Origineel gepubliceerd in De Standaard.
Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.
Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.
Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?
Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.
Vrij denken
Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.
Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.
Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.
En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.
Frictieloze utopie
Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?
Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.


