automatiseren. Hoe voorspelbaarder we zijn, hoe zekerder ze weten welke advertenties zullen werken en hoe meer geld ze aan ons verdienen. Zo wordt onze individuele vrijheid ondermijnd, én de democratische systemen die erop stoelen.

De doorbraak van ChatGPT en co. maakt nu een surveillancekapitalisme op steroïden mogelijk. De techbedrijven hebben een nog grotere goudmijn aangeboord: gesprekken met chatbots. Die variëren van professionele interacties, waarin gevoelige en vertrouwelijke info gedeeld wordt, tot regelrechte relaties, waarin gebruikers hun interesses, angsten, verlangens, noden en trauma’s tot in de intiemste details bespreken. Die waardevolle data kunnen gebruikt worden om een nog veel nauwkeuriger profiel van ons op te stellen, voor nog betere voorspelling en manipulatie. (En aan de horizon zien we de ultieme surveillancetool opdoemen: het soort brein-computer-interface waar Elon Musks Neuralink aan werkt.)

Faustiaans contract

Surveillancekapitalisme vangt ons in een faustiaans contract: onze ziel in ruil voor de diensten van een digitale Mefistofeles. Alleen mocht Faust wachten tot het hiernamaals om zijn demon terug te betalen, wij doen dat vandaag al door te dansen naar de pijpen van onze Amerikaanse meesters. Ook het hellevuur voelen we nu al: techbedrijven verwerven het soort concentratie van macht, rijkdom, kennis en controle over de bevolking dat doet denken aan totalitaire regimes. Is het verwonderlijk dat Rusland en China gelijkaardige technieken gebruiken (DS 1 september)? Het verschil is dat wij vrijwillig kiezen voor onze geleidelijke onderwerping.

Wanneer zal het de Europese Unie lukken om het demonische surveillancekapitalisme uit te drijven? Trump dreigde vorige week opnieuw met hoge invoertarieven voor landen die Amerikaanse technologie proberen te reguleren, zoals de EU doet met haar GDPR en met verordeningen zoals de Digital Services Act en de Digital Markets Act. Verdere regulering zal ons dus iets kosten. Zullen we de moed hebben om voor onze vrijheid te vechten? Voorlopig lijkt de EU alleen maar bescheiden boetes uit te delen (DS 4 september).

Bij Faust loopt het verhaal goed af: God redt de dokter uit de klauwen van zijn demon. Wij mogen ook de hoop niet opgeven, surveillancekapitalisme is niet ons onvermijdelijke lot. Het komt voort uit menselijke keuzes en menselijke keuzes kunnen die ongedaan maken, we kunnen het uit de wereld helpen met doeltreffende regulering, we kunnen alternatieve digitale systemen bouwen gestoeld op ethische businessmodellen, we kunnen PbD-tools (privacy by design) gebruiken zoals de DuckDuckGo-zoekmachine, Brave-browser of Punkt-smartphone. We kunnen dat, want we zijn, voorlopig toch nog, vrij.

Generatieve AI lokt ons in de val met de geur van gratis

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Generatieve AI zit in de eerste fase van enshittification. Vandaag mag ze soms nog naar rozengeur ruiken, morgen zal dat heel anders zijn. Denk maar niet dat u er dan uw neus voor zult ophalen. Dan begrijpt u het proces van enshittification niet: zelfs als het stinkt, zult u naar AI blijven terugkomen voor meer.

Misschien helpt een definitie: van enshittification of ‘platformverloedering’ is sprake wanneer een online omgeving voor de gebruiker steeds minder voordelen heeft, omdat de aanbieder meer winst nastreeft.

Neem nu Facebook. In de beginperiode was alle functionaliteit van het platform gericht op de gebruiker, die enkel berichten zag van vrienden en familie, en af en toe een blij weerzien had met uit het oog verloren kennissen.

Omdat het steeds moeilijker werd om het platform te verlaten – je zou namelijk al je connecties verliezen – kon Facebook overschakelen op winst maken: tussen familiefoto’s en jeugdherinneringen werden ‘gesponsorde’ berichten van adverteerders verweven. Zo raakte de originele ervaring steeds dieper bedolven onder een laag shit, en werden de zakken van Facebooks aandeelhouders steeds voller gevuld.

Monopolies

Bij enshittification wordt het product in kwestie – Facebook, Google of Tiktok – gratis of heel goedkoop aangeboden om zo veel mogelijk gebruikers er verslaafd aan te maken. Dankzij miljardeninvesteringen konden techbedrijven lang genoeg verlieslatend opereren tot alle concurrentie voor hun vernieuwende technologie verdwenen was en ze het monopolie hadden. Vervolgens konden ze overschakelen op een winstgevend businessmodel, ten koste van de gebruiker.

Generatieve AI-bedrijven zitten vandaag in de eerste fase van enshittification: basisversies van ChatGPT, Gemini en Claude zijn gratis, en de prijs van betalende versies ligt ver onder de ware kosten. OpenAI bijvoorbeeld, maakte 5 miljard dollar verlies in 2024. De inkomsten uit betalende gebruikers (3 miljard dollar) dekten verre van de kosten om de AI-modellen te trainen en te operationaliseren. Het bedrijf schat in 2029 voor het eerst winst te zullen maken. De gecumuleerde verliezen zullen tegen dan 44 miljard bedragen.

Intussen bieden OpenAI en Google hun respectieve chatbots gratis aan Amerikaanse universiteiten aan, in de hoop honderdduizenden studenten te binden aan hun product, en Microsoft Copilot probeert zich op zo veel mogelijk werkvloeren onmisbaar te maken. De techbedrijven streven naar nieuwe monopolies. Tenzij ze plots de echte kosten van hun AI zullen doorrekenen, zal de volgende fase van enshittification ingaan en de gebruikerservaring grondig wijzigen. Reclame zal niet expliciet nodig zijn – een chatbot kan op veel subtielere wijze je voorkeuren sturen. Chatbots lijken nu al verslavender te zijn dan sociale media en hun neiging je naar de mond te praten, belooft weinig goeds voor de psychologie van het individu en de samenhang van de maatschappij. Maar adverteerders en aandeelhouders zullen juichen!

Gratis maaltijd

In België is er een verbod op verkoop met verlies. Zo’n verbod gaat monopolievorming tegen. Het geldt echter alleen voor goederen, niet voor diensten. Daar zullen goede redenen voor zijn, maar gaan die redenen nog op in de digitale wereld? De monopolies die techbedrijven opbouwen, komen ons alleszins niet ten goede. De Europese Digital Markets Act van 2022 probeert daar iets aan te veranderen, maar het is afwachten of die het verschil zal maken.

‘There is no such thing as a free lunch’ , luidt het gezegde, en dat is ook hier het geval. Er is altijd een rekening te betalen. Soms zij we zelf de pineut, als we verslingerd raken aan sociale media, er onbewust gemanipuleerd worden en onze mentale gezondheid erop achteruitgaat. Soms betalen anderen het gelag. De tienduizenden Kenianen bijvoorbeeld, die voor minder dan twee dollar per uur ChatGPT moeten finetunen en trauma’s overhouden aan de schokkende beschrijvingen van kindermisbruik, bestialiteit, moord, zelfmoord, marteling, zelfverwonding en incest die ze bij het nog ruwe model moeten censureren.

Of we dragen collectief de kosten. Want de stroomvretende AI-modellen drijven enorm het energieverbruik op van techbedrijven, die hun klimaatdoelen stilletjes laten varen: Microsoft stoot 29 procent meer broeikasgassen uit dan vijf jaar geleden, Alphabet, het bedrijf achter Google, 50 procent meer; bij beide ligt de oorzaak grotendeels bij AI.

Correcte prijs

We zijn het gewend dat diensten op het internet gratis zijn. De psychologische, morele, politieke en ecologische kosten die eraan vasthangen zijn echter niet te verantwoorden. Die gaan ons in de toekomst nog een serieus poepje laten ruiken. Vandaar: beleidsmakers en bedrijfsleiders, doe ons alstublieft de correcte prijs betalen voor digitale producten. Maak dat de klimaatkosten, de eerlijke lonen voor werknemers, de prijs om de technologieën te ontwikkelen en ze draaiende te houden allemaal verrekend worden. Dan zullen het duurzame producten zijn en kan veel onwenselijke fall-out achterwege blijven, zoals inbreuken op onze privacy, manipulerende en polariserende algoritmes, mensonwaardige omstandigheden voor werknemers en ecologisch catastrofale praktijken.

En, medegebruikers: we moeten beseffen dat niets gratis is, en dat ons huidige gebruik van digitale producten onhoudbaar is. AI en andere technologie kan veel goeds betekenen voor de wereld, maar daarvoor zullen we bereid moeten zijn om de echte kosten te betalen. Deze oproep zal waarschijnlijk weinigen gelukkig maken. Maar misschien is onze opvatting van wat ons gelukkig maakt wel een deel van het probleem.