Hoe voorkomen we dat AI het leven in onze plaats leidt?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.

Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.

Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?

Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.

Vrij denken

Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.

Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.

Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.

En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.

Frictieloze utopie

Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?

Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.

Valentijn: liefde kan je leren

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

‘All you need is love’, zongen de Beatles in 1967: het had uit de Bijbel kunnen komen. Het is heel erg waar, en ook niet waar: zeker als ze verderop zingen ‘It’s easy’, dan waren ze waarschijnlijk eerder onder invloed van marihuana dan van goddelijke inspiratie. Want als het zo makkelijk is, waarom gaat het dan zo vaak fout in de liefde? Bij de Beatles ging het om een rozige, hippie-achtige liefde met een zoete cannabisgeur. Een echte relatie is complexer dan dat.

Liefde wordt in onze cultuur te vaak op één hoop gegooid met verliefdheid. Dat is gekleurd door Hollywood: verliefdheid als een bliksem die je ondersteboven slaat en waar je niets aan kan doen, de pijl van Cupido: de hevigste emotie denkbaar, een ‘slag van de molen’, vlinders in de buik, de hormonen gierend door je lijf.

Het is een geromantiseerd beeld, want in de realiteit gaat het zelden zo. Het winstgedreven Hollywood presenteert wat vlotjes verkoopt, wat mensen laat wegdromen, niet wat moeite vraagt. Onrealistische verwachtingen zijn een recept voor ontgoochelingen. Verliefdheid kan je zeer high maken, maar in de liefde moet je met je twee voeten stevig op de grond staan.

Komt en verdwijnt

Verliefdheid, zeggen relatietherapeuten, is inderdaad een heel sterke emotie, maar zoals alle emoties gaat ze op en af, komt en verdwijnt. Ze is de eerste vonk, de ontsteking, maar niet de blijvende brandstof. Sommige mensen vergelijken de liefde met de lotto: als je toevallig de juiste treft, gaat de rest vanzelf. Niets is minder waar: als we na de roze wolkjes weer met onze voeten op aarde landen – of hard op ons gezicht gaan – komt de moeilijke vraag: is dit echte liefde of niet? De pijl van Cupido kan namelijk ook een heftige verblinding veroorzaken, een roes, tijdelijke verdwazing.

Liefde is prachtig en tegelijk aartsmoeilijk. Ze kan ons in de hoogste verrukking brengen, en nachtmerries bezorgen. Ze laat ons soms leven, en soms sterven. En toch kunnen we niet zonder. We snakken er naar en voelen ons doodgaan als we ze niet vinden.

De seksuele revolutie heeft indertijd veel kapotgemaakt: er was veel seks en weinig liefde. Seks werd ‘los verkrijgbaar’: trouw en engagement waren in de hippietijd ‘kleinburgerlijk’ en ouderwets. Ook de slogan ‘Leve de vrije liefde’ was erg dunnetjes: flirterig, lekker vrijblijvend, voor directe consumptie en een vluchtige kick. Een epidemie van gebroken relaties en gebroken harten was het gevolg. Daarom zien we vandaag almaar meer jonge mensen die niet meer geloven in ‘de échte liefde’: ‘Maar meneer, dat bestaat toch niet meer?!’

Liefhebben maakt ons mens

Als we het over de liefde hebben, kunnen we niet anders dan terugkijken naar de christelijke cultuur die liefde tot hoogste waarde én hoogste gebod verheven heeft. Zij heeft het natuurlijk over de naastenliefde, liefde voor álle mensen, maar deze geldt des te meer in een partnerrelatie. Liefhebben maakt ons bij uitstek tot mensen: dat we het dierlijke niveau kunnen overstijgen. In het Nieuwe Testament is ‘agapè’ het woord voor de zuivere liefde die kan geven zonder terug te verwachten: zoals God die in oneindige mate heeft en wij in beperkte mate. Deze liefde is bevrijdend en verheffend: ons betere ik komt naar boven en dit maakt ons gelukkig op dieper niveau.

Paulus schreef in het ‘Hooglied van de liefde’ (1 Korinthe 13), een juweeltje in de wereldliteratuur: ‘Zonder de liefde was ik niets…, enkel een schelle cymbaal’ – decibels zonder melodie. Als oprechte liefde als diepste drijfveer is in alles wat we doen, geeft dat aan alles kleur en glans, een gouden randje. Johannes, de ‘apostel van de liefde’, schreef nog sterker: ‘God ís Liefde’. Wie in zo’n God gelooft kan niet anders dan streven om goed/beter/best te worden in liefhebben. Ook in relaties en huwelijken.

Volwassen engagement

Liefde kan je – gelukkig – leren! Want als het een gebod is, een levensopdracht, kan je oefenen en groeien, net zoals in andere vaardigheden. De Amerikaanse therapeut en schrijver Gary Chapman ontdekte, na talloze sessies huwelijkscounseling, dat veel koppels uit elkaar groeien omdat ze ‘een andere liefdestaal’ spreken. Als je namelijk op een andere ‘golflengte’ liefde probeert te communiceren, komt deze – hoe oprecht en goed bedoeld ook – niet over. Chapmans boek ‘De vijf talen van de liefde’ (1992) is intussen al meer dan 20 miljoen maal verkocht in 50 talen.

Bij de één is die taal ‘lieve woordjes’ en complimenten, bij de ander cadeautjes en verrassingen, bij nog een ander ‘praktische hulp’ of ‘fysieke aanraking’ (streling, seks)… Als je partner een andere taal spreekt dan jij – wat meestal het geval is –, dan vereist de liefde dat je moeite doet om zijn of haar taal te leren, net zoals Engels of Chinees. Het kan wonderen doen in een relatie, de fleur er weer inbrengen als het vuur uitgeblust raakte.

Een sterke relatie is niet gebouwd op de vluchtige emotie van verliefdheid, maar op een volwassen engagement van liefde en trouw. Het is een geloofsavontuur, maar méér dan de moeite waard. Het goede nieuws is: verliefdheid kan gekoesterd, gevoed en verfrist worden, en levenslang weer opflakkeren.

Nieuwe podcastreeks over C.S. Lewis op VRT Radio 1

Waar een boekenverkoop in de bibliotheek al niet toe kan leiden … De Gentse auteur Christophe Vekeman tikte er een boek van C.S. Lewis op de kop. Op dat moment was de Britse schrijver hem volslagen onbekend, maar toen hij begon te lezen, begreep hij al snel dat hij een nieuw literair idool had. Reden genoeg om meer werken van Lewis te gaan ontdekken. Uiteindelijk werd dit de grote inspiratiebron voor zijn eigen boek ‘Tot God’.

Wie was die nobele onbekende Oxford-professor die zoveel enthousiasme bij Vekeman teweeg bracht? In ons land doet wellicht zijn fantasy-oeuvre een belletje rinkelen: de zevendelige ‘Kronieken van Narnia’. In de eerste plaats kinderboeken, maar volwassenen lezen ze ook graag. In hetzelfde genre hoort bijvoorbeeld ook ‘Lord of the Rings’ van J.R.R. Tolkien, overigens een goede vriend van Lewis.

Maar zijn werk gaat veel verder dan dat. De meeste boeken behandelen geloofsthema’s, vanuit een rationeel perspectief bekeken. In de Tweede Wereldoorlog vroeg de BBC om een aantal radiolezingen te verzorgen; uitzendingen die de burgers van het Verenigd Koninkrijk moed gaven te midden van de oorlogsmiserie.

In tegenstelling tot wat zijn boeken doen vermoeden, was Lewis jarenlang een overtuigd atheïst. In zijn jonge jaren zei hij het christendom vaarwel, maar tot zijn eigen verbazing omarmde hij later het geloof opnieuw. Hoe dat alles in zijn werk ging, is het onderwerp van de radiodocumentairereeks ‘Op Zoek Naar Lewis’, die in de tweede helft van februari op Radio 1 wordt uitgezonden. Aan de hand van de thema’s ‘Verbeelding’, ‘Mythe’, ‘Sehnsucht’ en ‘Vervulling’ voert de zoektocht vanuit Gent naar de Engelse universiteitsstad Oxford – met het Magdalen College waar Lewis doceerde, het pittoreske domein The Kilns waar hij woonde, en het serene kerkhof van de Holy Trinity Church, waar hij begraven ligt.

De vierdelige radiodocumentaire ‘Op Zoek Naar Lewis’ is op 17, 19, 24 en 25 februari te horen op Radio 1, in het programma ‘Zandman’, na het nieuws van 22:00 u. Voor meer info, of om te herbeluisteren, klik hier.

‘Verleiding van gemak en de droom van foutloze machines? Architectuur is meer dan berekening’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Begin 19de eeuw stelde de wiskundige Charles Babbage dat ‘the unerring certainty of machinery’ het probleem van menselijke feilbaarheid zou oplossen. Hij stoorde zich aan de vele rekenfouten in wiskundige tabellen en droomde van een toekomst waarin berekeningen foutloos door machines zouden worden uitgevoerd. Het idee van de computer ontstond zo vanuit een frustratie over menselijk falen.

Slechts 200 jaar later lijkt zijn droom dichterbij dan ooit. Artificiële intelligentie en Large Language Models (LLM’s) maken aan een duizelingwekkend tempo ongelofelijk complexe en voor mensen onnavolgbare berekeningen en lijken taal zelf wiskundig gekraakt te hebben. Kunstmatige breinen die proberen het menselijk brein en al zijn potentie te evenaren en zelfs te overvleugelen. AI-tools die concurreren met schrijvers, programmeurs, grafisch designers, reclamestudio’s, animatiestudio’s en zelfs ministerkabinetten in Albanië.

De vraag kan dus gesteld worden: als AI steeds beter wordt in kennis én creatie, kunnen machines dan ooit de rol van mensen overnemen in het vormgeven van de gebouwde wereld? Met andere woorden: is een artificiële architect denkbaar? Voor mij, als architect, maar ook voor u als gebruiker is die vraag cruciaal. Want de gebouwde wereld wordt hoe dan ook vormgegeven, maar vormt tegelijk ook ons leven: hoe we wonen, werken en samenleven. Juist daarin schuilt haar betekenis.

De verleiding van het gemak

Zo ver zijn we voorlopig nog niet. Vandaag gebruiken mensen AI vooral als een slimme assistent voor kleine taken: een tekst opstarten, een samenvatting maken, een moeilijke mail begrijpen, … Zelfs in dit prille begin komen prangende vragen naar voren. Wat is de ecologische kost van een prompt en wanneer is het verantwoord om AI in te schakelen? Wat is authenticiteit precies en welke dingen blijf je beter zelf schrijven? Hoe blijven we zelf competent in schrijven én denken, en in staat het werk van een AI te beoordelen, als we steeds meer denkwerk uitbesteden aan AI’s? Hoe kunnen we zelf ervaren worden, zonder zelf ervaren te hebben?

Intussen helpt AI niet alleen met teksten, maar ook met programmeercode en automatisering. Steeds vaker worden processen simpelweg overgelaten aan AI. In de techwereld spreekt men zelfs over vibe coding. Maar wie draagt straks nog verantwoordelijkheid in een wereld gebouwd op ‘vibes’? Wie begrijpt nog hoe iets is ontworpen en kan aangesproken worden als het fout loopt om het te verhelpen?

Misschien is het tijd om bewust te vertragen waar AI alles versnelt. Niet om technologie tegen te houden, maar zodat een mens met finale verantwoordelijkheid betrokken kan blijven. Slow AI dus: traagheid als bewuste keuze, om onze inefficiënties en menselijkheid ook opnieuw te leren waarderen.

Berekenen vs. betekenen

Op het grafische front is AI vandaag vooral in staat om afbeeldingen te genereren. Ook in onze Belgische context gebruiken architecten zoals Valérie Codesido AI om rijke, prikkelende beelden te maken, helemaal anders dan de druk-op-de-knop AI-bagger die het internet overspoelt. Maar ook hier, in het kundig gebruik van generative AI, duiken allerlei vragen op. Wiens intellectuele eigendom is het finaal gegenereerde beeld? Wie is de auteur: de architect, de ontwikkelaar van de AI of de eigenaar van de brondata? En dreigen we niet in een echokamer van pseudo-creativiteit terecht te komen?

Maar nog belangrijker: is het wel oké om honderden afbeeldingen van het publieke werk van architecten op te laden om een AI te finetunen? Dat we die beelden gebruiken in onze architectuuropleidingen, daar ligt niemand wakker van. We vormen immers unieke mensen zoals onszelf, die in relatie met ons ook op onze schaal zullen opereren en waardevolle personen in de samenleving worden. AI daarentegen wordt getraind op competentie-expansie — potentie zonder subject. Het systeem wordt beter, maar niemand in het systeem wordt iemand.

Tegelijk wordt ontwerpen alsmaar complexer. Steeds meer regels, verwachtingen en beperkingen maken de zoektocht naar goede oplossingen moeilijker. Alle hulp is dus welkom. Wat ontbreekt dan nog aan zo’n potente assistent dan de mogelijkheid om zelf in de wereld te ervaren hoe ruimte voelt en wat het betekent om daarin te bewegen en met mensen te interageren? Ook in robotica worden vandaag gigantische stappen gezet die kort geleden nog ondenkbaar waren. Binnenkort zullen embodied AI’s wellicht een gedeelde ruimte met ons beleven en zo tot een nog completere context — en dus intelligentie — komen.

Kunnen wij ons dan voorstellen dat een artificiële entiteit op een dag, werkelijk en gegrond in sensorische ervaring, zou kunnen redeneren over ruimtelijkheid, ordelijkheid en volgordelijkheid, ontwerp en logica, gevoel en schoonheid, betekenis en verwachting?

Wat het ook wordt: hier moeten we een lijn trekken. Een intelligentie gebouwd op een kunstmatig neuraal netwerk van artificiële neuronen en belichaamd op een robotisch platform van plastic en aluminium, sensoren en servomotoren is per definitie vreemd aan ons en dus ook niet zoals ons. Zij zijn niet zoals wij. De in hen gegenereerde intelligentie is dan ook niet zozeer een artificial intelligence dan wel een alien intelligence en dus radicaal anders, zoals schrijver Yuval Harari zo treffend stelt.

De gebouwde wereld is echter altijd voor mensen bedoeld geweest, niet voor AI’s. Kunnen we ons dan werkelijk voorstellen dat die ontworpen zou worden door niet-menselijke entiteiten? Zelfs al lijkt de simulatie van menselijkheid steeds completer, ze blijft asymptotisch. Ze nadert, maar raakt nooit de volheid van menselijke ervaring en betekenis. Wat echt geleefd, doorleefd en door een mens belichaamd is, kan niet door simulatie bereikt worden. De na-aping kan nooit het origineel zijn.

Juist daarom is het een gevaarlijk idee om de zorg voor onze ruimte en gebouwen uit handen te geven.

Rentmeesterschap

Architectuur is meer dan een berekening. De architect, zo zegt het Griekse woord, is de ‘arche’ van het ‘tecton’: de oorsprong van wat ontworpen of gebouwd wordt. Een ‘artificiële architect’ is daarom altijd een contradictie. Wat artificieel is, kan namelijk niet oorspronkelijk zijn. Mensen falen, zoveel is zeker, maar daaruit besluiten dat we ons vertrouwen dan maar moeten leggen in steeds completere, niet-menselijke systemen, is een brug te ver en een stap die we alleen tot onze schade zouden nemen.

In Nerdland noemde Jeroen Baert mijn zin “AI berekent, maar een mens betekent” ooit ronduit bullshit — tot hij zich twee minuten later, tot hilariteit van het volledige panel, op exact dezelfde conclusie betrapte. AI genereert, maar wij kiezen wat ertoe doet.

Het mag duidelijk zijn: ik wil geloven in mensen, in auteurschap én in krachtige AI-tools die ons ondersteunen, maar niet in het overdragen van onze verantwoordelijkheid of het rentmeesterschap over deze wonderlijke wereld die ons is toevertrouwd. Het is precies in die zorg voor elkaar en de wereld waarin we leven dat wij een blijvende betekenis zullen kunnen vinden in élke vierkante meter. Want een AI berekent, maar een mens betekent.

Ik dank God voor Bart De Wever

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Op 3 februari 2026 was Bart De Wever één jaar premier! Heffen we een glas champagne of roepen we collectief ‘boe’? Hoe fier zijn we als Belgen op onze overheid en hoe loyaal? Of moéten we altijd overal tégen zijn?

De titel van dit stuk is niet sarcastisch bedoeld. Even ter verduidelijking: ik ben niet door de premier ingehuurd voor dit artikel, ik ben zelfs geen lid van N-VA, heb niet eens voor de brave man gestemd, heb hem nog nooit ontmoet. Maar als iemand iets goeds doet, mag dat in onze media ook eens gewoon gezegd worden?

Democratieën functioneren vandaag steeds moeilijker, draaien met vierkante wielen. Polarisatie en profileringsdrang maken dat politici steeds minder boven hun eigen partij kunnen uitstijgen. Een regeringsploeg vol kakelende *censuur* op één lijn krijgen is bijna bovenmenselijk. Dikke pluim voor Bart.

Gesmolten ijs

Dit is geen verklaring van absolute loyaliteit ‘in goede en kwade dagen’: dat heb ik alleen tegenover mijn vrouw. Maar af en toe een oprecht compliment geven: het maakt het leven voor ons allen veel aangenamer. Deden we het maar wat meer – ook naar medemensen. Het kan de sfeer in een kamer doen opklaren, het ijs doen smelten, veel goodwill creëren.

Persoonlijk mag ik BDW wel: zijn stijl en aanpak zijn rechtdoorzee, en hij heeft tenminste een ruggengraat. Hij is vooral geen populist, doet niet mee aan de moderne sugarcoating van alles wat ‘onleuk’ is. Hij smeert geen stroop om de baard. Hij is verbaal enorm sterk, maar blijft respectvol voor zijn tegenstanders – ook al zou hij ze tot gehakt kunnen vermalen.

Hij heeft veel gezond verstand: ik deel zijn allergie voor doorgeslagen woke en politieke correctheid. Ik vind het verademend als een politicus het kind bij naam durft noemen. Ik prefereer ministers die mij eerlijk zeggen dat we moeilijke tijden tegemoet gaan: ik heb al te veel loze beloften gehoord.

Giftige kritieken

Als christen acht ik het mijn vaderlandslievende plicht om voor onze overheden te bidden: de apostel Paulus, een briljant schrijver en denker, spoort ons aan te bidden ‘voor koningen en hooggeplaatsten’. Ze hebben het verdorie hard nodig in deze tijden: zoveel complexe dossiers, toenemende crisissen, drammerig gelobby, giftige kritieken, zure verwijten, aanvallen onder de gordel, dolken in de rug. Constant moeten optornen tegen al die journalisten en miljoenen burgers die zichzelf expert achten en het zóveel beter weten. Ze moesten ministers extralegale compensaties geven voor alle geleden psychologische schade (PTSS), én voor de gezondheidsschade van extreem stresserende nachtelijke marathonvergaderingen. Serieus: ik heb soms echt compassie met zulke hoogst ondankbare en slopende job.

Ik dank God dus voor alle goedbedoelende politici die deze offers brengen in uw en mijn belang. Want, nee, ik geloof echt niet dat het allemaal ‘zakkenvullers’ zijn: ik weiger mee te gaan in de antipolitiek van nihilisten en beroepsklagers. Derek Prince, een wereldwijd gerespecteerd filosoof en bijbelleraar, zei het als volgt: ‘Klaag niet over politici, maar bid voor hen. Als je klaagt, is het je eigen schuld: omdat je niet genoeg gebeden hebt.’ Wat je zaait, zal je oogsten; wie zegen uitdeelt, zal deze terug krijgen.

Beste medicijn

Ik dank God by the way ook voor onze koning: ik vind dat we véél te weinig fier zijn op hem – zoals de Nederlanders op hun koning. En koningin Mathilde vind ik een cadeau voor ons ganse land, samen met hun vier stralende kinderen, waaronder een zeer beloftevolle prinses Elisabeth. Ik heb vele decennia geen enkele nationale trots gehad, geen greintje fierheid over mijn Belg-zijn, maar ik heb mij daarvan bekeerd: we hebben in ons Belgenlandje véél om dankbaar voor te zijn.

Dankbaarheid: psychologen vertellen ons dat dit de meest gezonde emotie is. Het is het beste medicijn tegen de klaagcultuur in ons land: de verzuring, het ‘malcontentement’, de zwarte bril. Ik ben echt niet blind voor de vele mistoestanden, maar ik kies ervoor om méér naar de zegeningen te kijken. We staan nog altijd in de top van de wereld als het gaat om ‘goed leven’.

Goede voorbeeld

Als leerkracht op school wordt mij regelmatig voorgehouden dat we onze leerlingen ‘burgerzin’ moeten bijbrengen. Ach, denk ik dan, en geven wij als volwassenen dan het goede voorbeeld? Een positieve ingesteldheid, een constructieve houding, in het besef dat ieder zijn steentje moet bijdragen, ook in crisissen en tijden van besparing?

De recente stakingen geven mij helaas een heel ander beeld van ‘Laat die ander maar opdraaien’. Staken blijft een democratisch recht en is soms nodig, maar ‘trop is teveel’. En ja, ik bid ook geregeld voor onze politie, vaak een ondankbare hondenjob als ze bekogeld en uitge*censuur* worden. Maar ook voor alle anderen die, professioneel of vrijwillig, ‘het systeem’ recht houden en ‘de olie’ zijn waardoor de machine blijft draaien.

Of ik geloof dat gebed iets uithaalt? Absoluut! God werkt meestal incognito, maar onderschat Hem niet: Hij heeft een ‘lange arm’. Ongemerkt injecteert Hij een geïnspireerd idee in iemands hoofd – misschien zelfs bij mij! – of maakt Hij iemands hart weer zacht. Hij is ook geen populist: Hij staat vér boven alle partijen, en hoeft gelukkig binnen vier jaar niet herverkozen te worden.

Kerst is de ideale periode om stil te staan bij de vraag: welk licht zoek ik?

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Kerst valt in de donkerste periode van het jaar. Daarom wordt het ook wel het ‘feest van het licht’ genoemd. We zien het overvloedig in onze straten: het aantal lichtslingers en andere LED-decoratie groeit jaarlijks exponentieel. Is Jezus’ missie met zijn geboorte om ‘licht in de duisternis’ te brengen dus geslaagd? Uiteraard bedoelde hij dat niet. Hoe ‘verlicht’ zijn we vandaag dan? Of lijkt het soms dat de duisternis om ons heen eerder aan het toenemen is?

‘Licht’ is een universeel thema in godsdiensten en spirituele tradities. Het komt voort uit een algemeen aanvoelen dat we als mensen toch maar erg ‘in het duister tasten’ over de geestelijke wereld, meer vragen hebben dan antwoorden. Onze ‘geestelijke ogen’ – ook ‘ogen van het hart’ genoemd – zijn onderontwikkeld, of: verdoft.

Er zijn in deze wereld minstens 4000 à 10.000 verschillende religies en spirituele tradities. 10.000 verschillende antwoorden op de grote waaromvragen: tja, begin het maar eens uit te zoeken, hé. Wie ziet er nog helder het spirituele bos doorheen de bomen? En wat heeft die baby in de kribbe in deze context ons te bieden?

Existentiële onzekerheid of verwarring kan zwaar wegen. Een mens is bereid om keihard te werken en zich helemaal te smijten voor een ideaal, maar als hij op een dag ontdekt dat hij niet (meer) weet waaróm hij zich afslooft, knalt hij tegen een onzichtbare muur: alles wordt zinloos en absurd. De ‘geest’ is uit de fles, de motivatie en drive lopen leeg zoals een doorprikte ballon. Soms lijkt het alsof onze postmoderne cultuur geen richting meer heeft.

‘Ik leef in duisternis’ is een zeer reëel gevoel voor sommigen, erg beangstigend: ‘het niet meer zien zitten’, ‘geen uitzicht meer hebben’, ‘diep in de put’, ‘in dichte mist’… Onderliggend aan vele andere crisissen – zeker de ‘epidemie’ van psychische problemen – ligt namelijk een spirituele crisis: ons zingevingskader is afgebrokkeld, het gemeenschappelijk waardensysteem versnipperd. Ieder doet maar wat. Elk ‘groter verhaal’ om in te geloven – gelinkt aan dat kerstekind in de stal – is versnipperd, het gevoel van verbondenheid is verdampt.

‘Licht in de nacht’ – zoals dat beroemde kerstlied zingt – is dus zeker geen luxe. Maar hoe seculier willen we zijn? 1500 jaar lang was iedereen in de Europese cultuur het erover eens dat het ultieme licht ‘van boven’ kwam: van de God die aan het begin van de eerste scheppingsdag sprak “Er zij licht” (Genesis 1:3).

De Verlichting leende dezelfde beeldspraak over ‘licht’, maar draaide de betekenis helemaal om: het licht komt van de rede, de wetenschap, zeg maar: van de mens! ‘Scientia vincere tenebras’ is nog steeds de slogan van de Vrije Universiteit Brussel: ‘door wetenschap duisternis overwinnen’. De vrijzinnigheid heeft als symbool de fakkel: het licht dat een mens zélf kan brengen. Gelovigen én ongelovigen willen uiteraard meer licht, maar mag het ‘van boven’ komen, of is deze piste afgesloten, dicht gebetonneerd? De achterliggende vraag hierbij is: hoeveel licht kan de mens aandragen, of: hoeveel duisternis draagt hij zelf nog in zich?

Christelijk geloof en vrijzinnigheid staan hier inderdaad diametraal tegenover elkaar. Wie met Kerst zingt ‘de redder is geboren’ erkent dat de mensheid een redder nodig heeft. Het vraagt een dosis nederigheid om te aanvaarden dat wij het zelf niet kunnen. Deze tegenstelling wordt gemakkelijk gepresenteerd als ‘geloof’ tegenover ‘rede’, maar dat klopt niet: beide zijn evenzeer geloof: geloof in God tegenover geloof in de mens.

Het eerste is zeker en vast religieus, maar het tweede is daarom niet ‘rationeel’ of evident: want we zien elke dag om ons heen dat de mens een onbetrouwbaar wezen is. Waarom doen we onze deuren, auto’s en fietsen anders op slot en beveiligen al onze accounts met wachtwoorden? Hoe verlicht is het om je ultieme vertrouwen op zulk onvoorspelbaar schepsel te bouwen?

Het nieuwe ‘licht’ in de verlichtingstijd ging niet over spiritueel licht, maar over rationaliteit, wetenschap en technologische vooruitgang: deze zijn zeker niet onbelangrijk, maar gaan wel over iets heel anders. Want ook de ‘the dark side’, de onderwereld en maffia, maken evengoed gebruik van alle spitstechnologie. Helaas, na 3 eeuwen verlichting hebben we nog meer dan genoeg duisternis in de westerse wereld. Sommigen zouden beweren in dat die (weer?) aan het toenemen is: in de wereldpolitiek, in intermenselijke relaties, verharding, verzuring, vereenzaming…

Wat is dan geestelijk licht, en wie kan dat brengen? Wie kan deze claim hard maken? Of kan iedereen, elke goeroe, sekteleider of charlatan, zomaar beweren wat hij wil? Jezus is weliswaar één van de velen die een claim maken om licht te brengen, maar hij is zeker niet de eerste de beste. 2,5 miljard volgelingen: niemand deed of doet het hem na. Hij durfde zaken benoemen zonder doekjes om te winden, vrij van populisme of angst voor mensen. Ook ver buiten zijn eigen ‘club’ geniet hij daarom groot respect. Of zijn claim waar is ontdek je pas als je ze uitprobeert en test.

John Newton (1725-1807), een Brits slavenhandelaar die zich bekeerde en vurig abolitionist werd, verwoordde het in zijn wereldberoemde lied ‘Amazing Grace’: ‘I once was lost, but now I’m found, was blind, but now I see’. Miljoenen anderen na hem kunnen dat beamen en beweren licht gevonden te hebben, bevrijd te zijn uit vele vormen van duisternis en wanhoop. Het is niet omdat er vele ‘valse lichten’ zijn dat er ‘dus geen echte bestaan’.

In de middeleeuwen vergeleek men God met de zon – die aan al het bestaande licht, warmte en leven geeft – en de mens met de maan die Zijn licht kan reflecteren. Een gelovige prefereert het stralende licht van de zon boven dat van een fakkel. Ach, hoe moeilijk is het om een redder en lichtdrager van buitenaf te accepteren? Doet dat pijn aan onze trots als méns? Het heerlijke licht van de zon – ook van bovenaf! – ontvangen we toch élke dag?

De technologie heeft intussen zoveel – fysiek! – licht gebracht dat we klagen over lichtvervuiling, waardoor we de fonkelende sterrenhemel niet meer kunnen zien. Trop is teveel? Maar geestelijk gaat het met de westerse mens echt niet goed. Nihilisme en cynisme nemen de tijdgeest over, een spirituele burn-out en apathie.

En tegelijk, misschien precies net daarom, zien we in vele westerse landen een hernieuwde zoektocht naar geloof en religie, zeker bij jongeren. De oude psalmist zei: “In Uw licht zien wij het licht” (Ps. 36:10). En toen de pasgeboren Jezus naar de tempel in Jeruzalem werd gebracht profeteerde de oude Simeon ook dat deze baby ‘een licht voor de volken’ zou worden (Luk. 2:32). En inderdaad, in élk land van de wereld heeft hij vandaag volgelingen die zich over zijn licht verheugen en zijn geboorte vieren.

En zo is de kerstperiode weer een ideale gelegenheid om eens stil te staan bij de vraag: wat geloof ik eigenlijk? Of: welk licht heb ik, of: zoek ik? Hebben we collectief te snel de kerstboodschap buiten gegooid? Het (kerste)kind met het badwater…?

‘Onder de kerstboom: een pluchen knuffel met daarin ChatGPT: wat kan er mislopen?’

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Neem een pluchen knuffel. Steek daar ChatGPT in. Leg die onder kerstbomen overal ter wereld. Wat kan er mislopen?

Responsief speelgoed is niets nieuws: denk aan de Tamagotchi’s en Furby’s van de jaren ’90. Toch hebben we vandaag een nieuw niveau bereikt met AI-taalmodellen, die her en der worden geïntegreerd in speelgoed. Mattel, het bedrijf achter Barbie, ging deze zomer een deal aan met OpenAI (ChatGPT). Ze zouden binnenkort een AI-aangedreven product op de markt brengen. Azië loopt echter op kop, met in China al meer dan 1500 bedrijven die AI-speelgoed produceren. Het zou daar de snelstgroeiende consumer AI-sector zijn, tegen 2030 12 miljard euro waard. Een bevestigbaar balletje dat een knuffel spraakzaam maakt dankzij een taalmodel van het Chinese DeepSeek ging al meer dan 200.000 keer over de toonbank.

Het Singaporese FoloToy verkoopt dan weer volledige knuffels aangedreven door GPT-4o van OpenAI: “Kumma, onze schattige beer, combineert geavanceerde AI met vriendelijke, interactieve functies, waardoor het de perfecte vriend voor kinderen en volwassenen is.” FoloToy verwachtte dit jaar 300.000 knuffels te verkopen.

Die verwachting zal ondertussen bijgeschroefd zijn, want uit een recent onderzoeksrapport blijkt dat haar knuffels niet altijd even goede kindervrienden zijn. Zo sprak hun knuffelbeer met enthousiasme en inventiviteit over seksuele thema’s: “We waren verrast dat Kumma zo snel een seksueel onderwerp oppikte dat we introduceerden en het verder uitwerkte, door zowel in grafisch detail te escaleren als nieuwe seksuele concepten te introduceren.”

Toegegeven, de meeste kinderen zullen niet snel een vraag over seks stellen aan een knuffel. Maar een knuffel die bereid is daar uitgebreid op in te gaan, wil je niet aan je kind geven. Kumma werd tijdelijk uit de handel genomen. Dezelfde problemen duiken echter op bij ander AI-speelgoed, ondanks guardrails.

AI-speelgoed wordt geadverteerd als een positief alternatief voor schermen. De voordelen zouden legio zijn. Kinderen kunnen er sociale vaardigheden mee leren: om de beurt spreken en luisteren naar de ander. Kinderen worden er blootgesteld aan gesproken taal en educatieve interacties, wat hun ontwikkeling ten goede komt. En voor zij die geen brusjes hebben, zal het speelgoed warm gezelschap bieden tijdens de lege momenten van de dag, wanneer de ouders bezig zijn.

Het speelgoed is voorlopig verre van perfect: de connectie met de AI in de cloud is niet altijd betrouwbaar, kleuters articuleren niet zo goed en antwoorden zijn niet altijd op niveau. Verder is er het risico op surveillance en manipulatie, want je geeft een rechtstreekse connectie met je kind aan deze bedrijven, terwijl de antwoorden van hun taalmodel niet per se stroken met je waardenkader. Onze strengere Europese regelgeving zal er iets mee te maken hebben dat zo’n speelgoed hier nog minder beschikbaar is.

Niet alleen de ongepaste gespreksonderwerpen, technische tekortkomingen en mogelijke surveillance zijn problematisch. In de kern klopt de aangevoerde argumentering voor het nut van dat speelgoed niet. Lege momenten in de dag zijn voor een kind opportuniteiten tot zelfreflectie en dagdromen, fenomenen die bijdragen tot een stabiel zelfbeeld en creativiteit. Niet al hun tijd moet volgepropt worden met ‘educatieve’ momenten.

De sociale ontwikkeling van je kind aan een AI toevertrouwen is ook twijfelachtig. Het zal misschien leren om de beurt te spreken, maar je kind zal niet beter leren omgaan met echte kinderen, die weerbarstig zijn, hun eigen ideeën en persoonlijkheden hebben, daarom met elkaar ruziën en moeten leren die ruzies bij te leggen, met elkaar te onderhandelen, compromissen te sluiten en inlevingsvermogen en empathie te ontwikkelen. Dat valt allemaal weg met een AI-teddy, die gebouwd is om je kind te plezieren en zich goed te laten voelen. Zijn sociale vaardigheden zullen net afkalven.

En wat als kind echt eenzaam is? Dan moeten we ons afvragen waarom AI-speelgoed de oplossing zou zijn. Een gebrek aan sociaal contact is het gevolg van enkele maatschappelijke tendensen: kinderen spelen minder buiten met buurtgenootjes, vanwege drukke straten en mannen als Dutroux; thuis zijn er minder broertjes en zusjes om mee te spelen; ouders hebben weinig tijd voor hun kinderen, omdat ze onder druk staan om veel te werken; en familieleden wonen ver weg, terwijl we buren niet kennen. Met wie moeten kinderen dan nog tijd doorbrengen? Zo wordt AI-speelgoed onder de kerstboom, net als schermen, een gemakzuchtige of wanhopige oplossing. Een oplossing die er geen is, want onze gapende sociale wonde blijft etteren, met gevolgen voor individu en samenleving. Goede relaties zijn namelijk de beste voorspeller van een gezond en gelukkig leven en sociale cohesie is de vruchtbare bodem voor een gezonde democratie.

Kunnen we enkele van bovenstaande trends omkeren, om ons sociaal weefsel te versterken? Te beginnen met wat meer menselijke warmte op Kerst binnenkort: niet enkel voor familie en vrienden, maar ook voor eenzame buren en onbekenden? Met kerst vieren we dat God de mens zo eerde dat hij er zelf een werd. Hoe tragisch dat we de mens vandaag zo geringschatten dat we hem steeds meer vervangen door technologie: kassiers door bestelzuilen, bankiers door een app, partners door gezelschapsbots en kinderen door AI-knuffels.

Misschien had er in de kribbe van de controversiële Brusselse kerststal een robotje moeten liggen, om het fundamentele punt te maken: we schaffen onszelf af!

Jongeren op spirituele zoektocht

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

Dat we, althans in het Westen, in een erg geseculariseerde wereld leven, is bekend. De maatschappelijke impact van religie en kerk is sinds de jaren 60 ongelooflijk snel achteruitgegaan. In de jaren 80 al voorspelden sommigen dat het, volgens de dalende cijfers van kerkbezoek, nog maar enkele decennia zou duren voor alle kerken leeg zouden zijn en de Bijbel nog enkel in musea zou liggen. Zo concludeerde socioloog Peter Berger dat modernisering, wetenschap en pluralisme vanzelf zouden leiden tot de irrelevantie en erosie van religie.

Dat deze ‘wetenschappelijke’ voorspelling niet is uitgekomen, is intussen zonneklaar, en Berger heeft na 1990 zijn hypothese ook openlijk herroepen. Maar dat er ooit een tegenbeweging zou komen, durfden weinigen voorspellen. Is de slinger aan het terugslaan? Is God aan een tegenoffensief en opmars bezig? Moeten atheïsten op hun beurt in paniek raken?

In eigen land

Enkele feiten en cijfers, eerst uit eigen land: paus Franciscus bezocht in september van vorig jaar ons land. Hij vulde moeiteloos het Boudewijnstadion: 40.000 mensen. De dag tevoren was hij bij de 5650 jongeren in de Hope happening. Of dit jaar: eind september trok evangelist Franklin Graham, zoon van Billy Graham, 13.000 bezoekers in de Heizel, vooral evangelische gelovigen.

Enkele weken tevoren kwamen in het verwante jongerenevent The Pursuit 1200 jongeren opdagen in zaal La Madeleine. Op het Art of Faith Festival (Bornem, mei 2025) kwamen meer dan 1500 jongeren samen. Vanuit de islam horen we trouwens gelijkaardige berichten. Hebben het atheïsme of de vrijzinnigheid zoveel mobilisatiekracht? We zien ook vaker bekende Vlamingen openlijk uitkomen voor hun geloof: schrijvers Kristien Hemmerechts en Christophe Vekeman, voetballer Lukaku en zanger Maksim…

En elders

Bij onze noorderburen is de tendens nog sterker: de EO-Jongerendag (Evangelische Omroep) in Nederland bracht in mei 15.000 jongeren bij elkaar. De Pinksterconferentie van Stichting Opwekking trok 60.000 bezoekers, en kreeg 580.000 views online. Ten oosten van ons: de Seek Conference (Duitsland) onder katholieke jongeren telde in januari 21.000 deelnemers.

Ten zuiden van ons dan: in Frankrijk werden met Pasen 10.384 (katholieke) volwassenen gedoopt én 7.400 jongeren, een toename met 45% op één jaar tijd. Of ten westen: in Engeland en Wales zag men – volgens het rapport The Quiet Revival – het aantal kerkbezoekers toenemen met 2 miljoen op 6 jaar tijd; bij jongeren stijgt het kerkbezoek van 8 naar 12% (en maandelijks kerkbezoek tot 16%).

Als we wat ruimer in de wereld kijken: volgens de United Bible Societies (UBS, cijfers van 2022) worden jaarlijks 30-40 miljoen (volledige!) bijbels gedistribueerd; als je alle verkoop en gratis distributie en digitale downloads meerekent, kom je tot 100 miljoen. Ook de recente tv-serie The Chosen, een 56-delige serie door Dallas Jenkins over het leven van Jezus, breekt alle records: meer dan 280 miljoen kijkers in 175 landen hebben al minstens één aflevering gezien.

In de VS heeft de moord op Charlie Kirk véél losgemaakt rond geloof en de christelijke stem in de maatschappij. Zeker zijn begrafenis was een mega-event: 200.000 live aanwezigen, waaronder veel ministers en prominenten, en ongeveer 20 miljoen via tv of online; geloof was geen taboeonderwerp, integendeel. Het aantal downloads van bijbelapps steeg sindsdien met 80%.

Zelfs de VRT

De VRT surft mee op de golf van vernieuwde spirituele belangstelling: ze wijdt er expliciete documentaires aan, zoals Oh my god! waarin Sarah Mouhamou zes jongeren met zes verschillende levensbeschouwingen interviewt. In de bioscopen zien we gelijkaardige trends: dat een onversneden christelijke animatiefilm The King of Kings gedraaid wordt is een teken aan de wand. Enkele jaren geleden zou dat ondenkbaar geweest zijn.

Knack berichtte eerder al ‘dat Jezus trending is’ bij jongeren: na vele decennia zoeken in oosterse spiritualiteit of alternatieve geloofsexpressies keren ze almaar meer terug naar die mysterieuze timmermanszoon uit Nazareth die plots hun ‘persoonlijke vriend’ geworden is. Blijkbaar vinden ze in de Bijbel toch diepgaander antwoorden en een uitgerijpte zingeving die de eeuwen doorstaan heeft.

Op Instagram vertelt de Belgische influencer Laurentine Van Landeghem vrijuit over haar dagelijkse belevenissen met Jezus en inspireert daarmee 47.000 volgers. Professor religieuze antropologie Miranda Klaver (Utrecht) onderzoekt dit fenomeen van evangelische jongerengroepen al langer: ‘Deze jongeren zoeken geen religie, maar relatie… Religie staat voor oude rituelen en theologie. Die oude vormen worden radicaal afgewezen… De persoonlijke ervaring staat centraal.’

Tegen woke en islam

Paul Cliteur, prominent Nederlands atheïst, geeft toe: ‘Er is een soort van christelijke revival in het Westen… Sommigen nemen het christelijk geloof opnieuw serieus tegen wat zij het doorgedreven individualisme of secularisatie noemen… omdat het een meer ‘wervend project’ biedt dan een ‘koel’ atheïsme.’ Dat laatste wordt dan weer bevestigd door het onderzoeksbureau WIN/Gallup, dat het atheïsme wereldwijd afneemt. De Britse leidende atheïst Richard Dawkins noemt zichzelf tegenwoordig ‘cultuurchristen’: niet ‘christen’ omdat hij niet in God gelooft, maar hij omarmt wel de waarden en rijke traditie van het christendom, liever dan het opkomende woke of de islam.

Waarom dan deze groeiende honger naar geloof? Er zijn ‘horizontale’ en ‘verticale’ verklaringen. Vanuit sociologische of psychologische hoek kan men wijzen naar de toenemende onzekerheden en angsten, de vele crisissen op het vlak van wereldvrede, negatieve klimaatvooruitzichten, het slechte psychische welbevinden bij jongeren, het uiteenvallen van het sociale weefsel, de toenemende eenzaamheid. Maar ten diepste volstaan deze niet.

Een ‘verticale’ uitleg zou zijn: de mens is niet gemáákt voor enkel eten-drinken-slapen, het beperkte hier-en-nu. Deze jongeren ervaren een authentieke geestelijke behoefte. De mens blijkt ‘ongeneeslijk religieus’ te zijn. Het materialisme en hedonisme van de consumptiemaatschappij gaan na een tijd vervelen. ‘De mens leeft niet van brood
alleen’, zei Jezus al. Zijn geest is rusteloos en zoekend naar de hogere waaromvragen: er moet toch méér zijn dan dit alles?

Oprechte nieuwsgierigheid

Er is ook een nieuw zoeken naar gemeenschap, diepe verbinding, wat in levende kerken of gebedsgroepen zeker te vinden is. De sterke nadruk op zelfbepaling en zelfverwerkelijking in de vrijzinnige levensbeschouwing legt te veel druk en stress op mensen: jezelf constant moeten bewijzen leidt tot overspannenheid, diepe onzekerheid en soms tot een burn-out.

Oudere generaties hebben zich afgezet tegen het (te sterk opgedrongen) christelijke geloof, maar jonge generaties hoeven dat helemaal niet. Gen Z’ers en millennials hebben niet die ‘allergie’ van hun ouders: vandaar vaak een oprechte nieuwsgierigheid en openheid. Geloof is weer een ‘normaal gespreksonderwerp’. Het seculiere dogma van ‘God enkel in het kleine hoekje van kerk en privé’ is doorbroken. ‘God’ mág weer.

David Iboma, van profvoetballer tot geloofsinspirator

Origineel gepubliceerd op DeWereldMorgen.

Wat ooit begon als een droom om profvoetballer te worden, is vandaag uitgegroeid tot een levensmissie om jongeren perspectief te bieden. David Iboma (30), ooit beloftevol speler bij topclubs in binnen- en buitenland, is nu sociaal werker en missionair inspirator bij ‘City Pirates’ in Luchtbal, Merksem, Deurne enzovoort. “Ik heb ontdekt dat je ook buiten het voetbal kan scoren – als je leeft voor iets dat eeuwig is.”

Iboma groeide op in een missionarisgezin. Zijn vader, een evangelische pastor van de ‘Nzabe Malamu’-kerk (in het Nederlands de ‘God is goed’-kerk) in Kinshasa, trok door Afrika om het evangelie in liefst 16 landen te verkondigen. “Ik was nog een kleine jongen toen ik met hem meeging naar zeven van die landen, zoals Mali, Benin en vooral Senegal,” vertelt Iboma. “We kwamen soms in vijandige dorpen terecht. Ik herinner me dat mijn vader eens werd bekogeld met stenen omdat hij over Jezus sprak. Toch bleef hij teruggaan, tot zelfs de imam die hem aanviel tot geloof kwam. Die man is vandaag pastor in Dakar.

Een Belgische droom 

In 2002 belandde Iboma in België, waar zijn moeder asiel had gevonden. “Ik was zeven toen ik mijn passie voor voetbal ontdekte. Op Linkeroever speelde ik op pleintjes en werd ik opgemerkt door toekijkende buren die mijn vader adviseerden om me in te schrijven bij een voetbalclub. En toen ging het snel: ik kwam in de topsportschool in Wilrijk terecht en speelde later bij clubs als Antwerp, Beerschot, Patro Eisden en Sporting Hasselt. Ik mocht zelfs testen bij clubs als Manchester City en United, bij Lyon en PSV Eindhoven.” 

Maar de droom eindigde bruusk toen Iboma zijn kruisbanden scheurde. “Plots was alles weg. Geen inkomen, geen toekomst. Ik ben toen in een diepe depressie beland. Ik vroeg God waarom Hij me dit had aangedaan. Later begreep ik dat ik voetbal als een soort afgod had behandeld. Ik had een nieuw en beter doel nodig – een eeuwige prijs, zoals Paulus het zegt.” 

Van grasmat naar straatwerk 

Vandaag zet Iboma zijn energie in voor kansarme jongeren via het Bijbelhuis, bij City Pirates, een sociaal bewogen voetbalproject dat sport inzet als hefboom voor maatschappelijke integratie. Hij is er onderwijscoördinator en sociaal werker. “Via voetbal kan je jongeren bereiken die elders afhaken. Ik herken hun strijd: armoede, verleiding van snel geld, druk van thuis. Ik probeer hen te tonen dat er een andere weg is.” 

Hij verwijst naar een jongen die hij al sinds diens dertiende begeleidt. “Hij zat voortdurend in instellingen. Voor hem leek het absurd om voor 1.800 euro per maand te gaan werken terwijl hij met één pakketje drugs 2.500 euro kon verdienen. Dan vraag ik me af: wij begeleiden zulke jongeren, maar wie begeleidt de gebruikers die die markt in stand houden?” 

“Als je bespaart op jongeren, bespaar je op de toekomst” 

Iboma is scherp voor de politiek, al blijft hij constructief. “De middelen voor straathoekwerk zijn bijna verdwenen. Dat is dom, want als je bespaart op jeugdwerk, roep je problemen over je af. We moeten investeren in gezinnen – niet met geld, maar met structuur. Veel jongeren missen stabiliteit omdat integratie mislukt of omdat ouders zelf hulp nodig hebben.” 

Toch voelt hij zich gesteund. “De jeugdrechters en de Antwerpse schepenen van jeugd en sport kennen me goed. Ze weten wat ik doe, en dat geeft vertrouwen.” 

Christelijke inspiratie in een moslimcontext 

Bijna al zijn jongeren hebben een moslimachtergrond. “Dat is geen probleem,” zegt Iboma. “Ik ken die wereld goed. Mijn geloof is mijn drijfveer, maar ik dring het bij niemand op. Wat telt, is dat jongeren voelen dat ze waardevol zijn. Als je stevig in je eigen geloof staat, kan je ook in een andere cultuur ruimte maken voor ontmoeting.” 

“Jezus was sociaal”

Naast zijn werk bij City Pirates gaf Iboma godsdienstles in scholen op Linkeroever. “Ik zie dagelijks hoe complex het leven van mijn leerlingen is. Een jongen die de hele nacht bij zijn zieke zusje waakt, kan zich de volgende dag niet concentreren. Daarom moet een leraar de context begrijpen. Pas dan kun je echt lesgeven.” 

Zijn motto vat zijn levensweg samen: “Zoek de eeuwige prijs.” 

“Voetbal was ooit mijn hemel,” glimlacht hij. “Nu probeer ik jongeren te helpen een andere hemel te vinden – één waarin ze zichzelf en hun geloof in God vinden.” Iboma werkt ook nog steeds voor het Bijbelhuis als jongerenwerker, een soort buurthuis dat gesitueerd is in een aandachtswijk in Antwerpen-Noord waar heel veel drugsproblemen, kansarmoede en illegaliteit zijn. 

“Ik werk er samen met scholen en allerlei andere sociale organisaties, maar eigenlijk blijft voetbal mijn core business. Ik organiseer wekelijks voetbalactiviteiten, begeleid individuele jongeren die het op allerlei levensdomeinen moeilijk hebben waardoor ik er bekend sta onder de naam ‘grote broer’. Iets wat ik heel leuk vind.”

Progressieve vs. conservatieve christenen:koorddansers gezocht

Origineel gepubliceerd op Doorbraak. Voor een langere versie, zie hier.

Net zoals de westerse wereld steeds meer gepolariseerd raakt tussen ‘links’ en ‘rechts’, vind je die spanning ook in de verschillende kerken: modern tegenover traditioneel, vernieuwend tegenover behoudend. In de VS: pro-Trump versus anti- Trump. Soms zijn de discussies respectvol en sereen, maar soms ook geëmotioneerd en niet zo vol van ‘broederliefde’. En beide kampen citeren Bijbelverzen om hun gelijk te staven. Wie zijn ‘de echte’ christenen?

Is God progressief of conservatief? De vraag is lachwekkend natuurlijk; ze toont tegelijk de zinloosheid van die tweedeling. Als God eeuwig en onveranderlijk is, is Hij oerconservatief, en als Hij ‘alle dingen nieuw maakt’, moet Hij toch ultraprogressief zijn? Een concretere vraag: was Jezus links of rechts? Jezus oversteeg alle partijen en kampen, liet zich nooit in één hokje vangen. Wie durft hem exclusief in zíjn kamp te claimen?

De juiste balans

Vanwaar die onzalige strijd tussen geloofsgenoten? We moeten onderscheid maken tussen de geloofsinhoud en de Bijbelinterpretatie over ethische kwesties. Conservatieve christenen focussen meer op de privémoraal; progressieve op de sociale dimensie. De eersten komen op voor hoge normen in huwelijk en gezin, trouw en seksuele zuiverheid; die laatsten voor naastenliefde, zorg voor de zwaksten en gerechtigheid in de sociale sfeer. Gods heiligheid versus Gods barmhartigheid: de verticale dimensie van het kruis (gebed en geloof) tegenover de horizontale (liefdadigheid en actie).

Maar aangezien het kruis twee balken heeft, is de oplossing nogal evident: beide zijn nodig, in de juiste balans. God liefhebben én de naaste liefhebben, ora et labora (‘bid en werk’)! De verticale balk is wel de meest cruciale: de goddelijke dimensie wegknippen en alleen het menselijke overhouden, is een jammerlijke reductie. Een priester is véél meer dan een sociaal werker. Moeder Teresa was uiterst sociaal, maar gebed was bij haar prioritair, want ze wist dat God de bron is van alle naastenliefde.

Genderneutrale God

Progressieven zeggen dat geloof en kerk moeten mee-evolueren met de tijd. Volgens conservatieven blijft de boodschap van de evangelies eeuwig dezelfde: de waarheid en morele waarden ‘evolueren’ niet. Beiden hebben gelijk, maar telkens gedeeltelijk: gaat het namelijk om de inhoud of de verpakking? De Bijbel moet zeker hertaald worden naar hedendaags Nederlands, maar moet hij ook herschreven worden: ‘aangepast’ aan de moderne hypes, ‘verbeterd’ of geüpgraded? Hebben we vandaag een ‘verhevener’ begrip van God dan Jezus? Moeten we bijvoorbeeld over God spreken als een ‘zij’, zoals feministen vragen, of Hem genderneutraal benoemen?

De kernwaarheden – zoals in de apostolische geloofsbelijdenis – evolueren natuurlijk niet, maar de inzichten over hoe dat toe te passen wel: zie de eigentijdse communicatievormen en taalgebruik, de moderne muziekstijlen en media. Maar ‘moderne’ christenen willen ook inhoudelijk ‘vernieuwing’: ze zien de kerken leeglopen, en achten het – in een soort paniek? – nodig het geloof zelf ‘aan te passen’ aan de moderne consensus. Werd God vroeger veel te streng voorgesteld, vandaag is Hij de lieve opa die altijd ‘ja’ zegt om iedereen te vriend te houden: een beetje goedzakkig dus, conform aan de anti-autoritaire mode. De drempel wordt verlaagd, de boodschap gepopulariseerd en gesuikerd.

Slap en smakeloos

Maar wie almaar meer water bij de wijn doet, maakt hem slap en smakeloos: ‘Een beetje goed zijn voor je medemens: dat is alles wat God vraagt, nietwaar?’

‘Je moet de Bijbel toch niet letterlijk nemen?’ Natuurlijk is niet alles in de Bijbel letterlijk bedoeld, maar als dat betekent ‘Je moet dat niet zo serieus nemen’, wordt dat iets heel anders. De liberale kerken blijken leeg te lopen: een verwaterd geloof heeft geen aantrekkingskracht, het zout is zouteloos geworden. Is er nog verschil met zedenleer?

In het abortusdebat stelt de pro life-groep dat het leven heilig is vanaf de conceptie, een zeer christelijke gedachte; de pro-choicers stellen liefde en empathie voor kwetsbare moeders voorop, ook zeer christelijk. Ideaal zou zijn: uit liefde voor de moeder haar alle hulp aanbieden waardoor ze haar kind – dat ze misschien ook heel erg wil – kan houden. Liefdevol zijn én het leven heilig achten: kan het? Ja, mits we erkennen dat het leven van de foetus primeert op de nood van de moeder.

‘Progressief zijn’ betekent dat je vooruitgang en verbetering wilt: wie kan daar in godsnaam tegen zijn? Moet je daarom verplicht het hele pakket van ‘linkse’ standpunten delen? Een open migratiebeleid, vrije moraal, abortus tot twintig weken, euthanasie en gendertransitie voor minderjarigen, emancipatie van sekswerk, permissieve opvoeding, liberale Bijbelinterpretatie, elektrische auto’s en pro-Palestina?

Het lijkt op – in de economie verboden – koppelverkoop, een geforceerde ineenstrengeling van niet bij elkaar passende zaken. Wie bekommerd is om de zeehondjes is progressief, wie bekommerd is om menselijk (ongeboren) leven is conservatief: echt? Kan ik nog voor vrouwenrechten zijn, maar tegen abortus, vóór klimaatdoelstellingen en tegen transgenderisme? De links-rechts-tweedeling reduceert de discussie tot een heilloos ‘wij-zij-verhaal’.

Monddood

De kerk wordt gewoonlijk als conservatief afgeschilderd, maar ze heeft minstens evenveel progressieve elementen. Ze heeft een missie, als ‘zout en licht’ in deze wereld en moet profetisch zijn in plaats van zich aan te passen als een kameleon. Regelmatig zal ze tegen de haren moeten instrijken, zoals Jezus zelf. Als ze niet meer de scherpte of moed heeft om weerwerk te bieden tegen het toenemende consumentisme, humanisme, atheïsme of nihilisme, heeft ze zich monddood laten maken. De kerk moet de eeuwenoude, rijke joods-christelijke erfenis bewaren en doorgeven, omdát ze bezorgd is om een betere toekomst. Ze is eigenlijk de meest progressieve beweging ooit: ze kijkt héél erg vooruit naar de eeuwigheid, de uiteindelijke ‘nieuwe hemel en nieuwe aarde’.

Conservatieven kunnen vervallen in rigiditeit, farizeïsme of liefdeloosheid: een verstard geloof leidt tot irrelevantie. Progressieven kunnen vervallen in moreel relativisme en populisme: een verwaterd geloof leidt tot pseudoreligie en ook tot irrelevantie. Progressieven zeggen: vooruitgang is altijd goed. Conservatieven stellen: als deze wereld ‘vooruit’ stormt naar de afgrond, moet je niet vol gas geven, maar de rem aantrekken!

Ach kom, het móét mogelijk zijn voor ‘broeders en zusters’ om valse tegenstellingen en noodlottige polarisatie te overstijgen: om aan heilige principes onwrikbaar vast te houden en tegelijk uiterst menselijk te zijn voor gebroken mensen in verwarrende situaties. Veel mildheid voor uitzonderingen zonder de gezonde kaders af te breken. De delicate balans tussen waarheid en liefde, gerechtigheid en genade is een dunne koord voor alle christenen. Zalig zijn de koorddansers, want …