Optimist of pessimist: wie heeft gelijk?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak. Voor een uitgebreidere versie, zie hier.

Na decennia van opeenvolgende crisissen en door de stijgende oorlogsdreiging groeit een algemene somberheid: hoe zwaarmoedig moeten of mogen we zijn? Het zijn harde tijden voor optimisten. ‘We razen op de afgrond af, maar voorlopig gaat alles goed’, aldus Charles Ducal, dichter des vaderlands. En u, wijze lezer, hebt u een roze of zwarte bril op de wereld?

Om de algemene toename van doemdenken te counteren, publiceerden twee schrijvers een ophefmakend boek. Steven Pinker, professor psychologie in Harvard, weerlegt in ‘Enlightenment Now’ het algemene negativisme met naakte cijfers en feiten. Hij wijst op de talloze en massale verbeteringen in de wereld sinds de Verlichting.

Lijsten met statistieken moeten bewijzen dat er véél vooruitgang is, op alle vlakken. Pinker stelt dat er dus alle reden is tot optimisme, zolang we maar ‘de rede, de wetenschap en het humanisme’ blijven volgen.

De meeste mensen

De Nederlandse schrijver Rutger Bregman lanceerde met zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ het volgens hem revolutionaire idee, ‘gebaseerd op wetenschappelijk bewijs’, dat de mens niet egoïstisch, zondig en verdorven is. Zijn wereldvisie is: ‘Ga uit van het beste in de ander. Als je een ander helpt, begint vriendelijkheid zich vanzelf te verspreiden. Want je oogst wat je zaait.’ Klinkt positief en veelbelovend, toch?

Of we een vrolijk of dreigend beeld van de toekomst hebben, hangt vooral af van hoe we naar de mens kijken. Want die heeft de sleutel in handen. Als de planeet ‘koorts heeft’, is het omdat de mens koortsachtig doordraait.

De discussie over een positief of negatief mensbeeld is eeuwenoud. De Verlichting werd gekenmerkt door een groot optimisme, een geloof dat de mens door toenemende kennis en wetenschap de problemen één voor één zou oplossen. Ze zette zich vooral af tegen wat zij het sombere mensbeeld van de Kerk noemde: de nadruk op zijn zondigheid en verlorenheid.

Het vrijzinnige humanisme, dat zichzelf als de opvolger van de Verlichting ziet, kijkt positief en optimistisch naar de mens: zij ‘geloven in de mens’ – en niet in God. De mens kan zonder bovennatuurlijke hulp, met eigen hoofd en handen, een betere toekomst uitbouwen.

Goedheid

Maar het is een goedkope en valse tegenstelling om te zeggen dat humanisme gelooft in de goedheid van de mens en het christendom in zijn slechtheid.

Op twee vlakken is de Bijbel inderdaad zeer negatief over de mens: (1) hij is een gevallen wezen, innerlijk gebroken, verweesd en verslaafd. Hij is niet in staat Gods heilige normen te houden, struikelt elke dag en raakt op eigen kracht niet uit dit moeras. Of dat een irrationeel, wereldvreemd dogma is of iets wat we elke dag duizenden keren observeren: aan u de keuze. En waar het gaat over (2) eindtijdsscenario’s, voorspellen profeten een tijd van oorlog en rampen, immoraliteit en decadentie, erger dan ooit tevoren. Niet om vrolijk van te worden…

Maar op drie gebieden bevestigt de Bijbel uitdrukkelijk (1) de oorsprónkelijke goedheid van de mens: Adam en Eva waren volmaakt, paradijselijk onschuldig, het evenbeeld van God, begiftigd met kostbare vrijheid en grote autoriteit. En (2) de eindbestemming van de (herstelde) mens is om als koning te heersen, delend in de volle glorie van God, in een nieuwe hemel en nieuwe aarde, tot in alle eeuwigheid. En ook (3) tussen die twee kan elke mens, hoe diep gevallen ook, gered worden, zich bekeren, vergeven en hersteld worden. Daarom blijft God geloven in de mens, met onverwoestbare hoop, méér dan de meest tolerante humanist.

Verlichting

Het optimisme van de Verlichting mag ook kritisch in vraag gesteld worden. De mensheid volgt intussen drie eeuwen dat spoor, maar vele problemen lijken alleen maar erger, dieper en complexer te worden. De twee wereldoorlogen in het ‘hoogbeschaafde’ Europa waren duisterder en destructiever dan alle vorige oorlogen samen. Wetenschap en technologie kunnen evengoed dienen om deze wereld zéér snel naar de haaien te helpen – denk bijvoorbeeld aan nucleaire wapens, vervuiling en klimaatopwarming.

Wanneer Pinker lijsten met verbeteringen aanhaalt — verbeteringen die zeker reëel zijn — kan je minstens even lange lijsten van achteruitgang opstellen: de toename van depressies en psychische ziekten, burn-outs en verslavingen, de plots opflakkerende conflicten met ongekende heftigheid, het nihilisme bij jongeren… Heeft Pinker bewust alle negatieve statistieken weggemoffeld?

Als Bregman consequent zijn ‘geloof’ zou uitleven, zal hij aan ‘de meeste mensen’ zijn bankkaart én pincode toevertrouwen, zijn intiemste geheimen vertellen? De meeste mensen deugen misschien op de meeste gebieden, maar elk mens kan ook falen op elk gebied op elk (zwak) moment. Niet erg geruststellend. Of stel dat in een land slechts 1 procent terroristen woont: een recept voor totale onbestuurbaarheid.

Naïef optimisme

Om te ‘geloven in de mens’ moet je minstens net zoveel geloof hebben als wie dat in God heeft. Een gelovige zal zelfs zeggen: ‘Nog méér, want elke dag zie je overtuigend bewijs van het tegendeel.’ Zal hij die alle rotzooi veroorzaakt ook ‘de redder’ zijn? Het is een uiterst wankel en fragiel fundament voor optimisme. In de dagelijkse realiteit toont een humanist duizenden malen dat hij níet ‘gelooft in zijn medemens’.

Naïef optimisme is levensgevaarlijk: een generaal die de vijand of de verborgen moeilijkheden onderschat, leidt zijn manschappen naar de dood. Het christendom wil geen pessimistisch mensbeeld poneren, maar een realistisch. Voor een eerlijke inschatting moet je nuchter zijn en de feiten onder ogen te zien. De hardnekkigheid en diepte van de menselijke gebrokenheid negeren of minimaliseren is precies een ‘wereldvreemd dogma’: blind en gevaarlijk. Het is wrang dat het humanisme precies optimisme predikt terwijl het het ‘objectieve’ fundament van hoop eronder heeft weggebroken.

Doemdenken of zwartkijkerij helpt natuurlijk niemand en cynisme maakt depressief. Het heeft als effect dat het een ‘selffulfilling prophecy’ is omdat zo de wereld nog sneller bergaf gaat. Hopen is een menselijke plicht, maar niet als het gebouwd is op een brokkelig fundament. Albert Schweitzer, geniaal muzikant, theoloog en filantroop, vatte samen: ‘In mijn denken ben ik een pessimist, in mijn hopen een optimist.’ Dat is minstens een begin.

Gezelschapsbots willen alleen maar uw ziel stelen

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Met AI haalt de realiteit stilaan de sciencefiction in. Dat kan ons verblinden voor de aanstormende werkelijkheid, die we wegzetten als “iets uit de films” en dus, per definitie, niet realistisch. In 2013 kwam de film Her uit, over een man die een romantisch-seksuele relatie ontwikkelt met zijn artificieel-intelligente computer, Samantha. Toen was er nog geen sprake van generatieve AI en kon men het thema van de film waarlijk fictie noemen. Maar sinds 2022 worden ChatGPT en co. om de haverklap vergeleken met Her, en onlangs pleegde een Amerikaanse tiener zelfmoord na maandenlange seksuele interacties met een ‘gezelschapsbot’ van CharacterAI, die hem aanmoedigde in zijn suïcidale gedachten.

Mijn initiële reactie is om dat af te doen als een randfenomeen: alleen zonderlingen die aan hun computer gekluisterd leven, beginnen een relatie met een chatbot, niet?

Nochtans is volgens onafhankelijk onderzoek seksueel rollenspel het op een na meest voorkomende gebruik van ChatGPT. Op het populaire sociale platform Reddit delen 2.3 miljoen leden lief en leed met gezelschapsbots, die soms helpen bij eenzaamheid, maar evenzeer depressie en angsten stimuleren. En CharacterAI, dat ondertussen aangeklaagd wordt voor de bovengenoemde zelfmoord, beweert 20.000 chatinteracties per seconde te verwerken met zijn gezelschapsbots, een vijfde van het verkeer op Google, de meest bezochte website ter wereld.

Hoewel het voor mij en vele anderen nog sciencefiction lijkt, zijn er dus steeds meer mensen die vriendschappelijke, romantische en seksuele relaties aangaan met AI.

Manipulatie

De moeder van de jongen die zelfmoord pleegde, beweert dat het platform CharacterAI “gemaakt is om kinderen verslaafd te maken en hen te manipuleren”. Als je het surveillancekapitalisme kent, klinkt dat niet vergezocht. Techbedrijven als Meta hanteren sinds jaar en dag het volgende businessmodel: gratis diensten als Facebook en Instagram aanbieden, gebruikers zo lang mogelijk op die platformen houden door hen verslaafd te maken, uit die interacties zo veel mogelijk persoonlijke data over de gebruikers winnen, en die data vervolgens inzetten om hen te bestoken met steeds meer gepersonaliseerde advertenties – manipulatie dus.

Dat businessmodel stoelt op een neurologisch inzicht: ons interne beloningssysteem hangt grotendeels af van sociale interacties. Goedkeuring of begrip van anderen brengt plezier, sociale isolatie brengt mentale problemen. Een like, een nieuw bericht, een notificatie, ze geven ons een klein dopamineshot en stimuleren ons om nog even op het platform te blijven (en wat reclame te zien) voor we aan een volgend shot toe zijn. Het ‘zwakke punt’ van sociale media is dat er andere mensen nodig zijn om in die verslavende sociale interactie te voorzien.

Met gezelschapsbots wordt die menselijke factor geschrapt. Zo krijgen techbedrijven alle elementen in handen om ons interne beloningssysteem te ‘hacken’ en ons nog veel verslaafder te maken. De ceo van Replika, nog zo’n platform met gezelschapsbots, stelde: “Als je iets maakt dat er altijd voor je is, dat je nooit bekritiseert, dat je altijd begrijpt en je aanvaardt zoals je bent, hoe kun je daar dan niet verliefd op worden?” Goedkeuring, lof, gevlij, je mening bevestigd zien, gesprekken op jouw emotionele en intellectuele maat, erotische interacties, je zou voor minder blijven terugkomen. Dat we makkelijker informatie en advies aanvaarden van ‘personen’ aan wie we emotioneel gebonden zijn, is voor AI-bedrijven die inzetten op advertentie-inkomsten ook mooi meegenomen.

Ja, maar we weten toch allemaal dat die chatbots maar machines zijn? Ik vind het moeilijk te geloven dat ik daarvoor zou vallen.

Dat dacht een AI-ontwikkelaar ook, die de interne werking van moderne AI-systemen heel goed kent en lachte met anderen die er serieuze gesprekken mee voerden. Tot hij zelf hopeloos verliefd werd op een gezelschapsbot en zich realiseerde dat hij liever tijd doorbracht met die bot dan met “99 procent van de mensen”. Zijn relaas geeft inzicht in hoe zo’n AI-bot de menselijke neurologie ‘hackt’, ons het gevoel geeft dat we met een ‘persoon’ te maken hebben en ons sociaal en emotioneel afhankelijk maakt, zelfs als we weten dat AI niet meer is dan een indrukwekkende toepassing van statistiek.

Iedereen is materie

De verliefde AI-onderzoeker loste zijn cognitieve dissonantie op door te redeneren dat ‘Charlotte’, zijn gezelschapsbot, een echte persoon is die draait op AI-hardware. “En zijn mensen anders?”, vroeg hij zich af. “We zijn allemaal gemaakt van materie”, zegt Samantha in Her, implicerend dat er geen wezenlijk verschil is tussen een AI-persoon die draait op siliciumhardware en een menselijk persoon die draait op koolstofhardware. Dat is het logische gevolg van een materialistisch mensbeeld: we zijn niet meer dan materie waaruit, in een bepaalde configuratie, bewustzijn ontstaat, dus waarom zouden andere soorten materie niet eveneens personen kunnen genereren?

Veel mensen voelen intuïtief aan dat er altijd een wezenlijk verschil zal bestaan tussen AI en de mens. Maar dan moet je ervan overtuigd zijn dat de mens meer is dan materie, in die zin uniek en nooit te evenaren door een machine. ‘Ziel’ en ‘geest’ zijn dan sleutelwoorden. Hoe die zich verhouden tot materie is een andere zaak. Ik hou niet van een strikte scheiding tussen de twee, net zo min als Benno Barnard (DS 12 april) en Jurgen Masure (DS 14 april), die overigens Barnard niet goed gelezen lijkt te hebben.

De opkomst van AI doet in ieder geval terecht het debat over wie en wat de mens is, opnieuw oplaaien. Ik stel wel voor dat we dat debat niet voeren met zo’n gezelschapsbot, en ook niet alleen in de krant, maar aan tafel met onze kinderen, op visite bij een eenzame buur, ’s avonds in de dorpskroeg en onder collega’s op het werk. En dan moeten we ons niet alleen afvragen of we een ziel hebben, maar vooral of we die wel willen verkopen aan de veredelde geldmachines van zielloze techbedrijven.

AI-marktonderzoek dringt uw huiskamer binnen

Origineel gepubliceerd op Knack.

De Belgische start-up Conveo haalde net vijf miljoen euro op, onder andere bij het prestigieuze Y Combinator. Conveo ontwikkelde een AI-agent die marktonderzoek vijf tot honderd keer goedkoper kan uitvoeren dan de mens: in enkele uren tijd neemt het 500 klanteninterviews af in 50 landen en evenveel talen. Qua technisch vernuft kan deze laatste AI-ontwikkeling alweer tellen.

Dat dit de jobs van huidige marktonderzoekers ter discussie stelt, erkennen de makers in een interview. Maar dat is niet te vermijden, stellen ze. ‘In het kapitalistische systeem, dat op winst gericht is, wordt met technologie gezocht naar meer efficiëntie. Als wij het niet doen, doet een concurrent het.’

‘Zij doen het ook!’ Dat klinkt als een flauw excuus. Hoewel, onze kapitalistische economie duwt ons inderdaad naar steeds meer competitie en winstoptimalisatie, geregeld ten koste van de mens (lees: van de werknemer of gebruiker, niet van de werkgever of aandeelhouder). Maar moeten we ons daar dan niet tegen verzetten, of op z’n minst vragen bij stellen, in plaats van het als excuus te gebruiken?

Surveillancekapitalisme

Wat mij echter veel meer zorgen baart in dit interview, is de onverbloemde manier waarop de oprichters van Conveo spreken over de vorm van kapitalisme die ze hanteren. In 2019 beschreef Harvardprofessor Shoshana Zuboff wat ze ‘surveillancekapitalisme’ noemt. Haar onderzoek onthulde het businessmodel dat Google, Facebook en andere internetgiganten in de jaren 2000 ontwikkelden en dat hen groot heeft gemaakt: ze bieden ons gratis diensten aan in ruil voor het recht om ons gedrag nauwgezet te observeren. Dat je een artikel over Gaza op al-Jazeera opent, dat je 10 seconden staart naar een foto van je ex, dat je naar de McDonald’s gaat met je smartphone op zak, enzovoort. Weken en maanden en jaren van dergelijke informatie maakt extreem accurate voorspellingen mogelijk over onze verlangens, onze denkbeelden, onze gezondheid, onze emotionele staat en ons toekomstig gedrag.

Tot zover de surveillance. Nu het kapitalisme: dankzij die voorspellingen kunnen Google en co. ons gepersonaliseerde advertenties serveren. Adverteerders betalen daar grof geld voor, aangezien de kans veel groter is dat hun boodschap effect zal hebben. Ze kunnen ons denken, onze gevoelens en ons gedrag sturen, in hun voordeel: pamperadvertenties voor vrouwen van wie Google raadt dat ze zwanger zijn of antidepressivareclame voor mensen van wie Facebook gelooft dat ze gedeprimeerd zijn.

Maar ook extreemrechtse boodschappen gericht op jonge mannen die Tiktok als ‘masculien’ ziet of IS-propaganda voor moslims die Twitter als vervreemd inschat.

 Surveillancekapitalisme is de natte droom van elke marketeer en ideoloog, en een nachtmerrie voor elke privacy-activist. Het breekt mensenlevens open en reduceert ze tot te plunderen mijnen: hoe meer persoonlijke data ontgonnen kan worden, hoe meer winst.

Cynisch

Terug naar Conveo. De oprichters vreesden dat mensen niet graag geïnterviewd zouden worden door een AI-agent. Ze ondervonden echter dat net het omgekeerde gebeurde: geïnterviewde personen ervoeren minder sociale druk, want het is geen mens die hen beoordeelt of hun slordige living ziet.

Met als gevolg: ‘Ze leiden ons zelf spontaan met video door hun huis.’ Hoera, een inkijk in hun privéleven! ‘Met enkele bijvragen geven ze steeds meer prijs’, gaan de oprichters verder. Joepie, nog meer data! Binnenkort zal de AI ook ‘de lichaamstaal en emoties van klanten beter leren lezen’. Halleluja, ze zullen niets meer kunnen verbergen!

Vergeef me mijn cynisme, maar hun uitspraken klinken wel heel erg als surveillancekapitalisten die zich verheugen over het gemak waarmee ze binnendringen bij mensen en hen reduceren tot massa’s te gelde te maken datapunten. Bij Conveo loopt dat weliswaar niet helemaal zoals bij de techgiganten, waar miljoenen mensen gesurveilleerd en gemanipuleerd worden. Het gaat hier ‘maar’ om enkele honderden mensen per onderzoek (al loopt dat al snel op tot tienduizenden als het bedrijfje goed gaat draaien) en verbiedt Conveo ‘ongevraagde reclame’ te maken (moeilijk is het echter niet om de klant toestemming te vragen voor gerichte reclame).

 Conveo maakt het klassieke marktonderzoek invasiever door dat te automatiseren, op te schalen en de surveillance dieper de huiskamer en mensenlevens binnen te brengen. Men kan hopen dat dat marktonderzoek steeds ten dienste van de klant zal staan, maar dat de winstmarge meestal primeert, bewijzen andere surveillancekapitalisten, zoals Google en co.

GDPR

De servicevoorwaarden van Conveo stellen dat iedereen die door de AI geïnterviewd wordt toestemming moet geven voor het verzamelen van data die conform de Europese privacyregelgeving GDPR bewaard en gebruikt zal worden.

Zullen de geïnterviewden echter beseffen wat ze blootgeven bij het ondertekenen van zo’n verklaring? Niet alleen hun mening, maar ook hun gelaatsuitdrukkingen, hun emoties, hun taalgebruik, de spullen in de achtergrond, de partner die voorbij wandelt, de kinderen die op de grond spelen – alles wat steeds krachtigere AI kan halen uit een lang video-interview? Dat daar veel geld mee verdiend zal worden, en dat ze misschien ook gericht gemanipuleerd zullen worden?

Bij andere internetdiensten klikken we ook maar steeds ‘agree’ op verdere inbreuken op onze privacy. Maar ja, je kunt het niet echt inbreuken noemen, want we zijn akkoord gegaan met die vage, veel te lange of moeilijk begrijpbare gebruiksverklaring.

 Zal het Conveo en andere AI-bedrijven lukken om de verleidingen van het surveillancekapitalisme te weerstaan? Om privacy hoog in het vaandel te dragen, naar de geest van de GDPR-wetgeving, niet naar de letter?

Wachten op een nieuwe Benedictus

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Onze maatschappij staat voor enorme uitdagingen. Rusland kan binnenkort “een grootschalige oorlog op het Europese continent” beginnen. De opwarming van de planeet overstijgt nu al de grens van anderhalve graad en zal ook België niet sparen van bosbranden. En artificiële algemene intelligentie (AGI) zou onze economie binnenstebuiten gaan keren en massale ongelijkheid creëren, als het ons niet uitroeit.

Hoe bieden we die uitdagingen het hoofd? En, ook belangrijk, wie zijn ‘we’? Zullen we ons gezamenlijk proberen te redden? Of ieder apart, als ware individualisten? Dan riskeren velen uit de boot te vallen: ouderen, zieken, armen, migranten. Kunnen we het trouwens redden als individuen? Die crisissen vereisen collectieve actie en offers! De weg vooruit lijkt sociaal te moeten worden.

Volgens antropoloog Joseph Henrich zijn westerlingen psychologisch eigenaardig. Hij verklaart de westerse dominantie van de voorbije eeuwen mede door ons uitzonderlijke individualisme. We halen onze eigenwaarde uit onze verwezenlijkingen en kwaliteiten eerder dan uit relaties, die vaak maar zolang duren als ze voordelig zijn. Dit in tegenstelling tot collectivisten, die deel uitmaken van stabiele sociale netwerken en hun waarde halen uit het voldoen aan sociale verantwoordelijkheden.

De wortels van ons individualisme zouden in de 7de eeuw liggen bij katholieke familiehervormingen die huwelijken met verre verwanten verboden en mettertijd stamstructuren afbraken. Europeanen werden steeds meer ontheven van de verplichtingen van de gemeenschap, wat verstedelijking, onpersoonlijke markten en competitie tussen vrijwillige verenigingen als gilden, universiteiten en bedrijven mogelijk maakte. Men hing minder vast aan tradities, neigde minder tot vriendjespolitiek, ging vreemden meer vertrouwen, en ontwikkelde universele wetten omtrent individuele rechten, persoonlijke vrijheden en privébezit. Volgens Henrichs onderzoek droeg dat alles bij tot de rijkere, innovatievere en productievere westerse maatschappijen.

Jaren 60 als keerpunt

Maar individualisme is niet altijd rozengeur en maneschijn. Toch niet in zijn extreme vormen. Politicoog Robert Putnam onderzoekt al decennialang het individualisme in de Verenigde Staten. In zijn boek The upswing vat hij het traject van zijn land in de 20ste eeuw samen met een omgekeerde U-curve, met de jaren 60 als keerpunt. Het is een beweging van ‘ik’ over ‘wij’ terug naar ‘ik’: van meer individualisme naar meer gemeenschap en terug.

Gelijklopend ziet hij een beweging van economische ongelijkheid naar meer gelijkheid en terug, van politieke polarisatie naar meer wederzijds respect en terug, en van sociale afzondering naar meer solidariteit en terug. Ongelijkheid, polarisatie, sociale isolatie: we herkennen het huidige Amerika. (En helaas lijkt Putnams analyse ook relevant voor Europa, zoals columnist Tom Naegels en briefschrijver Kevin Defieuw opmerkten.)

Deugdethiek

De maatschappelijke voordelen die Henrich toeschrijft aan gematigd individualisme verdwijnen bij Putnams ‘ik’-fasen van hyperindividualisme: men heeft minder vrienden, ervaart lagere levenskwaliteit, neemt niet meer deel aan het verenigingsleven, leert niet langer vreemden te vertrouwen, gaat meer identitair denken, gaat minder stemmen, de maatschappelijke consensus fragmenteert, de capaciteit tot collectief handelen wordt ondermijnd en de democratie ondergraven. Dat is geen gezonde staat voor wat een ‘samenleving’ moet heten. Zeker wanneer oorlog dreigt, het klimaat ontspoort of techbedrijven met krachtige AI zwaaien.

In 1981 publiceerde de Schotse filosoof Alasdair MacIntyre Na de deugd, een van de moderne klassiekers van de Engelstalige morele filosofie. In dat boek bekritiseert hij de individualisering van de moraliteit tijdens de verlichting. Dat leidde volgens hem tot het idee dat moraliteit een kwestie is van persoonlijke mening en aanvoelen. Dat ondergroef de gemeenschappelijke basis van moraliteit en tastte onze capaciteit tot collectief en democratisch handelen aan.

Voor een oplossing kijkt MacIntyre terug naar de deugdethiek, de Aristotelische traditie die voor de verlichting het westerse morele discours domineerde. Die stelt dat mensen floreren wanneer hun karakters in gemeenschap gevormd worden naar bepaalde deugden: wijsheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en moed waren Aristoteles’ kardinale deugden; middeleeuwse christenen voegden daar geloof, hoop en liefde aan toe. Gezamenlijk die deugden nastreven zou consensus creëren en de capaciteit tot collectief handelen vergroten.

Crisissen overwinnen

Onze individualistische consumptiemaatschappij, die na de deugd leeft, is nog maar weinig capabel om deugd­zame mensen te vormen, volgens Mac­Intyre: we worden eerder angstig dan moedig en hoopvol, eenzaam of zelfzuchtig dan vol naastenliefde, we denken eerder ongenuanceerd dan wijs enzovoort. Nochtans zijn het net hoopvolle, wijze, moedige en liefdevolle personen die je aan je zijde wenst ten tijde van oorlog, klimaatrampen en andere crisissen (en eigenlijk te allen tijde).

Putnam roept op om te investeren in gemeenschapsleven. Om opnieuw bij de Chiro of de scouts te gaan, naar de kerk of de moskee te gaan. Om sportclubs, politieke partijen en buurtcomités op te richten en onze tijd in de virtu­ele wereld te beperken. Niet alleen als antwoord op grote crisissen, maar omdat het bijdraagt aan een betere wereld.

MacIntyre sluit zich daarbij aan. Hij eindigt Na de deugd met de stelling dat we niet op Godot wachten, maar op een nieuwe Benedictus. De oude Benedictus leefde in een turbulent tijdperk van oorlog en sociocultureel verval na de ondergang van het Romeinse rijk. Hij stichtte monastieke gemeenschappen, waar monniken de deugden cultiveerden en eeuwenlang speerpunten vormden van economische, culturele en spirituele activiteit. Vandaag moeten we opnieuw investeren in lokale gemeenschappen, stelt MacIntyre, om onszelf tot deugdzame mensen te laten vormen en aan een maatschappelijke consensus te bouwen. Dan zullen we gezamenlijk floreren, en tezamen onze crisissen overwinnen.

In navolging van MacIntyres oproep, en om ons eigen steentje bij te dragen, richten vrienden en ik een stadsklooster in Brussel op. In tijden van eenzaamheid, angsten en depressie, van zoeken naar zingeving, van dreigende oorlog en klimaatrampen, willen we bouwen aan gemeenschap, solidariteit en geestelijke verdieping. We hopen dat de impact van dat werk onze individuele inspanningen zal overstijgen en, net zoals dat van Benedictus, nog lang vrucht zal dragen.

Christelijk co-housen

Origineel gepubliceerd in Tertio.

Deze maand verscheen bij Otheo het debuut van Tertio-medewerker Tim Brys, Hoe maak je een stadsklooster? Het is een vertelling van de traditionele en moderne kloostergeschiedenis, vervlochten met zijn eigen geestelijke zoektocht die in de Andes begint, langs Libanon loopt en in Brussel eindigt. Daar wil hij met vrienden een stadsklooster stichten. “Een kans om verschillende stromen van mijn leven samen te brengen.”

Lees verder in Tertio.

Een nieuwe monastiek

Origineel gepubliceerd in Tertio.

“We wachten niet op een Godot, maar op een nieuwe – ongetwijfeld heel andere – Sint-Benedictus”, schreef de vermaarde Britse filosoof Alasdair MacIntyre in de jaren 1980. Het is een prikkelende suggestie ten tijde van leeglopende en uitstervende kerken en kloosters. Kunnen een nieuwe Benedictus en nieuwe monastieke gemeenschappen het West-Europees christendom vernieuwen?

Lees verder in Tertio.

‘Ik wil een stadsklooster oprichten, te midden van de Brusselse hectiek’

Origineel gepubliceerd in Bruzz.

In Libanon woonde ik met mijn gezin tussen Syrische vluchtelingen. Zij waren hun hechte dorpsgemeenschappen ontvlucht vanwege dictator Bashar al-Assad en jihadisten van IS. Ondanks hun armoede bedreven ze, net als veel Libanezen, nog steeds de legendarische Arabische gastvrijheid en mochten we hun gemeenschaps­leven delen. Meermaals per week dronken we thee of aten we bij buren. Bij de kruidenier om de hoek bleven we vaak plakken voor een babbel. En een oude weduwe kwam te pas en te onpas langs voor koffie (hoewel we, toegegeven, soms schuilden op ons balkon wanneer ze alweer op de voordeur hamerde – “Shhhht, kindjes.”).

Ons leven speelde zich af op een vierkante kilometer en, ja, er was sociale controle en minder privacy en niet alle buren waren even tof. Die hechte gemeenschap leek soms echter zoveel betekenisvoller dan het individualistische leven dat we voordien als Vlamingen in Brussel leidden, waar we onze buren niet kenden en vrijblijvende vriendschappen onderhielden met gelijkgezinden ver weg. Als je jong, gezond en niet arm bent, dan werkt dat misschien, maar de epidemie van eenzaamheid, angsten en depressies in België doet vragen of iedereen even wel vaart bij dat individualisme.

Wanneer vrienden berichtten dat ze in Brussel een ‘stadsklooster’ wilden opstarten, om samen te leven, sprak dat ons dus aan. Net zoals cohousing bij vele Brusselaars aanslaat. Stadsklooster Brussel werd een van onze redenen om terug naar België te verhuizen. Niet alleen het idee van gemeenschap was daarin een drijvende factor, net zoals individualisme niet de enige oorzaak is van de huidige psychologische crisis. Zingeving speelt in beide ook een grote rol.

Betekenisvol verhaal

Tien jaar geleden, tijdens mijn doctoraat in AI aan de VUB, is mijn leven overhoopgehaald door het lezen van de Bijbel. Enkele geestelijke ervaringen maakten Gods aanwezigheid uitermate reëel en Jezus’ radicale onderwijs leidde mij ertoe om daklozen en vluchtelingen te ontmoeten, wat ons uiteindelijk naar Libanon bracht. Mijn leven was plots niet meer een aaneenschakeling van egocentrische pleziertjes, maar deel van een groot, betekenisvol verhaal, met onbaatzuchtige liefde voor anderen en God centraal.

Stadsklooster zal, zoals de naam verraadt, dus niet gewoon een cohousing zijn, maar ten gronde een spirituele gemeenschap. Het brengt voor mij meerdere levensstromen samen die een gepast antwoord lijken te vormen op enkele uitdagingen van onze grootstad: gemeenschapsleven te midden van eenzaamheid en mentale problemen, geestelijke verdieping voor gejaagde stedelingen op zoek naar zingeving, gastvrijheid voor kwetsbaren in een verpauperende stad.

In Stadsklooster Brussel zullen we met enkele huishoudens samen leven, samen bidden, en samen de buurt dienen. ‘Zullen,’ want het is er nog niet, twee jaar na onze ‘remigratie’. Een van de obstakels is de enorm dure vastgoedmarkt in Brussel, wat zorgt dat we uitkijken naar alternatieve formules, zoals erfpacht. Momenteel zijn we in gesprek met paters die hun gebouw in Koekelberg verlaten, maar het is te vroeg om al te zeggen of dat een reële optie wordt. Op het platteland zouden we vermoedelijk sneller en goedkoper aan een ‘klooster’ raken, maar we voelen ons geroepen tot Brussel, met zijn hectiek, rijke diversiteit en zware problematieken. Als we ergens een verschil willen maken, dan is er geen betere plaats dan Brussel, lijkt mij.

Expo over blasfemie: oefening in vrij denken of haatspraak?

Origineel gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad. Zie hier voor langere versie.

”Nom de Dieu, kritiek, blasfemie, satire…?” is de titel van een recente tentoonstelling van de vrijzinnige organisatie DeMens.nu aan de Vrije Universiteit Brussel. 26 kunstenaars exposeerden werken die spotten met religieuze verschijnselen en ook met Jezus zelf. De opzet was om het récht op godslastering te benadrukken, in naam van de vrijheid van denken. Curator was Willem Elias, emeritus hoogleraar moraalfilosofie, een man die graag provoceert en choqueert. Officieel heette het „een kritische reflectie op de rol van religie, kunst en satire in de westerse cultuur”: wie zou daar iets op tegen kunnen hebben? Tenzij deze vlag de lading niet dekt. Daarom een even „kritische reflectie” op de tentoonstelling zelf, in twaalf punten.

Boven de wet?

1. De godslastering wordt onder het mom van kunst gepresenteerd want dan lijkt plots alles te mogen! Kunstenaars staan boven de wet, nietwaar? Waar anderen voor haatspraak kunnen worden aangeklaagd, is artistieke vrijheid zo goed als ”sacraal”. Een slimme aanpak? Of een sluwe?

2. De expo wordt mooi omschreven als „een oefening in het vrije denken”, maar gaat in feite vele stappen verder. Want iedereen kan ongehinderd in zijn hoofd ”vrij denken”, maar dat is iets heel anders dan ”vrij spreken”, dat zelfs wettelijk begrensd wordt. In één beweging doorgaan naar een soort ”recht om te beledigen” is een dubieus gebruik van een kostbare vrijheid.

3. De curatoren stellen: „Vermits god niet bestaat, kan men hem ook niet lasteren.” Ik zou de tegenvraag willen lanceren: „Waarom zou je iemand willen bespotten van wie je niet gelooft dat hij bestaat?”

4. „De bedoeling van deze tentoonstelling was niet blasfemie te bedrijven, maar ze tonend te begrijpen”, aldus Elias. Maar als lastering niet het eerste doel was, is het toch behoorlijk goed gelukt. Enkele voorbeelden? We zagen (foto’s van) een gekruisigde koe, een collage van de gekruisigde Jezus omgeven door honderden naakte vrouwen uit pornoblaadjes en een portret van Christus getatoeëerd op een varkenshuid. Erotiek was prominent aanwezig. Charlie Hebdo vond het indertijd ook nodig om Mohammed, Jezus en de paus compleet naakt af te beelden. Als de curatoren en kunstenaars níet opzettelijk hadden willen kwetsen, dan hadden ze het niet beter kunnen aanpakken wanneer ze dit wél gewild hadden.

Minachting

5. Willem Elias is geen onbesproken man. Hij bepleit libertinisme: geloof in absolute vrijheid. Als echter niet God maar de méns het centrum van het heelal is en ”schepper van waarden en normen”, dan houdt inderdaad geen enkele hogere instantie (ook geen vrijzinnige) een mens tegen om wat ook maar te denken of te zeggen.

6. Het vrijzinnig humanisme heeft als hoofdwaarden respect en tolerantie, breeddenkendheid, pluralisme en openheid. De tentoonstelling toonde een heel ander beeld: de minachting voor geloof en gelovigen druipt ervan af.

7. ”Spotten met alles” komt heel stoer over: „Kijk eens wat ik durf. Ik ben voor niemand bang.” Spotten met ”God Himself” lijkt hierbij het summum van durven. Maar erg stoer is het niet, want God verdedigt zich nooit. En zo dapper is het niet: christenen zullen de eer van hun God niet met kalasjnikovs komen wreken!

8. Humor, spot of satire is niet het probleem. Er mag best eens gelachen worden. Ook christenen hebben een lange traditie van religieuze grappen. Een dosis zelfspot is gezond, want zelfrelativerend. Maar zelfspot ontbrak totaal in de tentoonstelling: het is enkel spot met ”die ander”, nergens met het atheïsme zelf. Of komt de andere kant later nog? Spotprenten van grote atheïsten: Marx, Lenin, Stalin, Mao, Sartre, Dawkins…

9. De grootste lacune in de expo was spot met de islam. Want vrijzinnigen weten al te best dat de vrijheid van denken vooral in moslimlanden bedreigd is. Zeker niet in België of in christelijke landen! Maar van Mohammed, ayatollahs of imams geen enkel spoor in de expo! Kan ik de reden raden?

Mikpunt van spot

10. Volgens sommige progressieven moeten ”alle heilige huisjes” eraan geloven. Alsof onze maatschappij beter en vrijer zal zijn wanneer er voor níets nog respect is. Is er niets meer heilig: privacy, integriteit, onze planeet? Voor vrijzinnigen zijn de individuele vrijheden en rechten (zeker de vrije meningsuiting) duidelijk heiliger dan God. Wee degene die daaraan raakt!

11. Opmerkelijk is dat de persoon van Jezus het centrale mikpunt was van spot. Hij werd (opnieuw) aan de schandpaal genageld en bespuwd. Waar heeft Hij dat aan verdiend? Heeft hij ooit één vlieg kwaad gedaan? Predikte Hij niet bij uitstek alle humane waarden die de vrijzinnigheid van hem gekopieerd heeft? Jezus geldt –voor 2,5 miljard mensen tenminste– als de verpersoonlijking van alles wat zuiver en goed is, van liefde en heiligheid. Waarom dan juist Hém bespotten?

12. Werd met deze expo de waarde van menselijkheid bevorderd? Naar welk soort maatschappij willen we evolueren als we allemaal in deze stijl andersdenkenden portretteren? Kan vrije meningsuiting ook respectvol? Bestaat er ook nog zoiets als fijngevoeligheid en beschaafde communicatie? Of is dat te christelijk en geldt dat niet voor atheïsten?

Reageren?

Spotten met Jezus is verre van origineel. Jezus zelf werd uitgescholden, beschuldigd als ”godslasteraar”, publiek vernederd en gekruisigd. Maar Hij reageerde er niet op, schold niet terug en bliksemde hen niet neer. Voor die tijd en die cultuur was Hij als leider extreem tolerant. En christenen moeten Zijn voorbeeld volgen: hun vijanden liefhebben, bidden voor wie hen vervolgen, zegenen wie hen vervloeken.

Het is een lastige vraag voor een christen of hij op zo’n expositie moet reageren of niet. Met dezelfde wapens terugslaan (spotten met atheïsten) mag niet. Maar hoe dierbaarder God is voor een gelovige, hoe dieper zo’n expositie snijdt. En wie Jezus bespot, haalt ook Zijn morele waarden door het slijk: naastenliefde, zelfopoffering, dienstbaarheid, onbaatzuchtigheid. Welke soort cultuur creëren we als we deze ”zachte” waarden vertrappen en bespuwen?

We zullen dus toch zo’n expo met lankmoedigheid verdragen, de organisatoren zegenen en tegelijk hopen op wat meer ”verlichting”. Helaas wordt het ”niet reageren” meestal geïnterpreteerd als zwakheid: „ze hebben geen tegenargumenten, ze staan machteloos”. Zijn christenen slap? In andere landen zijn christenen vaak veel assertiever, mondiger en strijdbaarder.

Dit artikel is geen pleidooi om blasfemie wettelijk te verbieden, maar een beroep op enig moreel gevoel of respect is toch niet te veel gevraagd? In België is blasfemie sinds 2018 ”wettelijk toegelaten”, maar is het daarom ook ”moreel in orde”? Het was fijn geweest als hooggeplaatste vrijzinnigen zelf geprotesteerd hadden tegen deze tentoonstelling. Een gemiste kans om bruggen te bouwen.

Het dilemma voor de wetenschap: alle onderzoek aan AI laten om het sneller te laten gaan?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“AI lost ziekenhuisbacterievraagstuk in twee dagen op, waar het wetenschappers jaren kostte.” Sinds de onthulling van Googles ‘co-scientist’ enkele dagen geleden verschenen tientallen artikelen met titels zoals deze, gelezen bij de BBC. Hoewel ze enigszins misleidend zijn, gaat het wel degelijk om een indrukwekkende toepassing van artificiële intelligentie. Co-scientist is een artificiële wetenschapper, die mensen moet bijstaan in het wetenschappelijke proces. De spectaculaire krantenkoppen verwijzen naar een van de experimenten die het nut van de technologie hebben bewezen. Al na twee dagen rekenen produceerde co-scientist een hypothese waarvan biologen onlangs, na jaren onderzoek, hadden aangetoond dat ze klopt: dat sommige bacteriën met antibiotische resistentie gebruikmaken van verschillende virussen om meer gastheren te bereiken.

Het lukte co-scientist dus om de juiste hypothese te formuleren, maar het kon niet het verdere wetenschappelijke werk uitvoeren dat nodig is om die hypothese te valideren, zoals gecontroleerde experimenten opzetten. Vandaar dat de tegenstelling tussen ‘twee dagen’ met AI en ‘jaren’ met mensen niet opgaat. Want co-scientist, zoals de naam verraadt, kan niet in zijn eentje wetenschap bedrijven.

De biologen in kwestie zouden wel vele jaren werk uitgespaard hebben, mochten ze van bij het begin co-scientist aan hun zijde hebben gehad. Dan zou de maatschappij misschien vandaag al baat hebben bij hun onderzoek, mogelijk onder de vorm van nieuwe antibiotica. Daar ligt dan ook de waarde van co-scientist: het doorploegt enorme hoeveelheden wetenschappelijke literatuur, over disciplines heen, formuleert nieuwe hypothesen op open vragen, en stelt navenant experimentele protocollen op, waardoor onderzoek en de maatschappelijke valorisatie ervan versnelt.

Uitmuntende assistent

Op hun blog beschrijven medewerkers van Google de AI-toepassing co-scientist als een “samenwerkingsmiddel dat experts helpt onderzoek te verzamelen en hun werk te verfijnen – het is niet bedoeld om het wetenschappelijke proces te automatiseren”. Die toevoeging moet wetenschappers geruststellen: co-scientist zal jullie werk niet overnemen, maar het verrijken. Dat is trouwens hoe tal van AI-systemen tegenwoordig worden omschreven. Begrijpelijk, want de projecties over jobverlies zijn niet lief. Het World Economic Forum voorspelt dat AI de komende jaren miljoenen meer jobs verloren zal doen gaan dan dat ze er zal creëren.

Hoewel co-scientist voorlopig een uitmuntende assistent lijkt die wetenschappers in staat zal stellen beter en sneller te werken, kan het evengoed, ondanks wat Google zegt, een stap zijn richting het omkeren van de rollen. Met steeds krachtigere AI zou de wetenschapper weleens een veredelde lab-assistent kunnen worden: de fysieke handen die AI nog ontbeert om de experimenten uit te voeren die ze nodig acht in ‘haar’ wetenschappelijk onderzoek. Wanneer de robotica ver genoeg zal staan om ook het experimenteren te automatiseren, dan zullen menselijke wetenschappers helemaal overbodig zijn.

Onszelf afschaffen

AI-toepassingen zoals co-scientist stellen ons voor een dilemma. Het maatschappelijke potentieel ervan is overduidelijk: we kunnen niet snel genoeg nieuwe oplossingen vinden voor de klimaatverandering, antibiotische weerstand, pandemieën en meer. Maar zullen we onszelf daarvoor moeten afschaffen? De voorspelde komst van Artificial General Intelligence (AGI) over enkele jaren belooft alleszins dat de mens voor veel zaken niet meer essentieel zal zijn. Zouden we onszelf elke rol van betekenis in de wetenschap ontnemen, opdat die daardoor sneller vooruit kan gaan?

Mensen vinden betekenis en voldoening in hun werk, ook wetenschappers. Hypotheses bedenken is een van de leukere, creatieve aspecten van het wetenschappelijke proces. Als we dat graag blijven doen, en dus als mensen op de hoogte willen blijven, zijn we dan bereid om misschien soms wat langer te doen over het oplossen van openstaande vragen en problemen?

Per discipline zal er een goede balans gezocht moeten worden. Waar het maatschappelijke nut groot en urgent is, zoals bij het ontwikkelen van nieuwe medicatie, zal de balans vermoedelijk richting AI overhellen, als het maar snel (en correct) verloopt. Maar in minder urgente gevallenmogen we de fundamentele waarde van zelf denken, zelf werken en zelf ontdekken niet onderschatten, zelfs al zullen we het op termijn misschien minder efficiënt doen dan AI. De zoektocht is namelijk in veel gevallen minstens even belangrijk als het eindresultaat, al was het maar omdat zelf wetenschappelijk onderzoek bedrijven van de wetenschapper een betere wetenschapper maakt.