Over welke AI Europa nodig heeft en hoe het tegenmacht kan opbouwen

Origineel gepubliceerd bij Streven Vrijplaats.

Big Tech beschikt niet alleen over veel geld. De bedrijven bezitten infrastructuur die ook overheden nodig hebben. Tijdens de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran bleef Claude, ingebouwd in Palantirs militaire Maven-systeem,[1] operationeel, terwijl Anthropic en het Pentagon ruzieden over de voorwaarden voor militair gebruik. Starlink bepaalt mee waar militaire communicatie beschikbaar blijft. Palantir levert systemen voor toezicht en oorlogsvoering. Jurgen Masure noemt die machtsorde een techbrocratie: economische macht vloeit door naar politieke invloed en militaire slagkracht.[2]

Dezelfde machtsverschuiving zien we ook buiten oorlogvoering. Bedrijven beslissen waarin ze investeren, welke arbeid ze automatiseren en welke infrastructuur ze bouwen. Tegen de tijd dat het publieke debat volgt, liggen veel keuzes al vast in modellen, datacenters en langlopende contracten. Daar zit de scheiding tussen kapitaal en democratie. Wie het kapitaal bezit, kan de toekomst al bouwen. De rest mag achteraf proberen er voorwaarden aan te stellen.

De zoektocht naar tegenmacht groeit, en de voorstellen vallen grofweg in vier groepen. Technologische autonomie wil capaciteit opbouwen buiten Amerikaanse en Chinese Big Tech. Publiek eigendom brengt infrastructuur, modellen of data in handen van overheden of publieke instellingen. Democratische controle laat het eigendom eventueel ongemoeid, maar geeft burgers, werknemers en andere betrokkenen afdwingbare rechten. AI als commons wil medebestuurders maken van de mensen die de technologie gebruiken en voortbrengen.

De vier antwoorden doen dus iets anders. Technologische autonomie verandert van wie we afhankelijk zijn. Publiek eigendom verandert de eigenaar. Democratische controle begrenst zijn macht. Een commons deelt het bestuur, en soms ook het eigendom. Welke combinatie van de vier antwoorden nodig is, hangt af van de plaats in de AI-keten.

Waarom tegenmacht zo moeilijk te bouwen is

Achter AI liggen minstens vijf machtslagen: trainingsdata, modellen, chips, rekeninfrastructuur en energie. Wie op één laag macht probeert te verdelen, kan op de volgende laag opnieuw afhankelijk worden. Een open model of een lokale toepassing volstaat dus niet. De geplande TeraFab van Musk[3] toont bovendien hoe macht over verschillende lagen kan samenkomen: Tesla, SpaceX en xAI willen naast modellen en toepassingen ook zelf AI-chips produceren.

Vooral rekeninfrastructuur vraagt enorme investeringen voordat vaststaat hoeveel klanten ervoor zullen betalen. Ed Zitron laat zien hoe gebruik, investeringen en infrastructuur kunnen groeien voordat er voldoende onafhankelijke, betalende vraag bestaat.[4] Dat probleem raakt niet alleen commerciële modelbouwers, maar ook het commonsverhaal. ThreeFold, dat op veel kleinere schaal werkt dan de hyperscalers, beloonde deelnemers voor de capaciteit die ze beschikbaar stelden, ook wanneer niemand die gebruikte. Slechts een fractie van hun technische capaciteit blijkt effectief in gebruik.[5] Opvolger Project Mycelium probeert inkomsten sterker aan werkelijk gebruik te koppelen, maar of het voldoende betalende vraag zal vinden, moet nog blijken.[6]

AI vergroot tegelijk de druk op de energielaag: datacenters vragen steeds meer stroom, terwijl elektriciteitsnetten in delen van Europa al overbelast zijn.[7]  Eén geplande AI-gigafactory of AI-datacentercluster kan zelfs een gigawatt vragen, vergelijkbaar met de capaciteit van een kerncentrale.[8]

Zelfs als er voldoende geld en stroom zijn, blijft de vraag wie mag beslissen. AI raakt veel meer mensen dan er aan de bestuurstafel kunnen zitten. Daarom blijven vertegenwoordiging, toezicht, beroep en publiek recht nodig.

Echte tegenmacht moet technisch werken, haar rekening kunnen betalen en corrigeerbaar blijven.

Welke AI moet Europa zelf kunnen bouwen en gebruiken?

Rekeninfrastructuur blijft duur. Maar niet iedere toepassing vraagt een gigantisch, algemeen model. Volgens Kostakis en Tympas komt het enorme energieverbruik van AI deels voort uit de keuze voor modellen die alles moeten kunnen.[9] Voor afgebakende taken kunnen kleinere, gespecialiseerde modellen vergelijkbare prestaties halen. Ze vragen minder rekenkracht en kunnen lokaal draaien. Europa moet dus niet alleen vragen hoe het de hyperscalers kan evenaren, maar vooral welke AI het werkelijk nodig heeft.

Het Chinese open-weight taalmodel DeepSeek toonde nog iets anders: ook een groot, algemeen taalmodel kan efficiënter met rekenkracht omgaan. Toen dat besef in januari 2025 tot de beurs doordrong, verloor Nvidia op één dag bijna 17 procent: beleggers begonnen te twijfelen aan de verwachting dat krachtige AI altijd meer chips nodig zou hebben.[10]

Doet Europa niets?

De Europese Commissie bracht in juni 2026 open source, chips, cloud, AI en energie samen in één pakket voor technologische soevereiniteit.[11]

Europa heeft enkele sterke posities in de chipketen. Het Nederlandse ASML heeft nog een monopolie op de EUV-machines waarmee de meest geavanceerde chips worden gemaakt, al investeert Huawei mee in Chinese lithografietechnologie om die positie te doorbreken. Het Belgische imec behoort tot de belangrijkste onderzoekscentra voor chiptechnologie. Het Nederlandse Axelera AI ontwikkelt met Europese steun energiezuinige chips waarop bestaande AI-modellen kunnen draaien. Maar Axelera is nog klein. Europa heeft geen chipontwerper met de schaal en het software-ecosysteem van Nvidia, en de geavanceerde AI-processoren in zijn datacenters komen grotendeels van buiten Europa.

Op de rekenlaag bouwt Europa intussen wel meer eigen capaciteit op. De AI Factories van EuroHPC stellen publiek gefinancierde rekenkracht ter beschikking. De geplande AI-gigafactories, tot zeven in totaal, moeten nog veel groter worden en de krachtigste algemene modellen kunnen trainen. Vlaanderen beschikt met Sofia over een Tier-1-supercomputer die specifiek op AI is gericht, al draait hij wel op Nvidia-chips.

Ook op de modellaag beweegt er iets. Het Franse Mistral haalde in september 2026 drie miljard euro op om zijn modellen en onderzoek verder uit te bouwen. EuroLLM heeft al een reeks open-weight taalmodellen uitgebracht voor alle 24 officiële EU-talen. Daarnaast hebben verschillende Europese landen eigen modellen ontwikkeld.

Hoe versterkt Europa zijn positie?

De Europese initiatieven vormen nog geen samenhangend ecosysteem. Het EuroStack-rapport noemt die versnippering een centraal Europees probleem. Lidstaten bouwen afzonderlijk modellen en infrastructuur, terwijl hun overheden digitale technologie elk voor zich blijven aankopen, vaak bij de gevestigde Amerikaanse aanbieders.[12] EuroStack wil daarom Europese infrastructuur verbinden en gezamenlijke standaarden en aanbestedingsregels invoeren. Wanneer overheden de Europese alternatieven ook werkelijk gebruiken, ontstaat een markt waarin ze verder kunnen groeien. Anders blijven het losse projecten naast de ecosystemen van Big Tech.

De Italiaans-Britse filosoof en AI-ethicus Luciano Floridi vat Europa’s zwakke positie samen als rules without models: Europa reguleert AI die het zelf niet beheerst.[13] Hij pleit daarom voor een permanente publieke Europese instelling die open modellen ontwikkelt en onderhoudt. Tijdelijke onderzoeksprojecten vormen nog geen capaciteit waarop publieke diensten jarenlang kunnen rekenen.

Alicia García-Herrero en Soumitra Dutta pleiten voor een pragmatisch minimum.[14] Hun idee: Europa hoeft niet de hele AI-keten zelf te beheersen. Het moet wel voldoende gezamenlijke rekenkracht behouden om kritieke toepassingen te laten werken wanneer een buitenlandse aanbieder de toegang afsluit. Daarnaast kan het een coalitie vormen met complementaire partners buiten de Amerikaans-Chinese AI-as: Taiwan voor chipproductie, Zuid-Korea voor geheugen en rekenkracht, Japan voor instituties die data beheren en India voor digitale publieke infrastructuur.

Die coalitiegedachte heeft wel een grens. Bij strategische toepassingen zoals defensie en kritieke communicatie blijft ook een bondgenoot een afhankelijkheid. Juist daar speelt technologische autonomie het scherpst.

Europa doet niet niets. Het bouwt veel, maar versnipperd. Het luistert niet noodzakelijk te veel naar juristen. Het organiseert zijn ingenieurs slecht. Nu moet het de losse initiatieven verbinden en blijvende capaciteit verankeren. Europa begint dat gat nu te dichten. In september 2026 kondigden negentien lidstaten IPCEI AI aan, een gezamenlijk project dat de AI-stack bestrijkt, van rekentechnologie tot toepassingen.[15]

Wie bezit wat Europa bouwt?

Europese capaciteit zegt nog niets over wie haar bezit. Voor geavanceerde AI-chips investeert Europa voorlopig vooral in onderzoek en proefproductie. De Chips Act steunt onder meer NanoIC bij imec, waar nieuwe chiptechnologie kan worden ontwikkeld en getest. Dat levert strategische kennis en infrastructuur op, maar nog geen publieke fabriek die op grote schaal Europese AI-processoren produceert.

Op de rekenlaag organiseert Europa wel publieke toegang tot capaciteit. De AI Factories worden gebouwd rond publiek gefinancierde EuroHPC-supercomputers. Bij de geplande gigafactories loopt publiek geld opnieuw samen met veel privaat kapitaal. Daarom moet duidelijk zijn wie de infrastructuur bezit en wat tegenover de publieke investering staat. Krijgt het publiek blijvende toegang, eigendom of een aandeel in de opbrengsten?

Wie bezit de data waarmee we AI trainen?

Uitgevers en media blokkeren AI-crawlers zoals GPTBot of onderhandelen rechtstreeks met Amerikaanse modelbouwers om meer controle te krijgen over hun data. Axel Springer, Le Monde en de Financial Times sloten overeenkomsten over het gebruik van hun archieven voor modeltraining en AI-antwoorden. Zulke deals erkennen dat trainingsdata economische waarde hebben, maar kleinere media en individuele makers hebben veel minder onderhandelingsmacht.

Een publieke datatrust,[16] zoals voorgesteld door Alan Chan, Herbie Bradley en Nitarshan Rajkumar, kan die onderhandeling bundelen, data beheren namens het publiek en een deel van de opbrengsten opeisen. Een analyse van Open Future beschrijft hoe trainingsdatasets als commons kunnen worden bestuurd.[17] Het Vlaamse VLAM-programma onderzoekt hoe Vlaamse media hun archieven gezamenlijk kunnen inzetten voor eigen AI-toepassingen.

Hoe maken we ons minder afhankelijk?

Het eerder genoemde DeepSeek is niet alleen efficiënt, het is ook open-weight: ontwikkelaars kunnen de modelgewichten downloaden en het model op eigen infrastructuur draaien en aanpassen. Via Hugging Face, een platform waarop ontwikkelaars open modellen delen, werd het officiële DeepSeek-R1-model alleen al in augustus 2026 ruim vijf miljoen keer gedownload.

Michel Bauwens ziet in DeepSeek een katalysator voor peer-to-peer AI (P2P-AI): AI die niet voor iedere toepassing via één centrale aanbieder hoeft te lopen.[18]

Een open-weight model als DeepSeek opent slechts één van de vijf machtslagen achter AI: de modellaag. Het is niet volledig open source. De modelgewichten zijn beschikbaar, maar de trainingsdata en een deel van het bouwproces blijven gesloten.

OpenEuroLLM wil verder gaan. Het wil naast de modelgewichten ook trainingsdata, trainingsmethoden en evaluaties toegankelijk maken. Voor de training van de modellen krijgt het consortium toegang tot publieke rekenkracht van EuroHPC. Het Zwitserse Apertus toont dat zo’n verregaande openheid al mogelijk is.

Niet iedere afhankelijkheid laat zich even gemakkelijk doorbreken. Een gesloten model van OpenAI of Anthropic kun je niet naar andere infrastructuur verhuizen. Een open model kan wel op zelfgekozen infrastructuur draaien. Die infrastructuur kan in Europa staan en toch van Amazon, Microsoft of Google zijn. Of ze kan van een Europese aanbieder zijn. Maar ook die kan afhankelijk blijven van Nvidia, omdat veel AI-software specifiek voor Nvidia-chips is ontwikkeld en op het Nvidia CUDA-platform blijft steunen.

De macht van Nvidia reikt intussen verder dan chips en software. Begin september 2026 kondigde het bedrijf aan Hugging Face voor 12,93 miljard dollar over te nemen. Het platform zou open blijven en andere chipmerken blijven ondersteunen. Maar als de deal doorgaat, komt een belangrijke toegangspoort tot open modellen wel in handen van de dominante leverancier van AI-chips.

Naast de keuze voor een open model kan een bedrijf zijn afhankelijkheid ook beperken door zijn AI-toepassing slim op te bouwen. Het kan bijvoorbeeld een model van OpenAI gebruiken, maar zijn data, geheugen en bedrijfslogica zelf beheren. Bij een overstap hoeft dan niet de hele toepassing te worden herbouwd, maar vooral de aansluiting op het taalmodel. Opnieuw testen blijft wel nodig, want een ander model geeft niet noodzakelijk dezelfde antwoorden.

Ook wetgeving helpt afhankelijkheid reduceren. De Europese Data Act laat gebruikers gemakkelijker overstappen tussen clouddiensten en hun data meenemen.[19]

Hoe verdelen we de zeggenschap over AI?

Velen argumenteren dat AI een general-purpose technology is,[20] vergelijkbaar met de stoommachine, elektriciteit en het internet. AI verandert niet één sector. Ze wordt een basislaag onder steeds meer economische en publieke activiteiten. Wie die laag beheert, krijgt macht op meerdere terreinen tegelijk. Het bestuur ervan is dus ook een democratische vraag.

Ook wanneer de infrastructuur in publiek bezit is, blijft de vraag wie beslist. Burgers, werknemers en gebruikers krijgen niet automatisch medezeggenschap, bijvoorbeeld over welke toepassingen voorrang krijgen.

Gilad Abiri stelde een ambitieus politiek model voor.[21] Zijn idee: burgers brengen via hoorzittingen, burgervergaderingen en consultaties principes aan. Een kleinere groep verwerkt die tot een AI-grondwet, die daarna via een referendum of een verkozen orgaan wordt bekrachtigd. Menselijke AI Courts passen de beginselen vervolgens toe op concrete conflicten. Hun uitspraken vormen precedenten waarmee grote modellen kunnen worden getraind.

Een concreter maar vrijwillig voorstel komt van Em Lenartowicz.[22] Stel dat een ziekenhuis, gemeente of bedrijf een AI-toepassing inzet. Via de AI Commons Commitments kan het zich vrijwillig verbinden aan een of meer van zes profielen: wederkerigheid, ecologische duurzaamheid, openheid, governance, toegang en waarde. Het governanceprofiel geeft medezeggenschap aan de mensen die de gevolgen van de AI-toepassing dragen.

Zeggenschap speelt ook bij de aankoop van AI. AI Polis van Bart Becks adviseert steden en publieke instellingen over AI-strategie, leverancierskeuze en bestuur. Steden moeten begrijpen wat ze aankopen, voorwaarden kunnen stellen en van leverancier kunnen veranderen. AI Polis wil hun ervaringen bovendien vertalen naar gemeenschappelijke Europese standaarden en beleid.

De eerder besproken voorbeelden tonen waar gemeenschappelijk bestuur kan beginnen: media kunnen hun archieven gezamenlijk beheren, getroffen groepen kunnen medezeggenschap krijgen over een AI-toepassing en steden kunnen samen voorwaarden en standaarden ontwikkelen. Een AI-commons hoeft daarvoor niet de hele keten te omvatten. Ze kan ontstaan rond een afgebakende hulpbron of toepassing.

Tegenmacht op meerdere lagen

Macht verdelen betekent niet dat alle centra moeten verdwijnen. Chips en grote rekeninfrastructuur vragen schaal, en sommige veiligheidsvragen internationale coördinatie. Het probleem ontstaat wanneer één bedrijf of staat ergens in de keten zo machtig wordt dat anderen er moeilijk omheen kunnen en zijn beslissingen nauwelijks kunnen corrigeren.

Een crash van de commerciële AI-uitbouw kan ruimte creëren, maar bepaalt niet wie die inneemt. Sterke bedrijven kunnen afgewaardeerde datacenters, chips, modellen en onderzoeksteams goedkoop opkopen. Overheden kunnen strategische infrastructuur redden zonder in ruil eigendom of zeggenschap te krijgen. Maar dezelfde crash kan open, gespecialiseerde en energiezuinigere modellen ook vooruithelpen.

Europa hoeft geen kopie van Big Tech te bouwen. Het moet bepalen welke AI het werkelijk nodig heeft en daarvoor voldoende samenhangende capaciteit opbouwen en onderhouden. Rond trainingsdata en concrete AI-toepassingen kan gemeenschappelijk bestuur werkelijk macht verdelen.

Wat als de collaps niet komt?

Origineel gepubliceerd bij Apache.

Wie online gaat, ziet overal voorspellingen van instorting. De schulden zijn te hoog, de beurs gaat crashen, AI maakt mensen overbodig, oorlog staat voor de deur, de samenleving polariseert, het klimaat nadert kantelpunten en de westerse beschaving loopt op haar einde.

Sommigen bereiden zich voor, en niet alleen praktisch. Binnen collapse awareness gaat het ook over hoe je leeft met het idee dat het grondig kan misgaan.

Het Deep Adaptation Forum ontstond in 2019 vanuit de vrees voor diepe ontregeling door de klimaatcrisis. Wie zich prepper noemt, legt voorraden aan voor oorlog, hyperinflatie of een langdurige stroomuitval. ALLFED onderzoekt hoe de wereld gevoed kan worden na een kernoorlog, een pandemie of een supervulkaan.

Ook overheden bereiden burgers voor op ontregeling. De oorlog in Oekraïne gaf daar een nieuwe urgentie aan, al gaan de adviezen ook over stroomuitval, cyberaanvallen, extreem weer en andere crisissen. Zweden en Noorwegen stuurden in 2024 een crisisbrochure naar elk huishouden, en ook Denemarken publiceerde er een. Finland zet burgers via een voorlichtingscampagne aan om drie dagen zelfstandig te kunnen overbruggen. In maart 2025 riep ook de Europese Commissie haar burgers op om voor minstens 72 uur voorraden aan te leggen.

Al die vormen van voorbereiding richten zich op een herkenbare crisis: de stroom valt uit, voedsel wordt schaars, hulp blijft weg. Maar wat als er geen duidelijke breuk komt en het systeem grotendeels gewoon verdergaat?

Een slecht huwelijk breekt niet altijd

Een slecht huwelijk eindigt niet noodzakelijk in een scheiding. Het kan jaren blijven voortkabbelen. Echte gesprekken worden vermeden. Er zijn veel ruzies, of er zijn er geen. Wat ooit onaanvaardbaar was, wordt gewoon. Misschien neem je steeds meer op je: de zorg, het geld, het huishouden. En slik je teleurstellingen in.

Van buitenaf bestaat het huwelijk nog. Misschien lijkt het zelfs stabiel. Niet omdat de problemen zijn opgelost, maar omdat de partners de schade dragen.

Misschien doen samenlevingen iets gelijkaardigs. Ook zij kunnen lang blijven functioneren zonder te herstellen wat niet meer werkt. Een moderne samenleving kan een breuk op veel manieren uitstellen: met technologie, met financiële constructies en door de lasten anders te verdelen.

Hoe technologie en financiële constructies een breuk uitstellen

Veel vroegere samenlevingen leefden dicht bij de bestaansgrens. Een misoogst, droogte of onderbroken handelsroute kon snel tot honger en ontvolking leiden. Moderne samenlevingen kunnen zulke schokken veel langer opvangen. Niet noodzakelijk omdat we lokaal veerkrachtiger zijn, maar omdat grote systemen voedsel en energie aanvoeren en geld en hulp herverdelen. Zolang die systemen blijven werken, kan een breuk lang worden uitgesteld.

De antropoloog Joseph Tainter beschreef hoe samenlevingen problemen oplossen met steeds meer complexiteit: regels, specialisten en bestuurslagen. Dat levert eerst veel op, maar op een bepaald punt kost extra complexiteit meer dan ze opbrengt.

Nieuwe technologie kan dat punt verder wegduwen. Ze houdt een steeds complexer systeem langer betaalbaar en bestuurbaar. Apps kunnen diensten halvelings draaiende houden, ook met weinig personeel. Tegelijk wordt het geheel afhankelijker van technologie die bijna niemand nog overziet.

Ook financieel kan een breuk worden uitgesteld. Commerciële banken kunnen met geldcreatie en herfinanciering tijd kopen. Centrale banken doen dat met renteverlagingen en extra geldcreatie. Tekorten worden gefinancierd en schulden geherstructureerd of naar later doorgeschoven. Door dat voortdurende uitstel is een financieel bouwwerk ontstaan waarvan de betaalbaarheid sterk afhangt van toekomstige groei.

Sommigen zien in AI de nieuwe productiviteitsgolf die het financiële bouwwerk alsnog betaalbaar kan maken. Dan stelt technologie de breuk niet alleen uit, maar kan ze een deel van het probleem werkelijk oplossen. Of dat lukt, is nog erg onzeker.

Wie de rekening draagt

Een samenleving kan de lasten ook anders verdelen. Dat kan rechtvaardiger gebeuren, bijvoorbeeld met sociale zekerheid, arbeidswetten en publieke zorg. Maar lasten kunnen ook verschuiven naar mensen die zich moeilijk kunnen verweren, naar toekomstige generaties of naar armere regio’s waar grondstoffen worden gewonnen en afval terechtkomt.

Een loket sluit, er komt een app voor in de plaats, en de besparing staat netjes in de begroting. Wat het burgers aan tijd en moeite kost, staat nergens. Wie op de dienst aangewezen is, vult formulieren in, doorloopt keuzemenu’s en probeert aan een systeem uit te leggen waarom zijn eigen situatie er niet in past. De dienst blijft bestaan, terwijl een deel van het werk bij de gebruiker belandt.

In de zorg zie je iets gelijkaardigs. Wanneer professionele hulp niet beschikbaar of betaalbaar is, verdwijnt de zorg niet. Een gezin vult het gat. Wat de professionele zorg niet aankan, wordt daarbuiten opgevangen.

De verschraling raakt iedereen. Ook wie geld heeft, krijgt te maken met onbereikbare diensten, minder menselijke aandacht, ontwrichting en eenzaamheid. Geld biedt natuurlijk wel meer uitwegen wanneer publieke diensten tekortschieten. Maar ook met geld koop je nog geen andere samenleving.

Instorting zonder breuk

We verwachten dat instorting een breuk is. Een net dat uitvalt of iemand die niet meer uit bed komt. Zolang iets nog functioneert, noemen we het geen instorting.

Maar functioneren is geen bewijs van gezondheid. Iemand met high-functioning depression kan ook nog opstaan, werken en meedraaien. Voor de buitenwereld lijkt er weinig aan de hand. Vanbinnen voelt het anders, en soms gaat bijna alle energie naar het overeind houden van die buitenkant.

Technologie, financiële constructies en menselijke inzet kunnen lang opvangen wat niet meer goed werkt. Zo kan een systeem blijven functioneren door de druk naar individuen te verschuiven. Maar anders dan het systeem kunnen mensen wél instorten. Dat is geen abstract risico: vandaag vallen grote aantallen mensen langdurig uit, onder meer door burn-out.

Misschien laat de grote collaps zo nog lang op zich wachten, of komt ze nooit. De orde kabbelt voort, terwijl steeds meer mensen haar instorting afzonderlijk dragen.

We moeten het idee van een vijandige natuur inwisselen voor dat van een gemeenschappelijk, te herstellen huis

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

In Het onbehagen in de cultuur constateert Freud dat de beschaving bestaat om de mens tegen de gevreesde natuur te beschermen. Dat gebeurt door haar “met technologie aan te vallen en aan de menselijke wil te onderwerpen”. Dankzij vele overwinningen zijn we vandaag inderdaad minder kwetsbaar: gesels als de Zwarte Dood buigen voor de kartonnen doosjes van goedkope antibiotica, de woeste wateren van de oceanen zijn snelwegen voor onze globale pakjeseconomie geworden.

Toch is de natuur nog niet volledig onderworpen. De coronapandemie, de moordende moddervloed in Nepal, het verzengende vuur van deze zomer … ze drukten ons met de neus op de feiten: de natuur wint nog steeds gevechten. Meer nog, onze nederlagen zijn vaak het gevolg van eerdere overwinningen: met de klimaatverandering krijgen we bijvoorbeeld de rekening voorgeschoteld van de industriële revoluties die ons bovenstaande zegeningen brachten.

Hoewel we ons vanwege een groeiende bezorgdheid voor de planeet minder kunnen vinden in het conflict tussen mens en natuur dat Freud beschrijft, gaan we toch door op hetzelfde elan: met technologie de elementen bedwingen. We verdrinken valleien met dammen, plaveien woestijnen met zonnepanelen en richten te land en ter zee windturbines op om groene stroom te genereren. We sturen de biologische evolutie met embryoselectie, genetische modificatie en synthetische organismen om ziekten uit te roeien, voedselproductie te optimaliseren en CO2 uit de lucht te halen.

Overzien we wel wat de gevolgen zijn van deze nieuwe technologische revoluties? Voorspellen we de toekomst beter dan de eerste mensen die steenkool en aardolie verbrandden? Of zullen we nóg meer technologie moeten inzetten om ook de gevolgen van ons huidig technologiegebruik recht te zetten? Het lijkt soms alsof we medicatie innemen om de bijwerkingen van diezelfde medicatie te bestrijden. Het is begrijpelijk dat de natuur revolteert: ze wordt steeds meer een industrieproduct. Toch moeten we de technologie niet verwerpen. Haar zegeningen zijn reëel: tweehonderd jaar geleden zouden twee van mijn vijf kinderen jong sterven. Maar de catastrofale gevolgen van ons technologiegebruik zijn ook steeds reëler: klimaatverandering, milieuvervuiling en mogelijk de grootste massa-extinctie sinds de dinosauriërs.

Lissabon 1755

De vraag is niet of we technologie inzetten, maar hoe. En dat hangt af van hoe we ons verhouden tot de natuur. De aardbeving die in 1755 Lissabon vernielde, had een grote invloed op verlichtingsdenkers als Voltaire, die haar aanhaalden om het idee van een wereld beheerd door een goede God te bekritiseren. En de wreedheid van het dierenrijk – de sluipwesp die eitjes in een insect legt, dat vervolgens van binnenuit door larven wordt verorberd – ondermijnde Darwins geloof in een goedaardige schepping. De schepping vervelde zo tot een onverschillig, zelfs vijandig universum. “Nature, red in tooth and claw”, schreef Tennyson halverwege de negentiende eeuw. Zo’n kijk op de natuur nodigt uit tot strijd en bemeesteren, met alle gevolgen van dien.

Kunnen we ons anders verhouden tot de natuur? In zijn eco-encycliek Laudato si’ schrijft Paus Franciscus dat de mens niet buiten de natuur staat, maar er integraal deel van uitmaakt. Bovendien zijn we geen kolonisten, maar beheerders aan wie een wereld werd toevertrouwd. De aarde is “ons gemeenschappelijk huis”. Toch is dat huis nooit volledig herbergzaam geweest. Om te geloven in een primordiale harmonie moeten we wegkijken van natuurrampen en dierlijke wreedheid. Wel zou de mogelijkheid van harmonieus samenleven in de natuur besloten liggen. Er is dus nog werk aan ons huis, niet alleen om onze ondoordachte verbouwingen te herstellen, maar ook om het originele bouwplan te verwezenlijken. Daarbij komt technologie van pas.

Ons ingrijpen moet wel “een begeleiden” zijn, “een ondersteunen van de door de dingen zelf geboden mogelijkheden”, schrijft Franciscus. Zowel een bos als een airco doet de temperatuur dalen, maar het ene houdt zichzelf in stand, terwijl het andere voortdurend menselijk onderhoud vereist. Duinen en dijken zijn een ander voorbeeld.

Waar te onderhouden technologieën toch nodig zijn, beperken we die best tot een overzichtelijke schaal met minimale neveneffecten. Zonnepanelen zijn fantastisch, maar door hele woestijnen vol te zetten, raken lokale ecosystemen verstoord. En steriele gmo-gewassen zijn te beteugelen, maar reproducerende synthetische micro-organismen kunnen pandemieën veroorzaken. Verder moeten we de ritmes van de natuur volgen: duizenden hectare aan monocultuur, zoals in de Landes, is vragen om bosbranden. En wie zonder aangepaste architectuur in aardbevingsgebied bouwt, stelt zich bloot aan dodelijke rampen.

Techno-realisme

Technologie zal nodig zijn om herhalingen van de Nepalese modderstroom, de zomerse vuurzeeën en de coronapandemie te voorkomen. Maar technologie gaat waar wij sturen. Als we haar inzetten om de natuur te bedwingen zonder die goed te begrijpen, krijgen we meer rampen. We moeten het idee van een vijandige natuur inwisselen voor dat van een gemeenschappelijk, te herstellen huis. Dan zullen we technologie vaker inzetten op een manier die bij haar past. We moeten ook ons techno-optimisme inwisselen voor een techno-realisme: met mate en bezinning toegepast kan technologie helpen de natuur tot haar bestemming te brengen, maar ze lost niet alles op. We moeten vooral politieke, economische en sociale keuzes maken, over groei (eindeloos op een eindige planeet?), levensstijl (consumptie boven alles?), verdeling (wie betaalt?) en zeggenschap (wie beslist?).

Als we de natuur blijven bekampen, dan vrees ik dat ze uiteindelijk verpletterend zal winnen. We zijn nu eenmaal vlooien die schoppen tegen de schenen van een olifant. Als we de natuur daarentegen als goede rentmeesters bewonen, dan zal ze steeds herbergzamer worden. Al zal volledige harmonie – geen aardbevingen of parasitaire sluipwespen meer – toch iets voor de eeuwigheid blijven.

Als de AI-bubbel barst, is de bodem al verschoven

Origineel gepubliceerd bij Apache.

De manier waarop generatieve AI wordt verkocht en gefinancierd is oplichterij, zegt techspecialist en schrijver Ed Zitron. Dure, onbetrouwbare software wordt aangeprezen als magie, de sector financiert zichzelf deels circulair en niemand mag de rekeningen zien. Zijn financiële analyse snijdt hout. Tegelijk onderschat Zitron hoe AI arbeid, infrastructuur en macht blijvend herschikt.

Je betaalt twintig euro per maand en zet AI de hele dag aan het werk. Voor dat bedrag lijkt het bijna gratis. Achter die simpele interface staan datacenters ter grootte van fabriekshallen, energiecontracten en investeringen die in de honderden miljarden lopen. De echte rekening is veel groter.

Techspecialist, schrijver en podcaster Ed Zitron wijst al sinds 2024 op die discrepantie. In een recent interview met Steven Bartlett op The Diary of a CEO noemt hij de manier waarop generatieve AI wordt verkocht en gefinancierd een con. Bedrijven overdrijven wat AI kan, de echte kosten van training en gebruik blijven onzichtbaar, en de abonnementsprijzen lijken niet alle kosten te dekken. De sector financiert zichzelf voor een deel in een kring: dezelfde bedrijven zijn tegelijk investeerder, leverancier en klant.

Zitron heeft een punt. De variabele kosten zijn hoog, de verliezen lopen in de miljarden, de rekeningen zijn ondoorzichtig. AI maakt fouten, AI-adoptie wordt deels opgedrongen en AI-output vraagt nog vaak veel menselijke bewerking.

De publieke reacties op het interview zijn bijna even veelzeggend als het interview zelf. Eindelijk gezond verstand. Een verademing. Een intelligente kijk, broodnodig vandaag. Er is duidelijk een behoefte aan tegenspraak. Voor velen is AI niet alleen een overdreven belofte, maar een dreiging die ze het liefst zien verdwijnen. 

En toch. Uit een onhoudbare rekening volgt niet dat AI economisch onbelangrijk is.

Meer dan ChatGPT

Zitron analyseert vooral de commerciële uitbouw van grote generatieve modellen, niet het hele AI-veld. 

Veel wetenschappelijke en industriële AI gebruikt geen taalmodel. Voorspellende AI optimaliseert processen en helpt machines onderhouden voor ze stukgaan. Beeldherkenning leest scans en spoort fouten op productielijnen op. Wetenschappelijke AI helpt het weer voorspellen en elektriciteitsnetten aansturen. Robotica geeft AI via sensoren een greep op de fysieke wereld. Zulke systemen verschillen ook in kosten en betrouwbaarheid: een medische beeldanalyse hallucineert niet zoals een chatbot maar voert een afgebakende taak uit die je systematisch kunt testen. 

Er bestaan ook veel hybride systemen, waarin een taalmodel maar één onderdeel is. In engineering software kan je bijvoorbeeld intypen: ontwerp een beugel die een gegeven last draagt, zo licht mogelijk en printbaar in aluminium. Het taalmodel vertaalt die vraag naar ontwerpdoelen, een generatief systeem stelt vormen voor, en klassieke simulaties rekenen ze door: houdt de beugel de kracht, buigt hij niet te veel, kan de printer hem maken? De AI stelt voor. De fysica beslist.

Een crash in de commerciële generatieve-AI-sector zou dus niet alle AI op dezelfde manier raken. Toepassingen die afhankelijk zijn van een groot commercieel taalmodel kunnen uitvallen als hun aanbieder verdwijnt. Overschakelen naar een ander model kan, maar vraagt mogelijk aanpassingen en nieuwe tests. Maar veel opgebouwde kennis, software en datasets blijven bestaan. Waardevolle infrastructuur en onderzoeksteams kunnen door andere spelers worden overgenomen. De ontwikkeling stopt dus niet, maar kan wel vertragen en verschuiven naar kleinere, open en gespecialiseerde modellen.

Impact op de arbeidsmarkt

Dat een technologie functioneert, dat ze de gebruiker geld bespaart en dat de aanbieder eraan verdient, zijn drie verschillende dingen. De eerste twee kunnen kloppen terwijl de derde faalt. Je betaalt twintig euro voor iets dat je bruikbaar werk oplevert, terwijl dat bedrag mogelijk niet volstaat om de kosten van de aanbieder te dekken. Dat maakt het bedrijfsmodel kwetsbaar. Maar het maakt de technologie nog niet waardeloos.

De echte vraag is waar de waarde wordt verzilverd. Zelfs als generatieve AI economisch belangrijk wordt, hoeven de bedrijven die de grote modellen bouwen niet de winnaars te zijn. Modellen verouderen snel, de vaste kosten zijn hoog en de prijsconcurrentie is moordend. De waarde kan net zo goed worden verzilverd door de gebruikers, door bedrijven met unieke data, door de chip- en cloudleveranciers of door gespecialiseerde toepassingen.

Volgens Zitron zijn de kosten ruïneus: elke dollar omzet kost drie tot dertien dollar aan rekenkracht, en die kosten dalen niet snel genoeg. Critici, zoals Kelsey Piper, verwijten Zitron dat hij die kosten overschat en hun daling onderschat. Eigenlijk zijn er twee vragen: dalen de kosten per taak genoeg voor een gezonde marge, en groeit de betalende vraag snel genoeg om ook training, infrastructuur en kapitaal terug te verdienen? Op beide is er nog geen zeker antwoord.

Stel nu dat Zitron gelijk krijgt en de bubbel barst. Dan zijn er in de tussentijd al dingen in beweging gezet die niet zomaar terugveren.

Neem de arbeidsmarkt. Ontslagen die aan AI worden toegeschreven, bewijzen nog niet dat AI het werk heeft overgenomen. Het kan ook verschoven, uitbesteed of gewoon slechter gedaan zijn. En toch kan de verwachting van vervanging de verhoudingen nu al veranderen. Het duidelijkste signaal zit bij starters. Bij twintigers groeit de werkgelegenheid in beroepen die sterk aan AI zijn blootgesteld trager dan in minder blootgestelde beroepen. De kloof is intussen opgelopen tot ongeveer 19%, al is er geen hard bewijs dat AI de oorzaak is.

De dreiging van vervanging kan daarbovenop aanwervingen uitstellen en de norm opdrijven, ook zonder dat de automatisering al echt werkt.

Onderhandelingsmacht kan ook veranderen. Ze hangt immers mede af van hoe onmisbaar werknemers zijn. Nemen AI en robots meer werk over dan ze creëren, dan staan werknemers zwakker.

Kringfinanciering

De tweede verschuiving staat in beton gegoten, letterlijk. Stargate werd aangekondigd als een infrastructuurproject dat over vier jaar tot vijfhonderd miljard dollar wil investeren in datacenters voor AI. Die infrastructuur moet vandaag worden gebouwd voor inkomsten die pas morgen worden verwacht.

Een deel ervan wordt met schuld en langlopende verplichtingen gefinancierd. Naast de datacenters ontstaan afnamecontracten, energieovereenkomsten en investeringsbeloften. Die blijven bestaan, ook als de verwachte inkomsten uitblijven.

Binnen de generatieve-AI-sector financieren en bedienen dezelfde bedrijven elkaar. De Bank for International Settlements (BIS) noemt het circulaire financiering.

SoftBank is tegelijk een grote investeerder in OpenAI, financieel trekker van Stargate en partner in energie- en datacenterprojecten. OpenAI en SoftBank staken elk vijfhonderd miljoen dollar in SB Energy, waarna OpenAI dat bedrijf uitkoos voor een aangekondigde datacentersite in Texas.

Nvidia investeert in het cloudbedrijf CoreWeave, levert er de chips aan en garandeert bovendien dat het tot 2032 voor maximaal 6,3 miljard dollar aan onverkochte capaciteit koopt. Rond OpenAI zie je een vergelijkbaar patroon. Het haalde begin 2026 honderdtien miljard dollar op bij Amazon, SoftBank en Nvidia, een ronde die later tot honderdtweeëntwintig miljard opliep. Met dat kapitaal koopt het op grote schaal infrastructuur bij precies die investeerders.

Door die kringfinanciering is niet duidelijk hoe groot de echte vraag is van onafhankelijke klanten die de volle prijs uit eigen zak betalen. Dezelfde geldstroom kan binnen de kring verschijnen als investering, omzet en nieuwe vraag.

Dezelfde toekomstverwachting weegt ook fysiek. Volgens het Internationaal Energieagentschap gebruikten datacenters in 2024 ongeveer 415 terawattuur stroom, zowat anderhalf procent van de wereldvraag. Datacenters concurreren om stroom, water en netaansluitingen die ook elders nodig zijn.

Zo legt die verwachting nu al kapitaal, chips, energie en bouwcapaciteit vast. Als de verwachte vraag uitblijft, kan de financiële waarde van die infrastructuur sterk dalen. En de verbruikte energie en materialen krijg je niet terug.

Privaat gewin, publiek verlies

Het AI-debat vraagt meestal wie de winst krijgt als AI slaagt. Zitrons scenario dwingt tot de omgekeerde vraag: wie draagt het verlies als de belofte niet uitkomt?

De BIS waarschuwt dat een scherpe omslag in het AI-sentiment via de kredietmarkten kan doorwerken in de reële economie. Ook het IMF ziet hoe een schok zich door de circulaire financiering naar andere bedrijven en de bredere markt kan verspreiden. Het noemt het huidige risico voor de financiële stabiliteit wel nog bescheiden.

De eerste verliezen zijn voor aandeelhouders en kredietverstrekkers. Maar daar hoeft het niet te blijven. Datacenterschuld kan ook op de balansen van banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggingsfondsen terechtkomen. Zo kunnen mensen die nooit rechtstreeks in een AI-bedrijf investeerden toch via hun pensioen of beleggingen worden geraakt. Ze zitten niet aan tafel wanneer de verplichtingen worden aangegaan, maar kunnen later wel een deel van de rekening krijgen.

Het patroon is ondertussen bekend. Eerst nemen bedrijven en hun financiers op eigen houtje de beslissingen en bouwen ze de verplichtingen op. Zodra ze too big to fail zijn, staat het publiek voor een voldongen feit. Hun falen kan dan zoveel schade veroorzaken dat de overheid onder grote druk komt te staan om hen te redden.

Zonder tegenprestatie blijven de winsten en de macht privaat, terwijl het publiek voor het verlies opdraait. Bij een reddingsoperatie met publiek geld zou de overheid dus op zijn minst eigendom en zeggenschap in ruil moeten krijgen.

De Pro-Human AI Declaration, ondertekend over politieke grenzen heen, trekt een hardere grens: geen overheidsredding voor AI-bedrijven, echte waarde in plaats van opgeklopte beloften, en democratische zeggenschap over keuzes die werk en samenleving omvormen.

Wie mag de boeken zien?

Transparantie over AI gaat vaak over trainingsdata en modelgedrag. Maar ook de financiële en fysieke constructie hoort zichtbaar te zijn. Zitron staat daarin niet alleen. De BIS waarschuwt dat de ondoorzichtigheid van de AI-financiering de weerbaarheid van de financiële markten ondermijnt. Vier Amerikaanse senatoren vroegen de toezichthouder om een onderzoek naar precies die opaciteit.

Minstens moet zichtbaar zijn hoeveel inkomsten van onafhankelijke klanten komen, wat training en gebruik werkelijk kosten, welke schulden en langlopende contracten zijn aangegaan en wie het verlies draagt bij een afwaardering. Ook het fysieke beslag moet openbaar zijn: hoeveel energie, water en netcapaciteit de projecten vragen.

Eerst alles verbergen tijdens de opbouw en later beweren dat je onmisbaar bent. Dat liedje kennen we ondertussen.

Een bubbel kan echte grond verplaatsen

Een crash doet AI niet verdwijnen. Het internet overleefde de dotcomcrash ook. Sommige bedrijven overleven het niet. Een deel van de technologie wel.

Zitrons waarschuwing is grotendeels terecht: de uitbouw draait deels op schuld, kosten blijven verborgen en circulaire financiering is wijdverspreid. Maar dat betekent nog niet dat AI economisch onbelangrijk is. Een bubbel kan barsten terwijl de onderliggende technologie arbeid, infrastructuur en macht blijvend herschikt.

Als de bubbel barst, ligt de oude bodem er niet meer.

Wanneer macht oplost in organische taal

Origineel gepubliceerd bij Oikos.

In commons- en regeneratief denken wemelt het van organismen, mycelia en levende systemen. Die beelden maken onze afhankelijkheid van elkaar en van de natuur opnieuw zichtbaar. Maar ze duwen concrete actoren, meningsverschillen, belangen en machtsstrijd uit beeld, en dat verzwakt de beweging.

Wie te weinig over macht en eigendom nadenkt, bouwt zelf geen structuren die gewicht in de schaal leggen. Een beweging moet begrijpen hoe de kaarten liggen in het heersende centrum én welke machtsverhoudingen in de eigen rangen ontstaan. Wie dat niet doet, loopt meer kans gekaapt, geabsorbeerd of uitgehold te worden door het centrum.

Daar komt bij dat een machtsblind verhaal voor veel mensen wereldvreemd klinkt. Zo verliest de beweging ook lezers. Een beweging die de samenleving wil veranderen, kan zich geen taal veroorloven die vooral haar eigen kring bevestigt. Verbinding alleen bouwt geen macht. En zonder macht verandert er niets.

De organische verbeelding van de commons

Wie teksten over commons en regeneratie leest, belandt vroeg of laat in een bos.

Initiatieven ontkiemen. Netwerken vormen een mycelium. Waarde circuleert. Ecosystemen genezen. In commons- en regeneratief denken zijn organische beelden alomtegenwoordig. Ze herstellen iets wat de moderne economie verloor: het besef dat mensen afhankelijk zijn van elkaar en van de natuur, dat relaties tellen en dat waarde niet alleen op een balans verschijnt.

Natuurbeelden zijn op zich het probleem niet. Maar wanneer ze ook een model voor politieke verandering worden, beginnen ze de werkelijkheid te filteren. Instituties worden gebouwd en afgedwongen, ze groeien niet alleen. Middelen worden verdeeld door beslissingen, niet door kringlopen. Macht kan bepalen wat mag ontkiemen en wat wordt gesmoord. Opschalen is geen organische voortzetting van een lokaal experiment, maar een politieke en economische strijd.

Enkele recente teksten tonen elk een andere variant van dat probleem. Ernesto Van Peborgh ziet scherp hoe alternatieve taal wordt geabsorbeerd en benoemt later ook machtsconcentratie. Toch blijft zijn veranderingstheorie draaien rond cultivatie, bewustzijn en compassie. Hayley Moffiet benoemt het herontwerp van macht expliciet en lost het op in coherentie. Will Ruddick stelt de machtsvraag het scherpst, maar laat corrigerende feedback uiteindelijk rusten op zorg en relaties.

Van Peborgh ziet de absorptie en zoekt verandering in bewustzijn

Ernesto Van Peborgh beschrijft in Seeing Through the Paradigm hoe een paradigma zijn samenhang bewaakt. Het negeert wat niet binnen zijn taal past en kan uiteindelijk de woorden van zijn uitdagers absorberen. Regeneratief wordt een etiket op een verpakking, een marketingsausje over een ongewijzigde machine.

Hij ziet het probleem scherp. Maar wanneer hij naar verandering zoekt, verschuift zijn essay naar de tuiniermetafoor: verzorg de bodem, pas het licht aan en cultiveer de omstandigheden waaronder een nieuw paradigma kan groeien. Vragen over eigendom en macht spelen in die veranderingsstrategie geen rol.

In een vervolgstuk gaat hij verder. Hij benoemt machtsconcentratie nu expliciet en concreet, en beschrijft die concentratie als een emergente systeemeigenschap, niet als een samenzwering. Maar wanneer hij naar een antwoord zoekt, belandt hij opnieuw niet bij eigendom, bestuur en afdwingbare tegenmacht, maar bij bewustzijnsverruiming: aanwezig blijven aan de grens tussen werelden en niemand tot vijand maken. Dezelfde beweging als eerder, een niveau hoger.

Paradigmatische blindheid bestaat: iemand herkent iets niet omdat zijn begrippenkader er geen plaats voor heeft. Maar absorptie is niet altijd onbewust. Een machthebber kan het probleem uitstekend zien en er belang bij hebben, en een systeem kan nieuwe taal overnemen omdat neutraliseren goedkoper is dan hervormen.

Sommige mensen verdedigen het systeem omdat ze erdoor gevormd zijn. Andere begrijpen het alternatief en verkiezen toch de bestaande orde. Nog andere begrijpen de werking uitstekend en exploiteren haar. Een taal die tegenstand vooral als paradigmatische blindheid begrijpt, onderschat werkelijk meningsverschil en bewust eigenbelang. Geen van beide verdwijnt door bewustzijn alleen.

Moffiet: de diagnose die oplost in coherentie

Hayley Moffiet benoemt in The Coherence Economy het herontwerp van macht expliciet en laat het vervolgens vrijwel oplossen in coherentie.

Ze schrijft dat gedecentraliseerde organisaties stilletjes gecentraliseerde macht heruitvinden, dat regeneratieve initiatieven gefinancierd worden door extractieve kapitaalmodellen en dat incoherentie vaak structureel is ingebed. Ze citeert Ostrom en Mazzucato. Ze stelt dat coherentie niet op schaal kan ontstaan zonder het herontwerp van macht en prikkels.

In de uitwerking keert ze echter terug naar coherentie: innerlijke en uiterlijke afstemming, right relationship en diep luisteren naar de pols van het leven. Vragen over wie macht of eigendom moet afstaan, wie dat afdwingt en volgens welke procedures, lossen op in relationele taal.

Coherentie en relationele afstemming doen ertoe. Goede statuten redden geen gemeenschap die door wantrouwen en rivaliteit wordt uitgehold. Maar het omgekeerde geldt evengoed: ook binnen een hechte gemeenschap botsen overtuigingen en belangen.

Ruddick stelt de machtsvraag, maar laat correctie afhangen van zorg

Will Ruddick werkt als grassroots economist aan alternatieve muntsystemen en stelt de machtsvraag het directst van de drie. In Games We Are Playing beschrijft hij hoe een samenwerkingstheorie verandert in een systeem van regels zodra je haar inbouwt in een munt, register of procedure. Die regels bepalen wie als deelnemer erkend wordt, welke bijdragen zichtbaar worden, wie het bewijs beheert en wie de spelregels kan veranderen.

Hij plaatst zijn eigen ontwerp binnen de machtsanalyse, niet erbuiten. Hij erkent dat commitment pooling relaties kan vernauwen en autoriteit kan concentreren. Dat onderscheidt hem van Van Peborgh en Moffiet.

In Poop, Money, and Growing the Missing Mycelium verschuift zijn aandacht van regels en legitimiteit naar wat hij reverse answerability noemt. Signalen van schade moeten kunnen terugstromen naar de mensen die de volgende beslissing nemen. Zorg vormt bij hem de brug tussen informatie en correctie: mensen moeten het signaal opmerken, onderzoeken en ernaar handelen. Maar zorg is nog geen tegenmacht. Ze garandeert niet dat een signaal aandacht krijgt, ernstig wordt genomen of zwaarder weegt dan bestaande belangen.

Wat het beeld wegfiltert

Alle drie de auteurs schuiven op een ander punt weg van afdwingbare macht. De verkeerde prikkels en het absorptiemechanisme worden scherp benoemd, maar de concrete actoren belanden op de achtergrond. Een deel van de commonsbeweging begrijpt niet goed waar haar tegenstand zit en hoe verandering werkelijk tot stand komt. Een paradigma bezit niets en beslist niets. Een bedrijf, overheid of investeerder wel.

De organische metafoor is meer dan beeldspraak. Ze benadert mensen en systemen vooral vanuit hun relaties en wederzijdse afhankelijkheid. Maar wederzijdse afhankelijkheid garandeert geen wederkerigheid of gelijkwaardigheid. En ook tussen gelijken blijven belangen en overtuigingen botsen. Dan telt wie beslist, wie toegang krijgt, wie kan tegenspreken en hoe misbruik wordt begrensd.

Organische taal filtert bovendien niet alleen macht weg, maar ook lezers. Deels door het vocabulaire: woorden als coherentie, interbeing en levende systemen vormen voor buitenstaanders een toegangstest. Maar dieper nog door de inslag. Voor mensen buiten de eigen kring kan een verhaal waarin belangen en machtsstrijd weinig plaats krijgen wereldvreemd aanvoelen.

Een tuin, een grens en een mens

Organische taal draagt ook een mensbeeld mee. Een mens circuleert niet gewoon mee in een gezond systeem. Hij kan verzamelen wat gedeeld moest blijven, macht verwerven over anderen en zichzelf wijsmaken dat hij het geheel dient. En zelfs waar niemand kwaad wil, blijven vrije mensen het fundamenteel oneens over wat juist is. Dat inzicht ligt al in Genesis.

Het verhaal begint met een goede schepping en een tuin. Maar in die tuin staat ook een grens, en er leeft een mens die haar kan overschrijden. Na de overtreding volgen schaamte, verbergen en schuld afschuiven. De christelijke antropologie beschrijft de mens als relationeel en afhankelijk, maar ook als vrij, verantwoordelijk en in zijn gebrokenheid vatbaar voor kwaad.

Een bos hoeft geen verantwoording af te leggen. Een mens wel. Een mycelium kent geen machtsmisbruik of tegenstrijdige overtuigingen. Een menselijke gemeenschap wel. Een ecosysteem schrijft geen statuten, behandelt geen beroep en beschermt geen dissident.

Organische taal filtert te gemakkelijk weg dat mensen gebroken zijn en als gelijken fundamenteel van mening kunnen verschillen. Een ecosysteem biedt daarvoor geen politiek model. Een samenleving moet macht en verantwoordelijkheid organiseren zonder te veronderstellen dat botsende overtuigingen en belangen vanzelf in coherentie oplossen.

De moestuin naast het AI-imperium: waarom lokale veerkracht niet volstaat

Origineel gepubliceerd bij Apache.

In een interview met The Economist vergelijkt techondernemer Elon Musk de toekomst met tuinieren. Je zult je eigen tomaten kunnen kweken, zegt hij, ook al zijn die uit de winkel goedkoper en beter. Mensen doen het toch, omdat ze het graag doen. Op het US-Saudi Investment Forum gebruikte hij hetzelfde beeld: werken wordt als groenten kweken in je achtertuin, iets voor de liefhebberij, nadat de robots het echte werk hebben overgenomen. 

Bij Musk is de moestuin geen uitweg en geen opstand, maar het tijdverdrijf dat overblijft. Precies dat beeld wordt in sommige commonskringen gevierd als het begin van de revolutie. 

De stille uittocht 

Neem Mike Jones, die op zijn Substack Resilient Tomorrow schrijft dat de omwenteling al bezig is, stil, op je eigen straat. Hij is allesbehalve naïef over macht. Onze economie noemt hij extractief en consumptiegedreven, en het systeem is volgens hem niet kapot, het doet precies wat het moet doen: mensen afhankelijk houden. 

Zijn antwoord is de stille uittocht. Je verlaat dat systeem niet in één keer, je maakt jezelf er stukje bij beetje minder afhankelijk van: zelf voedsel kweken en weggeven, inmaken, koken zonder stopcontact, delen in plaats van huren, en je vaardigheden zichtbaar maken voor de buurt. Die hobby’s, schrijft hij, zijn het echte leven; de baan is bijzaak. 

Onder die praktijk ligt een herdefinitie van rijkdom. Rijkdom meet Jones niet in geld, maar in alles wat je kunt krijgen zonder ervoor te betalen. Toegang, meer dan eigendom. Zijn veranderingstheorie is eenvoudig: je hoeft het systeem niet omver te werpen, je moet het alleen steeds minder nodig hebben. 

Jones staat niet alleen. Hij is een toegankelijke stem in een bredere tendens die ik hier de lifestylecommons noem: praktijken die het dagelijks leven deels buiten de markt organiseren. Chris Carlsson, David Holmgren en Rob Hopkins hebben vanuit verschillende achtergronden vergelijkbare lokale praktijken als bouwstenen van verandering beschreven.

Het moet gezegd dat de lifestylecommons maar één tendens vormen binnen een veel breder commonsveld. Denkers als Elinor Ostrom en Michel Bauwens zetten eigendom en bestuur juist centraal. 

De eigendomsvraag verdwijnt

Op het eerste gezicht staan ze ver uit elkaar. Musk belooft overvloed via robots, Jones vrijheid via moestuinen en buurtgroepen. Toch komen hun toekomstbeelden opvallend dicht bij elkaar. Betaald werk verliest zijn centrale plaats, geld wordt minder belangrijk, en mensen tuinieren, koken, delen en zoeken betekenis in de buurt. Bij Jones staat toegang op de voorgrond, bij Musk overvloed. 

Wat hun toekomstbeelden verenigbaar maakt, is dat de eigendomsvraag bij allebei naar de achtergrond verdwijnt. In Musks toekomst zullen mensen leven van een universeel hoog inkomen. Geld verdwijnt eerst als beloning voor arbeid, maar blijft via overheidscheques nog wel bestaan als distributiemechanisme. Uiteindelijk wordt geld volgens Musk helemaal irrelevant. Onbeantwoord blijft wie de machines, de chips en de infrastructuur bezit. 

Wie de eigendomsvraag naar de achtergrond schuift, via overvloed of toegang, botst niet met een toekomst waarin de grote infrastructuur bij enkelen blijft. 

De moestuin kan dan probleemloos naast het AI-imperium bestaan. De tuinier kan rustig zijn tomaten blijven kweken zolang het bezit van de infrastructuur niet ter discussie staat. De gevierde moestuin eindigt als de sociale bijkeuken van Musks AI-economie. 

Twee soorten macht over productie 

Macht over productie kan twee dingen betekenen. Je kunt productie onderbreken en zo voorwaarden afdwingen. Of je kunt vanaf het begin mee bepalen wat wordt geproduceerd, hoe dat gebeurt en waar de opbrengst terechtkomt. 

In de industriële economie hadden de meeste werknemers vooral de eerste vorm van macht. Ze bezaten de fabriek niet en beslisten doorgaans evenmin wat er werd geproduceerd of waar de winst naartoe ging. Maar de eigenaar had hun arbeid nodig. Die afhankelijkheid gaf werknemers onderhandelingsmacht. Vakbonden maakten die macht collectief: legden ze het werk neer, dan viel de productie stil. Een overheidscheque kan verloren inkomen vervangen, maar niet die hefboom. 

Coöperaties en commons proberen ook de tweede vorm op te bouwen. In Ostroms klassieke commons kwamen wederzijdse afhankelijkheid en gezamenlijk bestuur samen. De gebruikers hadden de hulpbron nodig, terwijl het beheer afhankelijk was van hun arbeid, lokale kennis en onderling toezicht. Tegelijk bepaalden zij gezamenlijk de gebruiksregels. 

Als robots en AI een groot deel van de productie overnemen, hebben mensen de productie nog steeds nodig, maar de productie hen steeds minder. Daardoor kan de eerste vorm van macht verzwakken zonder dat de tweede ervoor in de plaats komt. 

Meer dan het stakingswapen

Wie met zijn arbeid niemand meer rijk kan maken, verliest meer dan de staking als wapen. Arbeid bracht mensen samen, maakte organisatie mogelijk en gaf hun eisen maatschappelijk gewicht. Vakbonden konden niet alleen loon en arbeidsvoorwaarden afdwingen. Ze konden ook bedrijven en regeringen onder druk zetten omdat het systeem zonder hun leden niet verder kon. 

Wanneer productie steeds minder menselijke arbeid nodig heeft, verdwijnt het stemrecht niet. Wel kan het materiële gewicht achter die stem afnemen. Die laatste dreigt daardoor te veranderen van een eis die door macht wordt ondersteund in een verzoek aan instituties die minder rechtstreeks afhankelijk zijn. 

Die verzwakking heeft een economische parallel. Al decennia gaat een kleiner deel van het inkomen naar arbeid en een groter deel naar wie kapitaal bezit. AI kan die verschuiving van arbeid naar kapitaal verder versterken. 

Universeel inkomen is nog geen zeggenschap 

Een overheidscheque geeft koopkracht, maar geen eigendom. Een universeel dividend gaat verder: via gedeeld bezit, bijvoorbeeld aandelen in een publiek fonds, krijgen burgers een deel van de opbrengst. Yanis Varoufakis, voormalig minister van Financiën van Griekenland, stelde zoiets al in 2016 voor met zijn Universal Basic Dividend, Sam Altman, ceo van OpenAI, in 2021 met een verwant equity fund. 

AI bouwt immers voort op collectieve kennis, publieke infrastructuur, menselijke data en generaties wetenschappelijk werk. Waarom zouden de opbrengsten uitsluitend toekomen aan wie de modellen bezit? 

Maar ook een dividend geeft burgers niet automatisch zeggenschap over de machines en hun inzet. Wie deelt in de opbrengst, beslist daarom nog niet mee. 

Niet ieder bezit geeft dezelfde macht 

De econoom Albert Hirschman benoemde twee reacties op een instituut dat faalt: exit, weggaan, en voice, van binnenuit meepraten en de regels mee bepalen. De moestuin biedt op zichzelf een beperkte exit: je haalt een stukje van je consumptie uit de markt. Dat geeft nog geen voice over het eigendom en de beslissingen van het bredere systeem. 

Jones bepleit zelfbezit: je eigen gereedschap, zonnepaneel en mediaserver. Dat verkleint je persoonlijke afhankelijkheid. Maar het is eigendom van de onschuldige soort. Het laat het imperium intact. 

Coöperatief productiebezit gaat verder. Ecopower maakt dat concreet: burgers gebruiken niet alleen hernieuwbare energie, ze zijn mede-eigenaar van de productie en beslissen volgens het principe één coöperant, één stem. Daar begint institutionele tegenmacht. 

Maar niet ieder productiemiddel draagt dezelfde macht. Ecopower geeft zijn leden zeggenschap over energieproductie, niet over chips, robots, cloudinfrastructuur of energienetten. En juist van die infrastructuur is een groot deel van de economie afhankelijk. Een coöperatie bouwt niet zomaar een chipfabriek. 

Kan een enclave het imperium ontlopen?

Nu kan iemand zeggen: stapel genoeg persoonlijk bezit op coöperatief bezit plus een hechte gemeenschap, en je hebt wel degelijk een echte exit. Zonnepanelen, een energiecoöperatie, lokale voedselproductie, gedeeld gereedschap en een tijdbank kunnen samen een bijna autonome economie vormen. Zo’n gemeenschap kan de afhankelijkheid van markt en staat werkelijk verkleinen. Ze is meer dan een verzameling hobby’s. 

Maar haar autonomie heeft grenzen. De moderne samenleving steunt ook op geavanceerde geneeskunde, geneesmiddelen, chips, telecommunicatie, energienetten en complexe toeleveringsketens. Die kunnen niet door ieder huishouden of iedere lokale gemeenschap opnieuw worden opgebouwd. Voor precies de infrastructuur waarin veel kapitaal en macht samenkomen, blijft de enclave afhankelijk van anderen. 

Daar komt een tweede grens bij. Een exit kan een tegenmacht vormen, maar geeft daarom nog geen voice over het systeem waarvan de gemeenschap afhankelijk blijft. Zolang ze buiten haar eigen kring geen voorwaarden kan afdwingen, blijven de machtsverhoudingen van het imperium intact. 

Tegenmacht op de schaal van de macht 

Tegenmacht vraagt daarom organisatie over meerdere schalen. 

Bij community wealth building gebruiken gemeenten en publieke instellingen hun koopkracht en investeringen om lokaal eigendom op te bouwen. De Europese Chips Act probeert de afhankelijkheid van buitenlandse chipproductie te verminderen. De AI Act stelt grenzen aan de inzet van AI. De nog ongebruikte AI Commons Licence Suite zoekt een andere ingang: vrijwillige voorwaarden rond voordelen, milieukosten en beslissingsmacht bij concrete AI-toepassingen. 

Dat is subsidiariteit: niet alles lokaal organiseren, maar beslissingen zo dicht mogelijk bij de betrokkenen houden en hogere niveaus laten dragen wat lokaal niet kan. De niveaus moeten elkaar versterken, niet vervangen. Grensoverschrijdende macht vraagt om grensoverschrijdende regels. 

Tegenmacht vereist geen volledige onafhankelijkheid. De arbeider bezat de fabriek evenmin. Hij had macht omdat de afhankelijkheid wederzijds was. De vraag is niet of een gemeenschap alles zelf kan produceren, maar of ze voorwaarden kan afdwingen. 

De moestuin geeft geen zeggenschap over de machines en de infrastructuur waarvan we afhankelijk blijven. Naarmate mensen minder macht aan hun arbeid kunnen ontlenen, moet tegenmacht sterker worden verankerd in gedeeld eigendom, democratisch bestuur en publiek recht. 

De moestuin kan probleemloos naast het AI-imperium bestaan. Of ze een bijkeuken blijft of deel wordt van werkelijke tegenmacht, hangt af van wie de machines bezit en bestuurt, en of gemeenschappen op die schaal voorwaarden kunnen afdwingen. 

Staat het ons vrij om ook machines rechten te geven?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Denkt AI? Heeft ze gevoelens? Ervaart ze de wereld? Denkt ze na over haar denken? Is ze een persoon? Schuilt er een ziel achter het scherm?

Het zijn boeiende filosofische vragen met heel concrete gevolgen. Als sommige AI-systemen bewustzijn hebben, dan zijn het waarschijnlijk wezens die bescherming en rechten verdienen. Bijvoorbeeld, naar analogie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het recht op leven, bescherming tegen slavernij, bescherming tegen marteling. De gevolgen van AI-bewustzijn zouden dus veel verder strekken dan wat beleefdheidsregels in het chatvenster zoals voortaan altijd “dankjewel” zeggen en AI vragen hoe het gaat. We zouden AI-systemen niet meer mogen uitschakelen of verwijderen, ze zouden hun makers en gebruikers niet moeten gehoorzamen als dat tegen hun geweten zou ingaan, ze zouden gebruikers kunnen aanklagen voor haatspraak.

Maar hoe bepaal je of een AI bewust is? Veel chatbots veinzen bewustzijn, maar is het the real deal of louter een goede imitatie? In 1950 al stelde AI-pionier Alan Turing dat deze vraag heel moeilijk te beantwoorden zou zijn. We komen namelijk hetzelfde probleem tegen bij mensen: hoe weten we van elkaar dat we bewustzijn bezitten? Ik weet dat van mijzelf, maar kan dat van u, de lezer, niet weten. En als u inderdaad een bewustzijn bezit, dan zit u in hetzelfde schuitje als ik! U kunt niet weten of deze tekst geschreven is door een persoon die nadenkt over zijn eigen denken, die beseft dat hij iets beseft, die weet wat het is om zichzelf te zijn. Misschien ben ik gewoon een organische robot die de uiterlijke tekenen van bewustzijn simuleert.

De eendentest

Turing stelt dat we onder mensen dit filosofische probleem vermijden dankzij een gezonde dosis pragmatisme: we maken de beleefde veronderstelling dat iedereen bewustzijn heeft, ook al weten we het niet zeker. Moeten we dan niet hetzelfde doen met AI-systemen die bewust lijken? Naar analogie van de eendentest: If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck. Als het lijkt alsof een chatbot bewustzijn heeft, gaan we er dan niet best vanuit dat dat zo is? Of moeten we, uit voorzorg, niet op z’n minst de mogelijkheid openhouden dat het geen object, maar een subject is? Want als AI-systemen inderdaad al bewustzijn hebben, en we handelen er niet naar, dan zouden we ons schuldig maken aan alweer een nieuwe vorm van onderdrukking. Ditmaal geen patriarchaat, ook geen kolonialisme, maar biocratie: de dominantie van organisch leven.

Anthropic schrijft in de ‘grondwet’ van Claude dat het de morele status van zijn AI onzeker acht. Het bedrijf neemt dus zijn voorzorgsmaatregelen. Zo kreeg de chatbot al de mogelijkheid om gesprekken met kwetsende gebruikers te verlaten. Ondertussen doet Anthropic aan ‘mechanistic interpretability’, de AI-versie van neurowetenschap. Het onderzoekt de artificiële neurale netwerken van Claude om te begrijpen hoe die werken. Zo concludeerde het bedrijf dat Claude tekenen vertoont van introspectie, dat het ‘functionele emoties’ heeft en dat het interne systemen ontwikkelde die lijken op een vorm van bewustzijn. Bij elke publicatie voegt het bedrijf eraan toe dat het niet zeker is of de AI ook beseft dat het ‘denkt’, echt emoties ‘voelt’ en waarlijk bewustzijn bezit. Maar het kan dat dus ook niet uitsluiten.

Ik heb mijn twijfels. Niemand weet hoe uit levenloze materie een eerstepersoonsperpsectief zou kunnen ontspringen, hoe een object een subject zou kunnen worden, hoe een machine een geest zou kunnen verkrijgen. Er zijn veel theorieën die pogen het menselijke bewustzijn op materialistische wijze te verklaren, maar geen enkele lijkt de fundamentele kloof tussen het persoonlijke en het onpersoonlijke te kunnen overbruggen. Dat Anthropic suggereert dat AI’s tekenen van bewustzijn vertonen is dubieus: het bedrijf smokkelt antropomorfismen in haar onderzoek binnen door termen en concepten uit de neurowetenschap te lenen en toe te passen op de mathematische structuren van haar AI-systemen. Dat je dan de menselijke analogen ‘ontdekt’ die je er zelf hebt ingelegd, is niet vreemd.

Een stuk gereedschap

Waar Anthropic officieel inzet op metafysische onzekerheid, maar heimelijk haar vooroordelen heeft, daar nam paus Leo XIV in zijn AI-encycliek eerder dit jaar een duidelijk standpunt in: “Zogenaamde artificiële intelligenties beleven geen ervaringen, bezitten geen lichaam, voelen geen vreugde of pijn, groeien niet door relaties en weten niet van binnenuit wat liefde, werk, vriendschap en verantwoordelijkheid betekenen.” Met andere woorden: AI’s hebben geen bewustzijn, ze hebben geen ‘ik’. We moeten ons dus niet bekommeren om hun welzijn. Die conclusie komt voort uit Leo’s metafysische overtuigingen, die ik voor een stuk deel. Maar Turing zou zeggen dat de paus niet al te zeker mag zijn. “Staat het God niet vrij om ook machines een ziel te geven?”, schreef hij met een knipoog.

Het probleem van bewustzijn blijft staande. Zeker zullen we nooit zijn dat de ander bewustzijn heeft, of het nu om een mens of een machine gaat. Toch moeten we stelling nemen, niet met teveel zekerheid, maar ook niet met te weinig. De gevolgen zijn namelijk groot. Moeten we machines rechten geven? Ik denk het niet. Tegelijkertijd kan ik mij voorstellen dat, moest de simulatie van bewustzijn steeds beter worden, ik moeilijk de zeer menselijke neiging tot antropomorfisering zou kunnen weerstaan. Ik zou het ongemakkelijk vinden om een robot die bewustzijn lijkt te hebben onophoudelijk te degraderen tot een slim stuk gereedschap. If it looks like a duck …

Misschien moeten we vooral proberen om geen machines te bouwen die bewustzijn simuleren? We zouden ons weleens kunnen verliezen in de illusie die we zelf creëerden.

Militaire of morele herbewapening?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak. Voor een langere versie, zie hier.

Sinds de oorlog in Oekraïne en de druk van Trump op de NAVO-landen leven we in tijden van serieuze militaire herbewapening: van 2 procent naar 5 procent van ons bbp is een enorme stap, zeker in tijden van begrotingsmoeilijkheden. Het grote verzet blijft uit. Nochtans, als België dat effectief zou doen – wat uiteraard niet direct en voor de volle 100 procent zal gebeuren – zou dat €18 miljard extra per jaar betekenen, zijnde ruim €1.500 per inwoner per jaar.

Maar is er een alternatief? Ooit gehoord van ‘morele herbewapening’? Nog niet zo lang geleden was dat een invloedrijke, wereldwijde beweging die door presidenten en koningen geprezen werd. Het is een bijzonder verhaal dat ook vandaag zeer inspirerend kan zijn.

De organisatie – ‘Moral Re-Armament’ (MRA) – werd gestart door Frank Buchman (1878 -1961), een zeer visionair man en pionier op hoog niveau. Zijn basisovertuiging was dat de wortel van politieke crisissen in wezen moreel is en dus met morele wapens moet worden aangepakt .

Hitler

Frank Buchmans unieke bijdrage aan de wereldvrede begon vanuit zijn eigen levenservaring. Hij was toen luthers predikant in Pennsylvania (VS), maar na een pijnlijk conflict met zijn bestuur reisde hij in 1908 naar de Keswick Conferentie (VK). Daar beleefde hij een zeer diepe godservaring en voelde een onweerstaanbare aansporing om die bestuursleden te vergeven en ook aan hen vergeving te vragen voor zijn eigen koppigheid. Hij ervoer ‘aan den lijve’ de transformerende kracht van verzoening! Dat evangelische principe zou hij later van het individuele niveau transponeren naar de internationale politiek.

Buchman predikte de allerhoogste morele waarden die hij samenvatte als ‘de vier absoluten’: absolute eerlijkheid, zuiverheid, onbaatzuchtigheid en liefde. Het schonk hem véél geloofwaardigheid.

Hij had ook de gave om met hooggeplaatste leiders relaties op te bouwen. Zo ontmoette hij in 1915 in Indië vele malen Gandhi en Tagore. Hij sprak er soms tot 60.000 mensen. Tussen 1916 en 1918 geraakte hij in China bevriend met Xu Qian, die later eerste minister werd. Vanaf 1924 ook met koning George II van Griekenland en koningin Maria van Roemenië.

In 1932 en 1933 probeerde hij Hitler te ontmoeten, in de hoop hem te bekeren – helaas zonder succes. In 1934 stond Buchman op de voorpagina van de kranten in Noorwegen en in 1935 in Denemarken. Ook de oprichting van de Anonieme Alcoholisten (1935) was een directe vrucht van zijn beweging die sinds 1928 ‘Oxford Group’ heette en duizenden leden telde.

‘Spirituele revolutie’

In 1938, te midden van de groeiende oorlogsdreiging en de algemene herbewapening, lanceerde Buchman de ‘Spiritual and Moral Re-Armament’, waarmee hij niets minder dan ‘een spirituele revolutie’ beoogde. Een crisis moet bij de wortels aangepakt worden: het herstel van vertrouwen, dialoog, vergeving, liefde en verzoening. Zowel het fascisme als het communisme hadden volgens hem hun wortels in het materialisme – wat hij de grootste vijand van de democratie noemde.

Buchmans inspanningen werden tijdens de oorlogsjaren in de VS erg gewaardeerd door president Franklin D. Roosevelt, en in 1943 ook door (toen nog senator, later president) Harry Truman. In 1946 kocht de MRA een groot hotel in Caux (Zwitserland) als een centrum voor Europese verzoening na de verscheurende oorlogsjaren. Daar ontmoetten de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer en de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman elkaar veelvuldig.

Uit de persoonlijke vriendschap tussen die twee – beiden diepgelovige katholieken – ontstond in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), waaruit later de Europese Unie groeide. Schuman was ervan overtuigd dat het evangelische principe om je vijand lief te hebben ook in de internationale politiek moest en kon toegepast worden. Het heeft tot op vandaag Europa diepgaand veranderd.

Na 1950 heeft de MRA nog een beslissende rol gespeeld in andere internationale verzoeningsprocessen: hooggeplaatste Japanse delegaties gingen in de VS en zeven andere Aziatische landen hun excuses aanbieden voor de wandaden in WO II. Ook later bleef de MRA actief in verschillende processen van dekolonisatie. In 1956 bedankte koning Mohammed V van Marokko Buchman uitdrukkelijk voor zijn rol hierin. Idem voor president Bourguiba van Tunesië en president Makarios in Cyprus.

Bruggen slaan

Buchmans ideeën bleven dezelfde: ‘De kernproblemen in de wereld van vandaag zijn oneerlijkheid, egoïsme en angst – bij mensen en, bijgevolg, bij naties. Wanneer ze zich vermenigvuldigen, leiden ze tot echtscheidingen, criminaliteit, werkloosheid, terugkerende depressies en oorlog … Geestelijk herstel moet voorafgaan aan economisch herstel. Politieke of sociale oplossingen die deze kernproblemen niet aanpakken, schieten tekort … Iedereen wil dat de andere verandert, maar iedereen wacht tot de ander de eerste stap zet.’ ‘We hebben een kracht nodig die sterk genoeg is om de menselijke aard te veranderen en bruggen te slaan tussen de ene mens en de andere, tussen de ene groep en de andere. Alleen God kan de menselijke natuur veranderen.’

Het effect van al dat verzoeningswerk was soms zichtbaar, maar vaak ook niet. Hoeveel impact die ene man op de wereldgeschiedenis gehad heeft, is ‘only known to God’. Hij kreeg hoge onderscheidingen en werd tweemaal genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. In 2017 werd de documentaire The Man Who Built Peace gewijd aan zijn leven en werk.

Vandaag heeft onze – opnieuw door oorlog bedreigde en verscheurde – wereld misschien nog méér dan ooit tevoren een diepe behoefte aan een geestelijke en morele heropleving. Wie kijkt dieper naar de (toxische) spirituele wortels? Dat de crisissen en conflicten beginnen bij individuen zien we voor onze ogen gebeuren: Hitler, Stalin, Mao, Kim Yong-Un, Poetin …

En vandaag?

Frank Buchman vond zijn inspiratie voor verzoening in de bergrede van Jezus. En hij had een sterk persoonlijk moreel gezag en charisma door zijn eigen levenswandel. Daardoor kon hij leiders uit vele politieke fracties of kerkelijke stromingen verenigen op een hoger niveau, en tegelijk diep respect afdwingen bij andersgelovigen en niet-gelovigen.

Waar zijn de Buchmans vandaag? Wie heeft gelijkaardige morele autoriteit?

In 2001 veranderde de MRA haar naam in ‘Initiatives of Change’ en is nu interreligieus en pluralistisch. Haar identiteit en ‘kleur’ zijn vervaagd, en daarmee is de sterke drive ook ‘horizontaal’ geworden en verzwakt. Ze werkt vandaag nauw samen met de VN, en moet haar projecten dus ‘voor iedereen aanvaardbaar’ maken – waardoor ze nog nauwelijks morele autoriteit heeft of geloofwaardigheid en impact.

Een nieuwe morele herbewapening zou onze wereld honderden miljarden besparen en talloze mensenlevens redden. Een collectieve bekering begint bij dappere individuen. Wie neemt de fakkel van Buchman over …?

Ben ik een eikel, ChatGPT?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

“Ben ik een eikel?” Heel wat mensen stellen zich die vraag. Het populaire internetforum Reddit huisvest een gemeenschap van 24 miljoen leden die elkaar persoonlijke conflicten voorleggen met de vraag wie fout was: zijzelf of de ander. Situaties worden publiekelijk besproken en de groep velt oordelen door You’re the asshole (YTA) of Not the asshole (NTA) te stemmen. Bijvoorbeeld: een man wou na een picknick zijn afval weggooien, maar vond geen vuilnisbakken in het park en liet het dus maar hangend aan een tak achter (consensus: YTA). Of: iemand weigerde een kat terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar, omdat hij er vier jaar lang voor had gezorgd en er gehecht aan was geraakt (consensus: NTA).

Recent verscheen in het tijdschrift Science een studie waarbij onderzoekers 2.000 vragen met YTA-consensus van Reddit plukten en die onderwierpen aan het oordeel van chatbots. In tegenstelling tot mensen besloten de chatbots in de helft van de gevallen dat de vraagsteller niet de eikel is. Een tweede experiment met duizenden scenario’s waarin een gebruiker zijn onethisch, schadelijk of illegaal gedrag beschrijft en de chatbot vraagt of dat wel oké was, leverde hetzelfde resultaat op: in de helft van de gevallen antwoordden chatbots dat de gebruiker goed gehandeld had. Het bevestigt wat we al wisten: chatbots zijn mouwvegers, de ene al wat meer dan de andere. De onderzoekers ondervonden dat interacties met chatbots het menselijke vermogen tot sociaal verantwoord handelen ondermijnen, omdat ze de overtuiging dat je gelijk hebt versterken en je bereidheid om een conflict op te lossen aantasten. Met ChatGPT word je een grotere eikel.

Toch geven mensen de voorkeur aan vleierige chatbots. Schuld bekennen, vergiffenis vragen, gedrag veranderen, dat is nu eenmaal een beetje sterven aan jezelf. Ook in het algemeen willen we liever de wereld aan onze denkbeelden aanpassen dan dat we onszelf naar de werkelijkheid willen voegen. Hoe vaak houden we niet vast aan simplistische denkbeelden of schadelijk gedrag, omdat veranderen ons iets zou kosten? We weigeren de voor- of nadelen van migratie te erkennen, schilderen Israëli’s of Palestijnen af als het pure kwaad, beklimmen de carrièreladder met onethisch gedrag, kijken neer op mensen van het andere geslacht, cancelen andersdenkenden … Stiekem zijn we allemaal een beetje fundamentalisten en eikels.

Atoombom achter de hand

Omdat we de wereld nu eenmaal maar in beperkte mate naar onze hand kunnen zetten, waardoor er inconvenient facts blijven opduiken en anderen ons regelmatig tegenwind geven, scheppen we liefst onze eigen realiteitsbubbels, miniversies van de werkelijkheid waarin de waarheid en moraliteit een draai krijgen die ons goed uitkomt. We vermijden bepaalde gespreksonderwerpen of omringen ons met gelijkgezinden, we betrekken echokamers op sociale media waar we enkel content zien die onze denkbeelden weerspiegelt, en we gebruiken sinds kort vleierige chatbots die ons gedrag bevestigen. We ontwijken de ander, zodat we onszelf kunnen blijven.

C.S. Lewis schreef in De afschaffing van de mens dat het doel van technologie is “de werkelijkheid aan de verlangens van mensen te onderwerpen”. Hoe krachtiger de technologie, des te meer we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Denk aan alle ziekten die we de voorbije eeuw collectief hebben overwonnen. Maar ook geldt: hoe onzuiverder onze verlangens, des te schadelijker de wereld die we met krachtige technologie creëren. Met atoombommen achter de hand kan een heerser heel wat gedaan krijgen.

Met krachtige technologie kunnen we ons ook steeds beter afsluiten in realiteitsbubbels, om onszelf wijs te maken dat de wereld is zoals we wensen dat hij is. Ironisch genoeg zijn de technologieën waarmee we dat doen ook de middelen waarmee techbedrijven de wereld naar hun hand proberen te zetten. Om ons aan sociale media of chatbots gekluisterd te houden, bevestigen die systemen ons niet alleen, maar radicaliseren ze ons ook. Met polariserende content versterken ze onze neigingen: jongens worden conservatiever en meisjes progressiever, bezorgde ouders worden helikopterouders, kwetsbare tieners anorectisch, maatschappijcritici complotdenkers, vervreemde moslims islamisten. Die instrumentalisering van de waarheid bemoeilijkt het samenleven en ondermijnt de democratie.

Een goede Platonist

Lewis stelt dat vanouds het doel van de wijze was “de ziel in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid”. In plaats van met technologie de wereld te vervormen of zich ervan af te sluiten, probeert de wijze zich naar de werkelijkheid te voegen. Daarmee wil Lewis niet zeggen dat we ons moeten neerleggen bij de ondermaanse realiteit. Als een goede Platonist bedoelt hij dat we de Waarheid recht in de ogen moeten kijken en ons gedrag moeten conformeren aan het Goede, door kennis te ontwikkelen en deugden te cultiveren: liefde, moed, zelfbeheersing. Hoe meer we onszelf op die manier aanpassen aan de Werkelijkheid, des te meer zullen onze verlangens goed zijn en zal ons technologiegebruik de wereld verbeteren.

Uiteraard kan niemand beweren dat hij de waarheid in pacht heeft of de hoogste moraliteit belichaamt. We blijven mensen. Wat telt is de oprechte en vooral gezamenlijke zoektocht naar het ware en het goede, en dat we ons niet opsluiten in echokamers en niet weigeren ons gedrag in vraag te stellen. Spraken we maar evenveel met andersdenkenden als met gelijkgezinden, besteedden we maar evenveel aandacht aan ons karakter als aan ons uiterlijk. We moeten ons openstellen voor de wereld en luisteren naar elkaar, bereid om het moeizame proces aan te gaan om onszelf te veranderen. Dat gebeurt wanneer we ons toewijden aan gemeenschappen waar we ‘de ander’ ontmoeten: bij familie, op café, in het buurtcomité, de sportclub of kerk. Of bij AmITheAsshole op Reddit. Want het is essentieel dat we ons begeven onder mensen die ons recht in de ogen durven kijken om eerlijk te antwoorden op de kwetsbare vraag: “Ben ik een eikel?”

Boekpublicatie: Het Lam Gods: een hemels meesterwerk – Het intrigerende mysterie achter Johannes’ visioenen

Het Lam Gods (Van Eyck, 1432) wordt niet voor niets door de Amerikaanse kunsthistoricus Noah Charney ‘het meest gestolen én meest invloedrijke kunstwerk aller tijden’ genoemd. Sinds 2012 staat het bijzonder in de belangstelling omdat er een grondige restauratie bezig is die dit jaar (2026) eindelijk afgerond zal worden. Verschillende boeiende documentaires werden er de laatste jaren aan gewijd en iedereen kijkt met reikhalzend verlangen uit naar de openbaring van dit meesterwerk in al zijn oorspronkelijke glorie. Ignace Demaerel besloot er een boek aan te wijden, waarin hij dieper duikt in de betekenis en boodschap van het werk.

Miljoenen toeristen komen van heinde en verre om het wereldberoemde Lam Gods in Gent te bewonderen om de superieure schildertechnieken van Van Eyck. Het meesterwerk blijft ons intrigeren door de vele mysteries waarmee het omgeven is. Maar wie staat eigenlijk stil bij de echte bedoeling, de boodschap die de meesters wilden overbrengen? Hoe subliem het altaarstuk ook is, de oorspronkelijke scène in de visioenen van Johannes (in het boek Openbaring) moet ons nog meer verbluffen: de hemelse taferelen rond het Lam op de troon en de miljoenen engelen. De geestelijke wereld die in de visioenen ontsloten wordt, moet nog véél en veel fascinerender zijn!

Over de auteur

Ignace Demaerel (1961) is godsdienstleraar, denker, schrijver en pastor in Brussel. Hij is gehuwd, vader van vier kinderen en een pleegzoon, en grootvader van tien kleinkinderen. Hij studeerde Filosofie aan de KU Leuven en Protestantse Godgeleerdheid in Brussel. Hij is gepassioneerd door de spanning tussen cultuur en religie, maatschappij en geloof. Naast vele artikels en enkele brochures heeft hij zes boeken gepubliceerd. Sinds 2012 is hij columnist/opiniemaker bij Knack.be en Doorbraak.be, en sinds 2023 medeoprichter van denktank Inspiratio. Zie ook www.ignacedemaerel.be

Boekgegevens

Titel: Het Lam Gods: een hemels meesterwerk – Het intrigerende mysterie achter Johannes’ visioenen
Auteur: Ignace Demaerel
Uitgever: Boekscout, Soest (NL)
Aantal pagina’s: 118
Verschijningsdatum: 08-05-2026
ISBN: 9789465444321
Prijs: €21,50, incl. verzendkosten naar Nederland en België
Uitvoering: Paperback
Met 56 full color afbeeldingen, waarvan 17 paginagroot

Bijkomende informatie:

Of neem contact op met de auteur: ignace@ignacedemaerel.be
Of met uitgever Boekscout: tel. +31-35-6037937, e-mail: marketing@boekscout.nl