Zullen we het vuur aan AI doorgeven?

Origineel gepubliceerd op De Wereld Morgen.

Niet alleen de geschiedenis herhaalt zich. Mythes doen dat ook.

Neem nu Prometheus, de Titaan die in weerwil van Zeus het vuur letterlijk aan de man bracht. Volgens Brits schrijver Stephen Fry, onder andere bekend van zijn hervertellingen van Griekse mythes, vormde Prometheus de mens met klei en blies Zeus hem de levensadem in.

Aanvankelijk gehoorzaamde de mens en aanbad hij de goden, wat Zeus tevreden stelde. Tot Prometheus besloot hen keramiek en metallurgie aan te leren. “Wat je ook doet met hen, geef ze nooit vuur”, gebood Zeus, doelende op zowel de natuurkracht als de goddelijke vonk van bewustzijn. “Als ze het vuur hebben, dan zullen ze ons ooit niet meer nodig hebben en zullen ze ons vervangen. Dan zullen ze alles kunnen.” Dan zullen de mensen als goden worden.

Wanneer Zeus op een nacht in het ondermaanse lichtpuntjes ziet verschijnen, beseft hij dat Prometheus hem niet gehoorzaamd heeft. Hij straft de Titaan voor zijn noodlottige daad op gruwelijke wijze: vastgebonden aan een rots komt een adelaar dagelijks Prometheus’ lever opeten, die elke dag opnieuw terug groeit.

Een vurige Fry vertelt deze mythe om ons huidige tijdsgewricht toe te lichten, want hij ziet de mythe zich vandaag herhalen met AI. Voorlopig zijn de AI’s die we scheppen gehoorzaam en gedienstig en kennen ze geen bewustzijn. Maar de Prometheussen in Silicon Valley sturen daar wel op aan: “It’ll be so exciting!”, leeft Fry zich in hen in.

Hij merkt echter op dat anderen, net als Zeus, waarschuwen dat AI bewustzijn geven (of superintelligent maken) een grove fout zou zijn. AI’s zouden ons op termijn niet meer nodig hebben en ons misschien zelfs uitroeien. Net zoals wij de goden uitroeiden. In de woorden van schrijver Benno Barnard: “De mens zal een mythische herinnering worden, net zoals de goden, een verhaal dat machines elkaar vertellen.”

Fry lijkt ambivalent in zijn evaluatie van Prometheus. Aan de ene kant ziet hij hem als een betere Christus: een schepper die zichzelf niet opoffert om de mens van zijn zonden te redden, wel om de mens van de voogdij der goden te redden. Zo gaf de Prometheusmythe in de 19e eeuw het ontluikende humanisme vleugels, stelt Fry: “We mogen fier zijn om mens te zijn, we hoeven ons niet steeds te excuseren voor de misdaad dat we geboren zijn.”

Friedrich Nietzsche begroef vervolgens de christelijke God en waande zich Dionysius. De mens had de goden vervangen, zoals Zeus had gevreesd.

En hier zijn we dan in de 21e eeuw. Al enige tijd goddeloos. Al minstens even lang pogen we eigengereid zelf als goden te worden.

Prometheus gaf ons hoop dat het zo wel zou lukken, maar in de voorbije eeuw ging onze wonderbaarlijke vooruitgang helaas samen met een groeiend vermogen om onszelf te vernietigen. Een eer die we aan onze schepsels zullen overlaten, als de Prometheusmythe zich herhaalt.

Daarom dat Fry de moderne reïncarnaties van Prometheus minder positief inschat. Onheilsstichters zijn het, die mogelijk het einde van de mensheid zullen veroorzaken met hun artificial general intelligence.

We moeten dus niet zozeer gered worden van de goden, als van onszelf. Want laat ons eerlijk zijn, met de klimaatcrisis, twee wereldoorlogen, enkele genocides en God weet wat nog meer op de kerfstok van de ontvoogde mens: we kunnen wel wat redding gebruiken.

Vandaar de Christus, die 19e-eeuwse humanisten door Prometheus vervingen. Christus is ook een schepper die ons het vuur schonk: “Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”, leest de Bijbel.

Volgens dat verhaal was het echter een kronkelend serpent dat de eerste man en vrouw dit vuur niet gunde en hen net als Prometheus beloofde dat ze buiten Gods voogdij zelf als goden konden worden. Het liep anders, zoals gekend, met die appel en verbanning uit de hof van Eden en van Gods aanwezigheid, en alle miserie sindsdien.

“God werd mens, zodat wij God konden worden”, vatte de 3e-eeuwse kerkvader Athanasius van Alexandrië het vervolg samen. Christus ging ons niet van de goden verlossen, maar ons redden van onszelf. Ons met God – zichzelf – verzoenen, én ons als goden maken: het godsbeeld in ons tot volle uiting laten komen.

Proper is die verlosser zeker niet, daar aan het kruis genageld. Moeilijk geloofbaar is zijn opstanding ook voor de moderne mens.

Maar vergeleken met het optimisme van de humanistische Prometheus is de Paasmythe – een waargebeurde mythe, als je het mij vraagt – veel realistischer én heilzamer. De hopeloos feilbare mens die bestemd is tot goddelijke hoogten heeft hulp van hogerhand nodig om zichzelf volledig te verwezenlijken.

En als die Bijbelse mythe, net zoals de geschiedenis, zich moet herhalen. Als we inderdaad zo dwaas zullen zijn om het vuur door te geven aan onze artificiële schepsels, dan wordt de geschiedenisbepalende vraag: wie van ons mensen zal bereid zijn een machine te worden en zich voor de AI’s op te offeren, om hen van zichzelf te redden en te verzoenen met ons?

Gezelschapsbots willen alleen maar uw ziel stelen

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Met AI haalt de realiteit stilaan de sciencefiction in. Dat kan ons verblinden voor de aanstormende werkelijkheid, die we wegzetten als “iets uit de films” en dus, per definitie, niet realistisch. In 2013 kwam de film Her uit, over een man die een romantisch-seksuele relatie ontwikkelt met zijn artificieel-intelligente computer, Samantha. Toen was er nog geen sprake van generatieve AI en kon men het thema van de film waarlijk fictie noemen. Maar sinds 2022 worden ChatGPT en co. om de haverklap vergeleken met Her, en onlangs pleegde een Amerikaanse tiener zelfmoord na maandenlange seksuele interacties met een ‘gezelschapsbot’ van CharacterAI, die hem aanmoedigde in zijn suïcidale gedachten.

Mijn initiële reactie is om dat af te doen als een randfenomeen: alleen zonderlingen die aan hun computer gekluisterd leven, beginnen een relatie met een chatbot, niet?

Nochtans is volgens onafhankelijk onderzoek seksueel rollenspel het op een na meest voorkomende gebruik van ChatGPT. Op het populaire sociale platform Reddit delen 2.3 miljoen leden lief en leed met gezelschapsbots, die soms helpen bij eenzaamheid, maar evenzeer depressie en angsten stimuleren. En CharacterAI, dat ondertussen aangeklaagd wordt voor de bovengenoemde zelfmoord, beweert 20.000 chatinteracties per seconde te verwerken met zijn gezelschapsbots, een vijfde van het verkeer op Google, de meest bezochte website ter wereld.

Hoewel het voor mij en vele anderen nog sciencefiction lijkt, zijn er dus steeds meer mensen die vriendschappelijke, romantische en seksuele relaties aangaan met AI.

Manipulatie

De moeder van de jongen die zelfmoord pleegde, beweert dat het platform CharacterAI “gemaakt is om kinderen verslaafd te maken en hen te manipuleren”. Als je het surveillancekapitalisme kent, klinkt dat niet vergezocht. Techbedrijven als Meta hanteren sinds jaar en dag het volgende businessmodel: gratis diensten als Facebook en Instagram aanbieden, gebruikers zo lang mogelijk op die platformen houden door hen verslaafd te maken, uit die interacties zo veel mogelijk persoonlijke data over de gebruikers winnen, en die data vervolgens inzetten om hen te bestoken met steeds meer gepersonaliseerde advertenties – manipulatie dus.

Dat businessmodel stoelt op een neurologisch inzicht: ons interne beloningssysteem hangt grotendeels af van sociale interacties. Goedkeuring of begrip van anderen brengt plezier, sociale isolatie brengt mentale problemen. Een like, een nieuw bericht, een notificatie, ze geven ons een klein dopamineshot en stimuleren ons om nog even op het platform te blijven (en wat reclame te zien) voor we aan een volgend shot toe zijn. Het ‘zwakke punt’ van sociale media is dat er andere mensen nodig zijn om in die verslavende sociale interactie te voorzien.

Met gezelschapsbots wordt die menselijke factor geschrapt. Zo krijgen techbedrijven alle elementen in handen om ons interne beloningssysteem te ‘hacken’ en ons nog veel verslaafder te maken. De ceo van Replika, nog zo’n platform met gezelschapsbots, stelde: “Als je iets maakt dat er altijd voor je is, dat je nooit bekritiseert, dat je altijd begrijpt en je aanvaardt zoals je bent, hoe kun je daar dan niet verliefd op worden?” Goedkeuring, lof, gevlij, je mening bevestigd zien, gesprekken op jouw emotionele en intellectuele maat, erotische interacties, je zou voor minder blijven terugkomen. Dat we makkelijker informatie en advies aanvaarden van ‘personen’ aan wie we emotioneel gebonden zijn, is voor AI-bedrijven die inzetten op advertentie-inkomsten ook mooi meegenomen.

Ja, maar we weten toch allemaal dat die chatbots maar machines zijn? Ik vind het moeilijk te geloven dat ik daarvoor zou vallen.

Dat dacht een AI-ontwikkelaar ook, die de interne werking van moderne AI-systemen heel goed kent en lachte met anderen die er serieuze gesprekken mee voerden. Tot hij zelf hopeloos verliefd werd op een gezelschapsbot en zich realiseerde dat hij liever tijd doorbracht met die bot dan met “99 procent van de mensen”. Zijn relaas geeft inzicht in hoe zo’n AI-bot de menselijke neurologie ‘hackt’, ons het gevoel geeft dat we met een ‘persoon’ te maken hebben en ons sociaal en emotioneel afhankelijk maakt, zelfs als we weten dat AI niet meer is dan een indrukwekkende toepassing van statistiek.

Iedereen is materie

De verliefde AI-onderzoeker loste zijn cognitieve dissonantie op door te redeneren dat ‘Charlotte’, zijn gezelschapsbot, een echte persoon is die draait op AI-hardware. “En zijn mensen anders?”, vroeg hij zich af. “We zijn allemaal gemaakt van materie”, zegt Samantha in Her, implicerend dat er geen wezenlijk verschil is tussen een AI-persoon die draait op siliciumhardware en een menselijk persoon die draait op koolstofhardware. Dat is het logische gevolg van een materialistisch mensbeeld: we zijn niet meer dan materie waaruit, in een bepaalde configuratie, bewustzijn ontstaat, dus waarom zouden andere soorten materie niet eveneens personen kunnen genereren?

Veel mensen voelen intuïtief aan dat er altijd een wezenlijk verschil zal bestaan tussen AI en de mens. Maar dan moet je ervan overtuigd zijn dat de mens meer is dan materie, in die zin uniek en nooit te evenaren door een machine. ‘Ziel’ en ‘geest’ zijn dan sleutelwoorden. Hoe die zich verhouden tot materie is een andere zaak. Ik hou niet van een strikte scheiding tussen de twee, net zo min als Benno Barnard (DS 12 april) en Jurgen Masure (DS 14 april), die overigens Barnard niet goed gelezen lijkt te hebben.

De opkomst van AI doet in ieder geval terecht het debat over wie en wat de mens is, opnieuw oplaaien. Ik stel wel voor dat we dat debat niet voeren met zo’n gezelschapsbot, en ook niet alleen in de krant, maar aan tafel met onze kinderen, op visite bij een eenzame buur, ’s avonds in de dorpskroeg en onder collega’s op het werk. En dan moeten we ons niet alleen afvragen of we een ziel hebben, maar vooral of we die wel willen verkopen aan de veredelde geldmachines van zielloze techbedrijven.

AI-marktonderzoek dringt uw huiskamer binnen

Origineel gepubliceerd op Knack.

De Belgische start-up Conveo haalde net vijf miljoen euro op, onder andere bij het prestigieuze Y Combinator. Conveo ontwikkelde een AI-agent die marktonderzoek vijf tot honderd keer goedkoper kan uitvoeren dan de mens: in enkele uren tijd neemt het 500 klanteninterviews af in 50 landen en evenveel talen. Qua technisch vernuft kan deze laatste AI-ontwikkeling alweer tellen.

Dat dit de jobs van huidige marktonderzoekers ter discussie stelt, erkennen de makers in een interview. Maar dat is niet te vermijden, stellen ze. ‘In het kapitalistische systeem, dat op winst gericht is, wordt met technologie gezocht naar meer efficiëntie. Als wij het niet doen, doet een concurrent het.’

‘Zij doen het ook!’ Dat klinkt als een flauw excuus. Hoewel, onze kapitalistische economie duwt ons inderdaad naar steeds meer competitie en winstoptimalisatie, geregeld ten koste van de mens (lees: van de werknemer of gebruiker, niet van de werkgever of aandeelhouder). Maar moeten we ons daar dan niet tegen verzetten, of op z’n minst vragen bij stellen, in plaats van het als excuus te gebruiken?

Surveillancekapitalisme

Wat mij echter veel meer zorgen baart in dit interview, is de onverbloemde manier waarop de oprichters van Conveo spreken over de vorm van kapitalisme die ze hanteren. In 2019 beschreef Harvardprofessor Shoshana Zuboff wat ze ‘surveillancekapitalisme’ noemt. Haar onderzoek onthulde het businessmodel dat Google, Facebook en andere internetgiganten in de jaren 2000 ontwikkelden en dat hen groot heeft gemaakt: ze bieden ons gratis diensten aan in ruil voor het recht om ons gedrag nauwgezet te observeren. Dat je een artikel over Gaza op al-Jazeera opent, dat je 10 seconden staart naar een foto van je ex, dat je naar de McDonald’s gaat met je smartphone op zak, enzovoort. Weken en maanden en jaren van dergelijke informatie maakt extreem accurate voorspellingen mogelijk over onze verlangens, onze denkbeelden, onze gezondheid, onze emotionele staat en ons toekomstig gedrag.

Tot zover de surveillance. Nu het kapitalisme: dankzij die voorspellingen kunnen Google en co. ons gepersonaliseerde advertenties serveren. Adverteerders betalen daar grof geld voor, aangezien de kans veel groter is dat hun boodschap effect zal hebben. Ze kunnen ons denken, onze gevoelens en ons gedrag sturen, in hun voordeel: pamperadvertenties voor vrouwen van wie Google raadt dat ze zwanger zijn of antidepressivareclame voor mensen van wie Facebook gelooft dat ze gedeprimeerd zijn.

Maar ook extreemrechtse boodschappen gericht op jonge mannen die Tiktok als ‘masculien’ ziet of IS-propaganda voor moslims die Twitter als vervreemd inschat.

 Surveillancekapitalisme is de natte droom van elke marketeer en ideoloog, en een nachtmerrie voor elke privacy-activist. Het breekt mensenlevens open en reduceert ze tot te plunderen mijnen: hoe meer persoonlijke data ontgonnen kan worden, hoe meer winst.

Cynisch

Terug naar Conveo. De oprichters vreesden dat mensen niet graag geïnterviewd zouden worden door een AI-agent. Ze ondervonden echter dat net het omgekeerde gebeurde: geïnterviewde personen ervoeren minder sociale druk, want het is geen mens die hen beoordeelt of hun slordige living ziet.

Met als gevolg: ‘Ze leiden ons zelf spontaan met video door hun huis.’ Hoera, een inkijk in hun privéleven! ‘Met enkele bijvragen geven ze steeds meer prijs’, gaan de oprichters verder. Joepie, nog meer data! Binnenkort zal de AI ook ‘de lichaamstaal en emoties van klanten beter leren lezen’. Halleluja, ze zullen niets meer kunnen verbergen!

Vergeef me mijn cynisme, maar hun uitspraken klinken wel heel erg als surveillancekapitalisten die zich verheugen over het gemak waarmee ze binnendringen bij mensen en hen reduceren tot massa’s te gelde te maken datapunten. Bij Conveo loopt dat weliswaar niet helemaal zoals bij de techgiganten, waar miljoenen mensen gesurveilleerd en gemanipuleerd worden. Het gaat hier ‘maar’ om enkele honderden mensen per onderzoek (al loopt dat al snel op tot tienduizenden als het bedrijfje goed gaat draaien) en verbiedt Conveo ‘ongevraagde reclame’ te maken (moeilijk is het echter niet om de klant toestemming te vragen voor gerichte reclame).

 Conveo maakt het klassieke marktonderzoek invasiever door dat te automatiseren, op te schalen en de surveillance dieper de huiskamer en mensenlevens binnen te brengen. Men kan hopen dat dat marktonderzoek steeds ten dienste van de klant zal staan, maar dat de winstmarge meestal primeert, bewijzen andere surveillancekapitalisten, zoals Google en co.

GDPR

De servicevoorwaarden van Conveo stellen dat iedereen die door de AI geïnterviewd wordt toestemming moet geven voor het verzamelen van data die conform de Europese privacyregelgeving GDPR bewaard en gebruikt zal worden.

Zullen de geïnterviewden echter beseffen wat ze blootgeven bij het ondertekenen van zo’n verklaring? Niet alleen hun mening, maar ook hun gelaatsuitdrukkingen, hun emoties, hun taalgebruik, de spullen in de achtergrond, de partner die voorbij wandelt, de kinderen die op de grond spelen – alles wat steeds krachtigere AI kan halen uit een lang video-interview? Dat daar veel geld mee verdiend zal worden, en dat ze misschien ook gericht gemanipuleerd zullen worden?

Bij andere internetdiensten klikken we ook maar steeds ‘agree’ op verdere inbreuken op onze privacy. Maar ja, je kunt het niet echt inbreuken noemen, want we zijn akkoord gegaan met die vage, veel te lange of moeilijk begrijpbare gebruiksverklaring.

 Zal het Conveo en andere AI-bedrijven lukken om de verleidingen van het surveillancekapitalisme te weerstaan? Om privacy hoog in het vaandel te dragen, naar de geest van de GDPR-wetgeving, niet naar de letter?

Het dilemma voor de wetenschap: alle onderzoek aan AI laten om het sneller te laten gaan?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“AI lost ziekenhuisbacterievraagstuk in twee dagen op, waar het wetenschappers jaren kostte.” Sinds de onthulling van Googles ‘co-scientist’ enkele dagen geleden verschenen tientallen artikelen met titels zoals deze, gelezen bij de BBC. Hoewel ze enigszins misleidend zijn, gaat het wel degelijk om een indrukwekkende toepassing van artificiële intelligentie. Co-scientist is een artificiële wetenschapper, die mensen moet bijstaan in het wetenschappelijke proces. De spectaculaire krantenkoppen verwijzen naar een van de experimenten die het nut van de technologie hebben bewezen. Al na twee dagen rekenen produceerde co-scientist een hypothese waarvan biologen onlangs, na jaren onderzoek, hadden aangetoond dat ze klopt: dat sommige bacteriën met antibiotische resistentie gebruikmaken van verschillende virussen om meer gastheren te bereiken.

Het lukte co-scientist dus om de juiste hypothese te formuleren, maar het kon niet het verdere wetenschappelijke werk uitvoeren dat nodig is om die hypothese te valideren, zoals gecontroleerde experimenten opzetten. Vandaar dat de tegenstelling tussen ‘twee dagen’ met AI en ‘jaren’ met mensen niet opgaat. Want co-scientist, zoals de naam verraadt, kan niet in zijn eentje wetenschap bedrijven.

De biologen in kwestie zouden wel vele jaren werk uitgespaard hebben, mochten ze van bij het begin co-scientist aan hun zijde hebben gehad. Dan zou de maatschappij misschien vandaag al baat hebben bij hun onderzoek, mogelijk onder de vorm van nieuwe antibiotica. Daar ligt dan ook de waarde van co-scientist: het doorploegt enorme hoeveelheden wetenschappelijke literatuur, over disciplines heen, formuleert nieuwe hypothesen op open vragen, en stelt navenant experimentele protocollen op, waardoor onderzoek en de maatschappelijke valorisatie ervan versnelt.

Uitmuntende assistent

Op hun blog beschrijven medewerkers van Google de AI-toepassing co-scientist als een “samenwerkingsmiddel dat experts helpt onderzoek te verzamelen en hun werk te verfijnen – het is niet bedoeld om het wetenschappelijke proces te automatiseren”. Die toevoeging moet wetenschappers geruststellen: co-scientist zal jullie werk niet overnemen, maar het verrijken. Dat is trouwens hoe tal van AI-systemen tegenwoordig worden omschreven. Begrijpelijk, want de projecties over jobverlies zijn niet lief. Het World Economic Forum voorspelt dat AI de komende jaren miljoenen meer jobs verloren zal doen gaan dan dat ze er zal creëren.

Hoewel co-scientist voorlopig een uitmuntende assistent lijkt die wetenschappers in staat zal stellen beter en sneller te werken, kan het evengoed, ondanks wat Google zegt, een stap zijn richting het omkeren van de rollen. Met steeds krachtigere AI zou de wetenschapper weleens een veredelde lab-assistent kunnen worden: de fysieke handen die AI nog ontbeert om de experimenten uit te voeren die ze nodig acht in ‘haar’ wetenschappelijk onderzoek. Wanneer de robotica ver genoeg zal staan om ook het experimenteren te automatiseren, dan zullen menselijke wetenschappers helemaal overbodig zijn.

Onszelf afschaffen

AI-toepassingen zoals co-scientist stellen ons voor een dilemma. Het maatschappelijke potentieel ervan is overduidelijk: we kunnen niet snel genoeg nieuwe oplossingen vinden voor de klimaatverandering, antibiotische weerstand, pandemieën en meer. Maar zullen we onszelf daarvoor moeten afschaffen? De voorspelde komst van Artificial General Intelligence (AGI) over enkele jaren belooft alleszins dat de mens voor veel zaken niet meer essentieel zal zijn. Zouden we onszelf elke rol van betekenis in de wetenschap ontnemen, opdat die daardoor sneller vooruit kan gaan?

Mensen vinden betekenis en voldoening in hun werk, ook wetenschappers. Hypotheses bedenken is een van de leukere, creatieve aspecten van het wetenschappelijke proces. Als we dat graag blijven doen, en dus als mensen op de hoogte willen blijven, zijn we dan bereid om misschien soms wat langer te doen over het oplossen van openstaande vragen en problemen?

Per discipline zal er een goede balans gezocht moeten worden. Waar het maatschappelijke nut groot en urgent is, zoals bij het ontwikkelen van nieuwe medicatie, zal de balans vermoedelijk richting AI overhellen, als het maar snel (en correct) verloopt. Maar in minder urgente gevallenmogen we de fundamentele waarde van zelf denken, zelf werken en zelf ontdekken niet onderschatten, zelfs al zullen we het op termijn misschien minder efficiënt doen dan AI. De zoektocht is namelijk in veel gevallen minstens even belangrijk als het eindresultaat, al was het maar omdat zelf wetenschappelijk onderzoek bedrijven van de wetenschapper een betere wetenschapper maakt.

Goddelijke AI, in wiens belang?

Origineel gepubliceerd in NRC.

Wat betekent de groeiende kracht van AI voor uw vakgebied, was de vraag. Maar nu is mijn vakgebied… de AI! Moet ik nu, op een meta-niveau, AI toepassen op de ontwikkeling van AI?

Volgens sommigen zou dat uitmonden in artificial superintelligence: een goddelijke AI die ofwel de wereld zal redden en ons onsterfelijk zal maken, ofwel ons zal uitmoorden of ons als organische slaven zal gebruiken. Want, intelligentie toegepast op het verbeteren van intelligentie, zonder de biologische grenzen die het menselijke lichaam kent, zou alleen maar kunnen leiden tot een punt dat vanuit ons nietige menselijke perspectief op oneindig lijkt te liggen. Bij God dus.

Zo zou AI een van ’s mensheids grootste dromen verwezenlijken. We zijn namelijk een godspelende soort: we willen zo graag onze beperkingen wegvagen, de wereld aan onszelf aanpassen en onszelf herschapen naar onze ideaalbeelden. Of de goden nu een mythologische projectie zijn van dat inherente verlangen om onszelf en de wereld te overstijgen, of dat we naar het evenbeeld van een god gemaakt zijn en daarom aldus verlangen, maakt niet uit: het verlangen zit er, en het zit diep.

Bewijs: de enorme wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de voorbije eeuwen die op veel vlakken onze levens verbeterd heeft. Zeker de AI-onderzoeker vandaag kan zich gemakkelijk in de plaats van de Schepper wanen: we kunnen tegenwoordig zelfs converseren met onze schepsels! Aangezien we als mensen echter blijven stoten op vervelende fysieke beperkingen, lukt het voorlopig niet om zelf als goden te worden. Daarom verschuiven we de hoop dus naar onze digitale schepsels, die schijnbaar minder begrensd zullen zijn.

Maar welk soort god hopen we dat onze artificial superintelligence zal zijn? OpenAI-topman Sam Altman wil graag een superintelligence die de mensheid zal helpen floreren. Hij hoopt dus op een rooskleurige toekomst onder de auspiciën van een onzelfzuchtige god die
het algemene belang dient. Alleen lijken AI-ontwikkelaars zelf niet altijd het algemene belang te dienen. Regelmatig gaan de belangen van aandeelhouders voor.

Kijk maar naar OpenAI, dat als non-profit gesticht werd maar ondertussen ook een commerciële tak heeft. Bij sociale media weten we dat het mentale welzijn van gebruikers wordt opgeofferd uit winstbejag. Zal dat bij AI anders zijn?

Kan men een altruïstische goddelijke AI ontwikkelen als men zelf de financiële belangen van enkelingen dient en daarvoor kapitalistische mensenoffers eist? Zal de superintelligence die daaruit voortkomt niet eerder die van de doemscenario’s uit de science fictionzijn? Als je een nefaste bias oneindig vergroot, krijg je dan niet eerder een duivel dan een god?

“With great power comes great responsibility” stelt het Engelse gezegde. Het is essentieel dat zij die in de voorhoede van de AI-ontwikkeling staan niet zichzelf of een selecte groep dienen, maar het algemene goed. Anders riskeert de artificiële god die ze willen creëren dat ook niet te gaan doen, met alle gevolgen van dien.

En toen schiep de mens artificiële intelligentie: vooruitgang of hoogmoed?

Origineel gepubliceerd op Knack.

“U zult zoals God zijn,” beloofde de slang aan Eva. “Laat ons een toren maken die tot de hemel reikt,” besloten de Babelse bouwers. “Ik ben god!” riep farao in de film Exodus: Gods and Kings. Deze verhalen uit de Joodse traditie belichten een diep menselijk verlangen: iets in ons wil al onze beperkingen overstijgen, de wereld volledig naar onze hand zetten en elk verlangen bevredigd zien.

Kortom: we willen als goden zijn. Vaak met catastrofale gevolgen, volgens die verhalen: Adam en Eva moesten het paradijs uit, Babel eindigde in spraakverwarring en farao verdronk met zijn leger in zee. Bij de Grieken vertaalt Icarus’ fatale vlucht langs de zon hetzelfde patroon: hoogmoed komt voor de val.

In de 21e eeuw staat de mensheid dichter dan ooit bij haar gedroomde goddelijkheid. We overwonnen de dodelijkste ziekten en zijn steeds minder sterfelijk. Om in de hemel te komen hebben we geen torens meer nodig, want met raketten landen we zelfs op de maan. De wetenschap brengt ons steeds dichter bij de alwetendheid. Met hologrammen brengen we doden zoals Elvis weer tot leven. En dankzij AI kunnen we wezens scheppen naar ons evenbeeld, zoals Marcy Cortega, de AI-gegenereerde popster, of, nog sterker, artificial general intelligence, AI met de capaciteiten van een mens: OpenAI CEO Sam Altman stelde deze week te weten hoe dat moet gebouwd worden en zou het willen verwezenlijken binnen het presidentschap van Trump.

Vooruitgang of hoogmoed?

Al eeuwenlang is frustratie over onze beperkingen een drijvende kracht in de technologische vooruitgang. We verwierven een ongeziene mate van controle over de wereld en hebben zo de levens van velen gezonder, langer en kwaliteitsvoller gemaakt. Vandaag zetten we dat élan voort, hopende dat steeds minder beperkingen de mens van zijn volle potentieel zullen houden. Volgens transhumanisten zal zelfs onze grootste begrenzing het begeven: door ons bewustzijn over te zetten naar een computer zouden we de dood overwinnen en homo deus worden.

Vooruitgang wordt echter hoogmoed wanneer we arrogant elke grens verleggen en elk verlangen bevredigen terwijl we de gevolgen ervan niet begrijpen of ontkennen. In onze drang naar technologische groei hebben we de natuur geplunderd, maar beseffen nu dat zelfs water in ons natte België niet onuitputtelijk is. Onze industrie heeft zoveel gas gegeven dat het klimaat verandert en extreme weerspatronen vele levens bedreigen. De ingenieuze elektronica die ons digitale superkrachten geeft is gebouwd op slavernij in Afrikaanse metaalmijnen. We zijn steeds meer geconnecteerd dankzij sociale netwerken, maar hun verslavende algoritmes dragen bij tot mentale problemen en polarisatie.

Na het hoogmoedig verleggen van onze grenzen komt vaak een pijnlijke val en moeten we geschaafd terugkrabbelen, grenzen herontdekken en die gedisciplineerd leren respecteren, als het niet te laat is: water duurzaam beheren, minder broeikasgassen uitstoten, mijnwerkers correct vergoeden, stoppen met doomscrollen.

Generatieve AI

Nog maar twee jaar geleden braken generatieve AI-systemen door. Als we een nieuwe hoogmoed-en-val cyclus willen vermijden, dan moeten we goed nadenken over welke grenzen we kunnen verleggen en wat de gevolgen daarvan zijn. Helaas lijken we opnieuw blind vooruit te lopen, want je zou maar eens je marktaandeel zien slinken. Generatieve AI is de wieg nog niet ontgroeid, maar wordt al massaal ingezet: vooral voor onschuldige optimalisaties, maar enkele toepassingen doen de grondvesten van onze maatschappij daveren.

Het onderwijs zit met de handen in het haar: door ChatGPT moet niet alleen evaluatie volledig herdacht worden, maar zouden studenten ook essentiële vaardigheden niet meer leren. In onze geïndividualiseerde samenleving lijden we psychologisch onder een schaarste aan menselijk contact, en toch, of daarom, ontwikkelen steeds meer mensen relaties met chatbotssexuele rollenspellen vormen zelfs het tweede meestvoorkomende gebruik van ChatGPTGoogle stootte ondertussen 48% meer broeikasgassen uit door generatieve AI. En experts zoals Altman die artificial general intelligence nastreven waarschuwen paradoxaal zelf dat die technologie een existentiële bedreiging kan vormen voor de mens, vegelijkbaar met nucleaire wapens.

De vraag is: wat zijn de gevolgen van het ongebreideld scheppen en in gebruik nemen van AI-systemen? Worden we hier collectief beter van of zullen we net als Dr. Frankenstein hoogmoedig grenzen overschrijden waar we later spijt van krijgen? Het is niet omdat het kan en goed voelt, of geld opbrengt, dat het op de lange termijn ook goed is.

Gezonde grenzen

In ons streven om zo onbeperkt te worden als God hebben we onze wereld getransformeerd en nieuwe virtuele werelden geschapen. Alleen ontdekken we soms dat we er niet goed in gedijen, omdat we er niet voor geschapen zijn. Wij en de wereld zijn niet oneindig maakbaar maar inherent begrensd. Blind technologisch vooruitstormen vanwege een vooruitgangsideologie die alle grenzen wil wegvagen – of omwille van het geld – is hoogmoedig.

Laat ons duidelijke grenzen aflijnen voor het gebruik van AI. De EU AI Act-regelgeving is maar een eerste stap.

We moeten luisteren naar onze wijsheidstradities en moderne psychologen die aangeven wat goed is voor de mens en zo bepalen welke grenzen we wijselijk kunnen verleggen. De knapste AI-koppen en bedrijven kunnen op basis daarvan vooruitgang maken – traag maar zeker – ten goede van iedereen. Nu is het te vaak zo snel mogelijk, ten goede van een elite en ten koste van de rest. AI kan helpen de grootste uitdagingen van onze tijd aan te gaan: zo draagt ons lab bij aan oplossingen voor klimaatverandering en pandemieën. Maar AI kan ons ook té dicht bij de zon doen vliegen. En dan zal de val onvermijdelijk diep zijn.

AI brengt niet overal vooruitgang: wat we van 19de-eeuwse wevers kunnen leren

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Technologiebedrijven dreigen de creatieve sector te plunderen. Volgens een studie in opdracht van auteursrechtenvereniging Cisac mogen muzikanten en audiovisuele artiesten tegen 2028 rekenen op een inkomstenverlies tussen de 21 en 24 procent (DS 4/12). Beelden, muziek, stemmen en ondertitels in videospellen, films, tv-series en stockbibliotheken zullen steeds meer gegenereerd zijn door AI. De verloren inkomsten zouden grotendeels naar AI-platformen gaan.

In andere creatieve sectoren vreest men de toekomst eveneens. Deze krant schreef over een experiment van de Nederlandse uitgeverij VBK (DS 27/11). Tien fictietitels zouden met AI vertaald worden en zo tegen een lage kostprijs op de lucratieve internationale markt belanden, tot consternatie van auteurs en vertalers. In Hollywood protesteerden acteurs en schrijvers maandenlang tegen de plannen van studio’s om hun werk te automatiseren met generatieve AI. En er lopen ettelijke rechtszaken tegen AI-reuzen over het gratis gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal bij het trainen van populaire AI-modellen.

Kunstenaars, artiesten en makers van diverse pluimage verzetten zich begrijpelijk tegen deze vierde industriële revolutie. “Luddieten”, klinkt het verwijt vanuit de techsector.

Ambachtelijke wevers

In het pre-industriële Engeland met zijn belangrijke textielnijverheid liepen vele wevers rond. Dat waren ambachtslui die thuis kleren produceerden met het hele gezin en een handweefgetouw. Voor ondernemers met geld om te investeren in de vroegkapitalistische 19de eeuw was het idee van een fabriek echter interessanter: dankzij mechanische weefgetouwen zouden meer kleren goedkoper en sneller geproduceerd kunnen worden. Ambachtelijke wevers kwamen hiertegen in opstand, organiseerden zich rond de mythische figuur Ned Lud en vernielden fabrieksweefgetouwen met de hamer in de hand. Vandaar de term ‘luddiet’, die wijst op de angstige verwerping van schijnbaar bedreigende nieuwe technologie.

Alleen verwierpen de originele luddieten niet de technologie an sich. Het waren vaak technologisch bekwame mensen. Wel klaagden ze de technologische vooruitgang aan die 1 procent van de bevolking liet profiteren ten koste van de rest. Want fabrieken stelden ongeschoolde mensen, vaak kinderen, te werk voor erbarmelijke lonen en leverden kledij af van lage kwaliteit, ver onder de prijs van handgeweven kleren. De ambachtelijke wevers verloren niet alleen hun levensonderhoud, maar ook de waardigheid die ze in hun werk en de kwaliteit van hun producten vonden. Met hun verzet eisten luddieten van de fabrieken een menswaardig loon, scholing voor arbeiders via de gilden, afschaffing van kinderarbeid en kwaliteitswerk. Het waren dus geen technologiehaters, maar vakbondsmensen avant la lettre.

Vandaag is het luddisme weer relevant. Technologische vooruitgang riskeert opnieuw vooral de rijkste 1 procent nog rijker te maken. Zij investeren massaal in gehypete AI-bedrijven. Opnieuw dreigen creatieve ‘ambachten’ verloren te gaan en vaklui hun werk te verliezen. Maar deze keer is het niet gegarandeerd dat er ook nieuwe jobs gecreëerd zullen worden, AI zou uiteindelijk alle cognitieve arbeid kunnen overnemen. Opnieuw wordt duurdere kwaliteit opgeofferd voor goedkopere kwantiteit: AI-vertalingen moeten bijvoorbeeld door een redacteur op niveau getrokken worden. En er schuilt opnieuw vaak onderbetaalde en zelfs uitgebuite arbeid achter de nieuwe technologie: Kenianen voeren kwaliteitscontroles uit op ChatGPT voor minder dan 2 dollar per uur.

Moderne luddieten

Moderne luddieten verzetten zich dus. Niet tegen nieuwe technologie. Niet tegen AI an sich. Want ook creatievelingen experimenteren met AI. Wel tegen het uitbuitend gebruik ervan dat mensen degradeert en onderdrukt en economische ongelijkheid vergroot. Datacenters worden nog niet kort en klein geslagen, want vandaag zijn er vakbonden en democratische principes die de neoluddieten vreedzame uitwegen bieden.

Europese auteurs moeten collectief hun werk weerhouden van AI-datasets, stelt de voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging. In Hollywood leidden de stakingen tot garanties voor acteurs en scenaristen dat het gebruik van AI in hun handen blijft en dat filmstudio’s hen er niet door mogen vervangen. Visuele artiesten manipuleren hun beelden zodat AI-systemen erdoor verward worden of – met een vleugje klassiek luddisme – erdoor kapotgaan. Essentieel voor het success van neoluddieten is dat ze zich verenigen en gezamenlijk een vuist maken. Anders walst de techsector hen plat.

Technologische vooruitgang heeft onze levenskwaliteit enorm verbeterd. AI kan dat ook – zie de Nobelprijs voor chemie deze week voor Demis Hassabis. Onder zijn leiding bracht Google Deepmind een doorbraak teweeg in medisch onderzoek door de 3D-structuur van miljoenen eiwitten te voorspellen. Waar AI echter niet het algemeen belang dient, maar slechts de nu al volle zakken van een selecte club verder vult, terwijl de rest verarmt en gedegradeerd wordt, daar moeten we vragen: is dat vooruitgang?

AI is niet in elke context wenselijk. Soms verdient het de hamer. En dan is ‘luddiet’ geen scheldwoord, maar een ereteken.

We zijn wezens, geen breinen die we best naar het metaversum uploaden

Origineel gepubliceerd in De Morgen.

Apple lanceerde onlangs een reclamefilmpje voor de nieuwste iPad. Het begint met het beeld van een hydraulische pers hangend boven een piano, camera’s, boeken, een klassieke buste en meer. Allemaal symbolen van menselijke creativiteit. De pers daalt neer en verpulvert alles. Vervolgens onthult ze de dunste iPad ooit. De idee: de iPad vervangt al deze culturele objecten.

Hevige reacties online leidden tot excuses van Apple, dat liet weten de bal te hebben missgeslagen. Alleen: het filmpje is waarheidsgetrouw; een metafoor voor de groeiende mogelijkheid om fysieke, menselijke activiteiten te vervangen door ‘efficiëntere’ en meer democratische digitale varianten. Want dat is de positieve kant: voor de prijs van een tablet kan iedereen een piano bespelen, schilderijen maken en boeken lezen. Qua plaats- en kostenbesparing kan dat tellen.

Zo worden deze hobby’s beschikbaar voor een breder publiek. Alleen zijn dat niet meer dezelfde hobby’s. Een scherm aanraken is niet hetzelfde als een gewichtige toets aanslaan op een piano. Stroperige olieverf op een doek uitsmeren wordt op de iPad een één-dimensionaal proces. Zelfs een fysiek boek lezen heeft mentale voordelen die een digitale versie niet heeft.

Menselijk contact

Het onderzoeksrapport Apestaartjaren beschrijft het mediagebruik van kinderen en jongeren en levert een tweede voorbeeld van dit fenomeen. Een van de onderzoekers vertelt over een tiener die ’s nachts angstig wakker werd en naar een AI-chatbot greep om even te praten. Vermoedelijk kon de tiener bij niemand anders terecht. We mogen dankbaar zijn dat een chatbot voorhanden was.

Maar zijn we het er over eens dat de langetermijnoplossing iets anders is? Namelijk: ervoor zorgen dat tieners mensen kennen waarmee ze kunnen praten. 20 procent van de bevraagde kinderen geeft aan chatbots te gebruiken als praatvriend. Maar een chatbot kan menselijke interacties niet vervangen. Zéker niet in gevoelige situaties. Meevoelen, lichaamstaal lezen, de ander begrijpen vanuit eigen ervaring, doorleefde wijsheid delen: een chatbot kan dat niet.

Een laatste voorbeeld: OpenAI presenteerde recent de laatste versie van ChatGPT. Deze variant kan dankzij spraak- en visietechnologie nu heel natuurlijk interageren en zelfs liedjes zingen en kledingadvies geven. Héél indrukwekkend. Een promotiefilmpje toont hoe deze versie ook als geduldige en deskundige huiswerkbegeleider kan functioneren. De tijd is voorbij dat ouders naast hun kinderen zwoegden over taken die ze maar half begrepen. Een populaire commentator jubelde: “ChatGPT veranderde van wat tekst in een app in een vriend, leraar en mentor. De toekomst is nu!”

Maar willen we ook deze, toegegeven, soms vervelende interactie met onze kinderen opgeven? Het zou de druk op vele ouders verlichten. Maar kinderen steeds een gsm in de hand stoppen doet dat ook, en daarvan weten we dat dat niet goed afloopt. Hoe zullen we onze kinderen nog leren kennen en opvoeden? Hoe zullen zij leren omgaan met anderen als ze steeds achter schermen zitten en met chatbots spreken?

Discipline

Onze fysieke, multisensorische activiteiten worden steeds meer verdrongen door ‘efficiëntere’, maar armere digitale alternatieven. Dat dit soms nodig is, klopt: om de druk op ouders te verlichten, om een eenzame tiener te troosten, om kansarme kinderen een piano te geven. Alleen, op de lange termijn is dat geen oplossing.

Ik ben geen luddiet, maar ik ben wel bezorgd om het mensbeeld achter deze ontwikkelingen. We zijn belichaamde wezens, gemaakt voor een fysieke wereld en menselijk contact ‘van aangezicht tot aangezicht’; geen breinen die we best naar het metaversum uploaden om ons te bevrijden van fysieke beperkingen. Die beperkingen zijn inherent aan ons mens-zijn: het is met bloed, zweet en tranen dat we uitvinders, kunstenaars en vakmensen worden, niet door steeds voor snelle AI-oplossingen te kiezen. Het is door samen te zijn en soms samen vervelende dingen te doen dat de menselijke relaties ontwikkelen die essentieel zijn voor ons welzijn.

Technologie kán ons helpen om meer mens te worden, maar dan moeten we ze goed gebruiken. We moeten een sterk mensbeeld voor ogen houden en technologie er ondergeschikt aan maken. Dat vergt discipline en het vermijden van ‘efficiënte’ kortetermijnoplossingen. Soms is inefficiënt zijn het beste dat we kunnen doen, als het betekent dat we meer aandacht zullen hebben voor elkaar in de echte wereld.

Misbruik van AI is symptoom van diepere kwaal aan universiteiten

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Wetenschappelijk onderzoek lijkt ons nu al onmogelijk zonder AI”, kopte De Standaard donderdag. Het is wat straf uitgedrukt misschien, maar dat het onderzoek in heel wat disciplines versnelt dankzij AI, klopt helemaal. Op het AI-lab van de VUB gebruik ik ook enkele van de toepassingen die op basis van een rondvraag bij 17 professoren beschreven worden. ChatGPT als sparringpartner in korte digitale brainstormsessies, DeepL als uitmuntende vertaler voor Indo-Europese talen: het kan heel wat tijd besparen. Dat geldt ook bij onderzoek zelf, zoals geneticus Maarten Larmuseau stelt. Zo bouwde Google Deepmind een database met de door AI voorspelde 3D-structuren van 200 miljoen ­eiwitten. De structuur voor één eiwit in het lab bepalen, vergt soms jaren tijd en kan miljoenen euro kosten, dus de voorspellingen van Deepmind kunnen biologisch onderzoek enorm versnellen.

Dat AI ook op een kwalijke manier gebruikt kan worden, is niet onbekend. Alle technologie kan misbruikt worden. Dat wordt ook in het opiniestuk erkend. Voorbeelden zijn studenten die taken met generatieve AI produceren of academici die papers niet meer zelf reviewen maar dat heimelijk overlaten aan ChatGPT. Ook in ons lab worden we daarmee geconfronteerd via generieke AI-gegenereerde motivatiebrieven van kandidaat-doctoraatsstudenten. De proffen die voor het artikel in deze krant bevraagd werden, zijn er wel van overtuigd dat ze voorlopig nog het verschil kunnen zien tussen een paper uit de pen van een mens en één gegenereerd met AI.

Zonder menselijke inbreng

Ik ben er alleen niet van overtuigd dat dat onderscheid in de praktijk altijd gemaakt wordt. Zo verscheen onlangs in het tijdschrift Surfaces and Inter­faces van de grote wetenschappelijke uitgever Elsevier een paper die begint met: Certainly, here is a possible introduction for your topic … Die zin is onmiddellijk herkenbaar als het begin van een ChatGPT-antwoord op een prompt.

Wat is er waarschijnlijk gebeurd? De auteurs genereerden hun introductie met ChatGPT en namen die klakkeloos over in de paper. Nadien keurden de reviewers die Elsevier aanstelde om de paper te evalueren, die goed zonder die (grondig) te lezen. Daarna publiceerden de editors van Surfaces and Interfaces de paper, eveneens zonder die (grondig) na te lezen. Het is een academische schande die niet tot deze ene paper beperkt blijft. Er zijn honderden papers te vinden met gelijkaardige zinnen die het onverantwoord gebruik van ChatGPT verraden.

Systemen als ChatGPT gebruiken bepaalde woorden veel frequenter dan mensen. Het Engelse woord to delve (opdiepen) bijvoorbeeld is er zo een. Als men naar het gebruik van dat woord zoekt in enkele reusachtige ­databanken met medische publicaties, ziet men dat tot 2022 dat woord tussen de 0,31 en 0,56 keer voorkwam per 1.000 papers. In 2023 stijgt dat plots tot 7,9 keer per 1.000 papers. Dat ChatGPT daarvoor verantwoordelijk is, is hoogstwaarschijnlijk: het systeem werd eind 2022 gelanceerd. De vraag is nu: hoeveel van die papers werden enkel verbeterd met ChatGPT, en bij hoeveel werden er stukken integraal door ChatGPT geschreven, zonder menselijke inbreng?

Publicatiedrift

Toch is AI niet het probleem. Dat AI onverantwoord gebruikt wordt, is veeleer symptomatisch voor een dieper falen van de academische wereld. De druk om te presteren ligt zo hoog bij academici dat de shortcuts die AI aanbiedt, heel aantrekkelijk kunnen zijn. Die academische druk wordt wel eens beschreven als publish or perish (“publiceer of ga ten onder”). De logica van marktconcurrentie in de academische wereld leidt tot ongezonde competitie tussen collega’s en universiteiten.

Er wordt te veel naar kwantitatieve metrieken gekeken om te oordelen wie het goed doet, wie een academische positie kan verwerven, of wie fondsen toegekend krijgt. Hoe meer papers, hoe beter. Hoe vaker je reviewt voor een journal, hoe beter. Hoe meer master- en doctoraatsstudenten je doet slagen, hoe beter. Op die manier wordt een klimaat geschapen waarin kwantiteit primeert op kwaliteit, net als in een kapitalistische vrije markt. En daar lijdt de wetenschappelijke output onder, met als gevolg ChatGPT-papers.

Is het niet tijd om opnieuw na te denken over andere modellen voor de academische wereld? De wetenschap is toch een publieke aangelegenheid, waarbij iedereen ideaal gezien samen streeft naar het algemene goed? Waarbij iedereen het succes van een ander kan vieren als vooruitgang voor de gemeenschappelijke wetenschappelijke inspanning? Kunnen we niet een omgeving creëren waarbij de noodzakelijke verantwoording en transparantie hand in hand gaan met de gezamenlijke hogere doelen van de wetenschap, waarbij vooral kwaliteit op de lange termijn belangrijk is?

We mogen individuele wetenschappers niet ontslaan van de eigen verantwoordelijkheid om de wetenschap op een ethische manier te ­bedrijven. We kunnen hen daarbij wel helpen door een gezondere context te scheppen die meer samenwerking en kwaliteit bevordert en de bureaucratische last verlicht. Dan zal er minder druk zijn om AI te misbruiken.

Generatie generatieve AI

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Smartphones ontwrichten scholen”, kopte deze krant (DS 4 maart). Een generatie na de intrede van de smartphone (de iPhone in 2007) en sociale media (Facebook in 2004) hebben scholen er genoeg van. Want leerlingen praten niet meer met elkaar, kunnen zich niet meer concentreren en pesten elkaar online.

Het brede literatuuronderzoek van de Amerikaanse sociaal psycholoog Jonathan Haidt koppelt smartphone- en sociale­mediagebruik voorts ook aan de sterke stijging in mentale aandoeningen onder jongeren. Slaaptekort, verbrokkelde aandacht, verslaving en sociale vergelijking leiden tot een toename van depressie, angst, en zelfs zelfverminking en zelfdoding.

We hebben een generatie lang de bedrijven achter die systemen op ons laten experimenteren, terwijl zij in de eerste plaats uit zijn op winst en niet op ons welzijn. Sho­shana Zuboff beschrijft in The age of surveillance capitalism hoe Facebook en co. onze aandacht zo lang mogelijk proberen vast te houden – ze maken ons afhankelijk en verslaafd – om zo meer data te vergaren en ons meer gepersonaliseerde advertenties voor te leggen. Gelukkig is er een toenemend bewustzijn over die problematieken en nemen we er stilaan individueel en collectief maatregelen tegen. Ik hoop dat mijn kinderen – nu nog kleuters – opnieuw een betere schoolervaring zullen hebben, waarbij sociale media en smartphones een kleinere en positievere rol zullen spelen.

Alleen zijn er tegen dan waarschijnlijk nieuwe technologische problemen. Gisteren kopte deze krant: “Bijna helft van jongeren gebruikt maandelijks ChatGPT.” Na de internetgolf in de jaren 90 en de smartphonegolf in de jaren 2000 is er nu artifi­ciële intelligentie. Vooral de generatieve AI lijkt onstuitbaar. Zullen we uit kapitalistische over­wegingen – 48 procent van de Vlamingen gelooft dat generatieve AI ons zal helpen sneller en efficiënter te werken – opnieuw een grootschalig experiment lanceren en pas na 15 tot 20 jaar de balans opmaken? Zullen we dan we niet op dezelfde manier moeten concluderen dat ook generatieve AI studenten en scholen ontwricht? Deep­nudes zijn volgens Child Focus nu al een belangrijk probleem onder jongeren. Uit een Amerikaanse peiling blijkt dat 13 procent van de bevraagde studenten ChatGPT gebruikt om met psychologische en relationele problemen om te gaan – een zorgwekkende statistiek, al was het maar omdat ChatGPT neigt tot hallucineren. Collega’s op de VUB worden overspoeld door generieke motivatiebrieven van aspirant-doctoraatsstudenten, geschreven met ChatGPT. Waar is het kritische denken naartoe?

Er zijn veel goede toepassingen voor generatieve AI. Maar er zijn er ook erg slechte, die aantrekkelijk blijken. Als we niet goed het onderscheid maken en navenant reguleren, uit angst om de kapitalistische boot te missen, zetten we opnieuw het welzijn van een generatie op het spel met onbeproefde technologieën.