Een ouder mag echt wel beslissingen voor een kind nemen, ook ingrijpende

Origineel gepubliceerd bij Knack.

De recente beslissing van het Antwerpse parket voor het vervolgen van twee moheels voor hun uitvoering van ‘illegale besnijdenissen’ beroert danig de gemoederen. Dat is niet zonder reden: deze specifieke zaak wordt aangegrepen om een totaalverbod op religieuze besnijdenis bij minderjare jongens te bepleiten. Het artikel van Jan de Zutter, Goedele Liekens en Rik Vannieuwenhuyze verdient mijns inziens een reactie. Dit voorstel raakt immers aan een fundamenteel aspect van het leven van joodse en islamitische medeburgers, en dat is niet niks. De auteurs pleiten op twee manieren voor een totaalverbod op dit ‘problematische’ en ‘oude ritueel’, en die wil ik graag van repliek dienen.

Ten eerste wordt aangegeven dat het hier om een onnodige medische handeling gaat en als dusdanig de medische ethiek overtreedt. Dit gaat zover dat volgens de auteurs artsen, die een besnijdenis uitvoeren om religieuze redenen, vervolgd zouden moeten worden. Hiermee wordt de jongensbesnijdenis neergezet als een bijna barbaarse, rituele mishandeling, waaraan sommige artsen medeschuldig zijn. Opmerkelijk is wel dat ze zich voorstander tonen van de vrijheid van ‘de eigenaar van de penis’ om besnijdenis op latere leeftijd te ondergaan. Als rituele besnijdenis per definitie zou ingaan tegen fundamentele beginselen van de geneeskunde, zou het ook voor volwassenen niet toegelaten kunnen worden.

Wat onvermeld blijft, is dat jongensbesnijdenis zeer verbreid is en op heel veel plaatsen op de wereld als een gewone, routineuze ingreep wordt beschouwd. In 2015 werd geschat dat 38% van de jongens en mannen wereldwijd besneden zijn. Besneden-zijn is niet alleen gebruikelijk in Israel (92%) en moslimlanden (tot ruim 99%), maar ook het aandeel besneden mannen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten (71%), Zuid-Korea (77%), Canada (32%), Congo DRC (97%) en Zuid-Afrika (45%) is substantieel. Hier gaat het, voor de duidelijkheid, meestal niet over rituele besnijdenis, maar evenmin over een medische noodzaak. België scoort met 22,6% besneden mannen waarschijnlijk ook hoger dan velen zouden verwachten.

Als het gaat om vrouwenbesnijdenis, is de medische consensus duidelijk dat er onnodige en ontegensprekelijke schade toegebracht wordt. Wetenschappelijk onderzoek over de wijdverbreide ingreep van neonatale besnijdenis bij jongens wijst op potentiële voordelen én op het feit dat er regelmatig complicaties voorkomen. De Wereldgezondheidsorganisatie promoot sinds 2007 mannenbesnijdenis in de strijd tegen AIDS en andere SOA’s. Het belang van het werken in hygiënische omstandigheden en door goed opgeleide en ervaren zorgverleners wordt benadrukt en ouders worden opgeroepen een geïnformeerde keuze moeten maken. Besnijdenis komt immers met risico’s en ouders moeten dus ook de ruimte hebben om de ingreep volledig te weigeren. Daarbij mag opgemerkt worden dat het aantal complicaties in België, mits goede medische zorg, zodanig laag is dat België al vele jaren een gedoogbeleid van de praktijk van jongensbesnijdenis kent.

Het tweede hoofdargument om jongensbesnijdenis te verbieden is de stelling dat de ingreep ingrijpt in ‘de fundamentele rechten van de jongens.’ Ten diepste klinkt hierin een zorg door voor jongens die eenvoudigweg te jong zijn om zelf voor zo’n ingrijpende fysieke ingreep te kunnen kiezen. Inderdaad, die keuze kan een acht dagen oude joodse jongen niet maken, maar ook een acht jaar oude moslimjongen niet. Maar is deze keuze door de ouders daarom een inbreuk op hun fundamentele rechten? Dat is erg discutabel.

Dat ouders niet-terugdraaibare keuzes mogen maken voor hun kinderen, is de essentie van ouderschap. Ouders maken keuzes voor – en naarmate ze ouder worden, meer en meer mét – hun minderjarige kinderen wat betreft kleding, woonplaats, taal, school, hobby’s, cultuur, enzovoorts. Al die keuzes hebben een blijvende impact op hun verdere leven.

Ook keuzes die de ‘fysieke integriteit’ van het kind aantasten, die pijn veroorzaken of het lichaam onherstelbaar veranderen, kunnen onder de verantwoordelijkheid van ouders vallen. Dat geldt vanzelfsprekend voor medische handelingen die hun gezondheid ten goede komen, maar ook gaatjes laten schieten voor oorbellen, op ballet of voetbal laten gaan, of veel suiker laten eten, tasten de ‘fysieke integriteit’ aan: het zijn fundamentele keuzes in de opvoeding die pijn kunnen veroorzaken, het lichaam kunnen beschadigen en/of het lichaam onherstelbaar veranderen.

Ouders maken hierin verschillende keuzes, en we kunnen het grondig met elkaar oneens zijn over dit soort keuzes. Maar niemand zal zeggen dat keuzes die de ‘fysieke integriteit’ aantasten principieel en altijd buiten de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de ouders vallen.

Geldt die ouderlijke verantwoordelijkheid ook voor ingrijpende keuzes die puur levensbeschouwelijk geïnspireerd zijn? De auteurs stellen dat dit soort beslissingen moet uitgesteld worden tot iemand tot zelfstandige keuze bekwaam is. Dat is een zeer valabel standpunt en goed te verdedigen. Maar dit standpunt is zélf een levensbeschouwelijke visie, die iemand in de eigen opvoeding mag toepassen, maar die niemand, ook geen overheid, kan opleggen aan een andere ouder. Integendeel, ouders hebben het expliciete recht om hun kinderen op te voeden in lijn met hun eigen religieuze en filosofische overtuiging en de overheid moet dat recht bewaken (cf. art. 2 P1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat élke keuze en handeling daarmee toegelaten is. De vraag wordt nu, wie bepaalt wat toegelaten is en wat niet? In algemene zin is het antwoord daarop ook helder: dat is een keuze die in de eerste plaats de ouders moeten maken, in groeiende mate samen met hun opgroeiende kinderen. De overheid kan hierin enkel ingrijpen indien een keuze van ouders ontegensprekelijk en onnodig schade toebrengt aan het kind. Zoals eerder aangegeven, is dat in het geval van een besnijdenis bij jonge jongens een geïnformeerde keuze die ouders moeten kunnen maken.

Andere Europese landen kiezen ervoor om jongensbesnijdenis toe te laten, mits een degelijk wettelijk kader dat de medische kwaliteit van deze handeling verzekert. Als we de fundamentele rechten van jongens én hun ouders ernstig nemen, is het logisch dat België dit voorbeeld volgt.

Is een nieuw Pinksteren in de Kerk mogelijk?

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Dat het westerse christendom in crisis is, zien en weten we al decennia. In de jaren ’70 werd voorspeld dat het spoedig helemaal uitgestorven zou zijn, maar dat zien we duidelijk niet gebeuren. Sommigen wijzen daarentegen op tekenen dat het aan een revival begonnen is – en deze zijn er in verschillende landen zeker, soms voorzichtig, soms duidelijker. Mogen christenen een nieuw Pinksteren voor de kerk verwachten?

Voor deze vraag moeten we het plaatje wat breder opentrekken. Ten eerste is het veelzeggend dat alleen in Europa de kerk ‘ziekjes’ is: in andere continenten zien we vaak levenskrachtige, bloeiende en groeiende kerken. Europa wordt wel eens als een ‘oude man’ beschreven, uitgeblust en levensmoe. Ten tweede wordt niet alleen de kerk zwaar geschud, maar quasi alle grote instellingen: de politiek, democratie, justitie, media, onderwijs, gezondheidszorg…

De hele westerse cultuur is in crisis: de fundamenten zijn geërodeerd. We hebben geen ‘groter kader’ meer, geen spirituele koers, geen moreel kompas. Het zingevingsverhaal is versnipperd. We zijn ‘het noorden’ kwijt. Ieder ‘doet maar wat’. Waarom staan we verbaasd dat onze cultuur lijdt aan een collectieve geestelijke burn-out?

Wat de kerk betreft: bij haar start 2000 jaar geleden was het nochtans héél anders. Op de eerste Pinksterdag ‘ontplofte’ ze van 120 bange volgelingen van Jezus naar 3000 mensen die ‘in vuur en vlam’ stonden. Ze was een bruisende en revolutionaire gemeenschap vol van de Geest die net uitgestort was. De apostelen stegen boven zichzelf uit en het volle, bovennatuurlijke leven was overvloedig aanwezig: wonderen en genezingen, profetieën en visioenen waren dagelijkse kost. Maar ook op sociaal vlak: er was grote spontane solidariteit, want mensen verkochten – uit eigen beweging! – hun huizen en akkers om het geld te verdelen onder de armen: een ‘communisme van het hart’. De onderlinge liefde was zo intens dat ze heerlijk vrij waren van alle hebzucht. Het was als een overstroming, uitbundig en soms ook licht chaotisch. Want in deze vitalegemeenschap was geen strakke hiërarchie of formele regels, maar veel vrijheid en vooral liefde: minimale organisatie en maximaal léven dus.

Dat er later structuur en organisatie moesten komen, was onvermijdelijk, maar deze hebben als kwalijke bijwerking dat ze het leven en de spontaniteit dreigen te versmoren. Want hoe kan je ‘wind’ – een beeld van de Heilige Geest – in een doosje vangen? God laat Zich toch niet controleren of ‘temmen’? Zeker vanaf de vierde eeuw ging de kerk in Rome haar imperium uitbouwen naar het model van het Romeinse rijk: wereldse patronen slopen binnen, machtsdenken en veel uiterlijke pracht en praal. Net zoals de sprankelende eerste verliefdheid in een relatie na een tijd kan verstarren tot routine en sleur, kan dat ook in geloof en kerk.

Rituelen werden steeds meer ‘op automatische piloot’ afgehandeld, gebeden gedachteloos opgezegd; de moraal van liefde werd gereduceerd tot een lijstje van geboden en plichten. Als de voornaamste reden voor kerkbezoek traditie en sociale druk is – ‘iedereen doet het toch?’ – raakt het geloof binnenin verdampt, en verwordt godsdienst tot een prachtig versierde – maar lege- huls.

In elke eeuw waren gelukkig ook tegenbewegingen, kleine of grote opwekkingen vol nieuw enthousiasme en radicale navolging van het evangelie. Dé sleutel is: terugkeren naar de kern! Zoals uitgebluste gehuwden die terugkeren naar de vraag: “Waarom waren we in het begin ook alweer verliefd geworden?” De oorspronkelijke passie kan opflakkeren: het vuurtje moet bewust en blijvend gevoed worden! Alle stof afschudden, elkaar weer diep in de ogen kijken en fris herbeginnen. Zo ook met het geloof: hoe was het ook alweer begonnen?

De apostelen hadden in ieder geval uit Jezus’ mond een ‘verhaal’ gehoord dat hun wereld op zijn kop zette en dat ze dus overal moésten delen. Het Koninkrijk van God omspant het universum van schepping tot voltooiing. Het is een verhaal dat elk land en volk overstijgt, alle culturen en ideologieën, alle politieke regimes en systemen. Zijn originele boodschap torent qua visionaire kracht en morele scherpte boven elke concurrentie uit.

Het gelooft in ‘ware gerechtigheid’, véél hoger dan elk (gebroken) menselijk justitieapparaat. Het belijdt ‘liefde’ als grootste kracht in het heelal. Het belooft ‘een nieuwe hemel en nieuwe aarde’, het herstel van alle dingen: het is door en door hoopvol, sterker dan alle donkere doemdenken van vandaag.

Het is een lévend verhaal dat al 20 eeuwen aanvallen doorstaat en blijft groeien, en dat nog elke dag verder geschreven wordt. Het wekt de hoogste passies op, zodat mensen vol overtuiging hun leven ervoor geven: miljoenen deden het al, en nog steeds.

In een cultuur die geobsedeerd is door eindeloze groei – of het nu economisch, politiek of technologisch is – moet dit een fascinerende vraag zijn: hoe kon een verward groepje Galileïsche vissers uitgroeien tot de grootste beweging in de wereldgeschiedenis? Wat was de ‘toverdrank’, de succesformule van deze joodse splintergroep die de eeuwen overleefde en alle continenten veroverde? De ‘geheime formule’ lag enkel in de Persoon van de stichter: zijn enige wapen was zijn stem! Maar de woorden die uit zijn mond kwamen waren ‘dynamiet’, krachtig genoeg om miljoenen mensenlevens op hun kop te zetten.

Volgens Rik Torfs is de kerk (nog steeds) fantastisch: het is maar waar je naar kijkt! Je kan focussen op de mistoestanden en schandalen – die sommige media graag breed uitsmeren – , of op de miljoenen mensen die trouw doorgaan en zich belangeloos inzetten. Geloven in een God van volmaakte liefde is en blijft één van de sterkste motivaties voor radicale naastenliefde, idealisme, zelfoverstijging, hoge morele normen, strijd voor sociale gerechtigheid.

De crisis in de kerk heeft altijd ook een positieve keerzijde: never waste a good crisis! Elke storm doet dode takken uit de bomen vallen. Als ‘meelopers’ afhaken blijven de overtuigden over. Ballast verliezen maakt je lichter voor de volgende etappe. Een uitgezuiverde kerk kan enkel mooier worden. Zalig zij die met opgeheven hoofd doorheen de schuddingen gaan en er maximaal uit leren: zij zullen er versterkt uit tevoorschijn komen. Wat ‘onwankelbaar’ is, blijft staande. Zo komen op veel plaatsen kleine, levende gemeenschappen op: basisgroepen waar mensen nog enthousiast mogen zijn over hun geloof, waar God nog God mag zijn: niet enkel voor één uurtje per week, maar ‘overstromend’.

Paulus vergelijkt crisissen – in de wereld en de kerk – met barensweeën die erop wijzen dat iets nieuws aan het komen is. Een geboorte is een wonder, een wedergeboorte ook. In het Pinksterverhaal komen beide samen. Christenen moeten altijd ‘in blijde verwachting’ zijn.

Wil je wat meer menselijk contact? Kies voor een dumbphone

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Onlangs werkte de ticketautomaat in het station van Buizingen niet. Aangezien er geen loket is en ik buitenshuis geen smartphone meeneem, om meer aanwezig te zijn voor mijn omgeving en mijn mentale rust te bewaken, kocht ik een biljet bij de vriendelijke conducteur. Die informeerde me dat dat vanaf juli niet meer zal kunnen. Wat moet een dumbphone-persoon als ik dan doen bij machinefalen? “De klantendienst zal dat wel begrijpen”, hoopte hij.

In het station van Evere een week later bleek de automaat weggehaald en moest ik opnieuw zonder ticket de trein op. De conductrice zei dat ook in het station Merode de automaat zomaar was verdwenen. Nog een week later was het station van Halle gesloten en werkte de enige automaat niet. Mijn vrouw kon na tien minuten geknoei op haar smartphone onze tickets regelen.

Valt er nog te ontsnappen aan de digitale wereld? Bestelzuilen vervangen kassiers, webwinkels concurreren lokale handelaars weg. Bijna alles in het leven verloopt via de smartphone, van openbaar vervoer over menselijk contact tot het opvolgen van je menstruatiecyclus. En binnenkort vormt AI nog een extra dik, talig laagje tussen alles in.

Digitalisering levert in veel gevallen efficiëntiewinsten op. Maar wat zijn de nevenkosten daarvan, en zijn die altijd te verantwoorden? Als we willen dat technologie tot een betere samenleving leidt, dan moet ze wat de Duits-Amerikaanse filosoof Albert Borgmann “focale praktijken” noemt vrijwaren. Dat zijn activiteiten die betekenisvol zijn, omdat ze ons met elkaar en de wereld verbinden en daarvoor onze aandacht en de ontwikkeling van vaardigheden vereisen. Een voorbeeld: met een kachel het huis verwarmen vereist dat je hout hakt en vuur leert onderhouden, terwijl de vlammen mensen bij elkaar brengen. Zo’n zelfontplooiing, fysieke activiteit en belichaamde verbinding zijn belangrijk voor ons mens-zijn. Toch vervangen we focale praktijken al snel door ‘apparaten’, die ons, als ze werken tenminste, met een snelle druk op de knop het eindproduct geven, zonder meer. Maar die ‘meer’ is net belangrijk. Centrale verwarming vereist weinig vaardigheden en brengt niemand samen, je stelt gewoon de thermostaat in.

Dat we kachels vervangen door centrale verwarming, is op zich is niet problematisch. We hebben pas een probleem wanneer steeds meer focale praktijken in de verschillende aspecten van het leven verdwijnen. Zo noopt het leven ons steeds minder tot sociaal contact, verstilling, zelfontwikkeling en connectie met de natuur, en verarmen we als mensen. We moeten ons afvragen welke praktijken we willen vasthouden en welke nieuwe praktijken we willen ontwikkelen.

Mijn keuze voor een dumbphone is een manier om mezelf te dwingen wat vaker mensen aan te spreken: om een ticket te kopen, de weg te vragen of gewoon de tijd te verdrijven. Dat zijn kleine contacten die volgens de langste studie ter wereld over menselijk geluk veel bijdragen tot ons welzijn. Terwijl de NMBS zich hopelijk bezint over hoe ze smartphoneloze mensen zal blijven bedienen – niet alleen vreemde snuiters als ik, maar ook ouderen, digibeten en mensen met een laag inkomen – kan ze zich ook afvragen hoe ze te midden van haar digitalisering nieuwe focale praktijken kan cultiveren. Sommige treinen hebben vandaag stiltewagons. Waarom niet praatwagons introduceren, waar smartphones taboe zijn en gesprekken de norm?

Supermarkten, zondagen en het vierde gebod

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

De maatschappelijke discussie over de zondagsopening van supermarkten is behoorlijk hevig en tegelijk erg relevant, want ze roept principiële vragen op. De stakingen bij Aldi beroeren vele mensen en raken een diepere, gevoelige snaar. Gaat het enkel om concurrentiekracht, juiste arbeidsvoorwaarden en hogere vergoedingen, of spelen er diepere verzuchtingen en noden?

In onze tijd houden we niet van principiële vragen: we willen een onmiddellijke oplossing en bedrijven verkiezen winst boven principes. In mijn kinderjaren waren op zondag alleen de bakkers open, en dan enkel in de voormiddag. Voor de rest: alles toe. Vandaag lijkt voor velen de wet op de zondagsrust een relikwie uit vervlogen tijden dat niet meer past bij de moderne groei-economie en de absolute vrijheid van ondernemen.

De vraag is of de zondagsrust een typisch christelijk principe is, een religieuze verplichting uit een ander tijdperk die in een postchristelijke cultuur ook afgeschaft mag/moet worden – als dat niet al grotendeels gebeurd is. Of is het daarentegen iets diep menselijks en noodzakelijk voor ons mentale welzijn?

Geen machine, maar een mens

Als dat principe ter discussie staat, is het nuttig om te verkennen waarom het ooit werd ingevoerd. De wet op de zondagsrust is al eeuwenoud: ze werd in het jaar 321 geïntroduceerd door keizer Constantinus, maar vindt eigenlijk zijn oorsprong in het vierde van de tien geboden, dus al meer dan 1.500 jaar eerder. In het oude Israël was de sabbat zo belangrijk dat het in de ‘top tien’ stond.

Maar waarom dan? De religieuze motivatie was: God werkte zes dagen en rustte op de zevende dag, dus moet de mens zijn voorbeeld volgen. Zo moet hij tijd maken (1) om achterom te kijken en te genieten van zijn werk, en (2) voor God en de hogere doelen waarvoor hij gemaakt is. Daarom wordt het vierde gebod soms het ‘leukste’ gebod genoemd: móéten rusten! De sabbat was een ‘heilige’ dag, wat betekent ‘apart gezet’, dus ánders dan de andere dagen.

De context waarin het gebod gegeven werd, is ook betekenisvol: na de bevrijding uit Egypte kreeg Mozes van God de geboden op de berg Sinaï. Tot dan toe waren ze 400 jaar slaven geweest voor de farao: zwoegen en zweten, zeven dagen op zeven, zonder onderbrekingen. De sabbat was voor hen dus een teken van vrijheid, een heerlijk cadeau uit de hemel. Eindelijk! Je hóéft niet als een machine voortdurend onder hoogspanning te staan. Het menselijk lichaam is niet ‘gemaakt’ om non-stop op hoge toerentallen te draaien.

Relaties centraal

De diepere boodschap is: het leven is méér dan in de aarde wroeten en geld verdienen. We mogen en moeten genieten: onthaasten, ont-moeten, onszelf tijd gunnen voor belangrijkere dingen. We zijn geen ‘human doings’, maar ‘human beings’. Voor één dag prestatiedrang aan de kant en relaties centraal. Dus ook tijd en energie voor geliefden, gezin, vrouw en kinderen.

De discussie zegt dus veel over onze huidige cultuur en maatschappij: kiezen we voor welvaart of voor welzijn, kwantiteit of kwaliteit? Is ‘huisje-boompje-beestje’ het hoogste levensdoel? Hebben – of: máken – we nog tijd voor de hogere dingen des levens, voor zingeving, God en geloof? Of hollen we maar verder zonder te weten waarom of waarheen? En maken we ook tijd voor familie en vrienden, hobby’s en ontspanning, genieten van schoonheid en natuur, het herontdekken van stilte?

Inefficiënt, onproductief, nutteloos

Vroeger moesten mensen hard vechten voor een rustdag, nu vechten sommigen om die afgeschaft te krijgen. Al decennia wordt zondagsrust ondergraven en afgebouwd: we groeien naar een 24-uurseconomie, met nachtwinkels als summum. Sommigen noemen dat ‘groeidwang’, de dictatuur van het altijd-méér. Alsof mensen meer gaan consumeren omdat winkels langer open zijn.

Op zondag is de kerk vervangen door de shoppingcentra. We hebben collectief een cultuur gecreëerd waar onze waarde wordt bepaald door wat we dóén of hébben, niet door wie we zijn: de homo consumens. Rusten is tijdverspilling, inefficiënt, onproductief, nutteloos.

Is de sabbatsrust dan een last of een lust, een storende verplichting of een godsgeschenk? Sommige mensen moeten als het ware verplicht worden te stoppen met werken: om hen tegen zichzelf en hun ‘workaholisme’ te beschermen. Omdat ze slaaf zijn van materiële zorgen en ‘nooit-genoeg’: waarbij ze dus hun eigen slavendrijver zijn. Vooral mannen zijn hier vatbaar voor.

Tegenbeweging

Die zelfverwaarlozing blijkt nefast en verwoestend voor onze psyche. De geneeskunde bevestigt: adrenaline is bedoeld voor korte krachttoeren bij noodgevallen, niet voor langere periodes. Als we roofbouw plegen op ons lichaam, beschadigen we het: er ‘branden draadjes door’ in onze hersenen. 585.000 langdurig zieken in ons land, vooral door psychische problemen. En de sociale gevolgen zijn de vele gebroken relaties, afwezige vaders, gezinnen die als los zand aan elkaar hangen.

Hoeveel verder kunnen we nog gaan in openingsuren? Van 7u tot 21u, tot 24u …? Hoeveel méér psychische problemen willen we? Er is dringend een tegenbeweging nodig, en sommigen zoeken al op allerlei manieren de stilte of onthaasting op. Maar we mankeren vooral een collectief ritme. En daarom is het uiterst moeilijk om ons vrij te vechten uit de ratrace. Wie durft moedig in te gaan tegen het eindeloze opbod van ‘méér’? Welke bedrijven, politici of … u en ik?

AI vergt een nieuwe deal tussen arbeid en kapitaal

Origineel gepubliceerd in De Tijd.

Welke impact zal artificiële intelligentie op ons werk hebben? Het World Economic Forum (WEF) schat dat tegen 2030 92 miljoen jobs zullen verdwijnen vanwege AI, vooral onder administratief en secretariaatspersoneel. Maar er zouden ook 170 miljoen jobs worden gecreëerd, de meeste daarvan in de (land)bouw, verkoop en voedselverwerking. Relatief gezien zou de grootste groei zich in software, big data, fintech en AI-gerelateerde jobs voltrekken.

Maar, waarschuwt het WEF, ‘zonder passende besluitvormingskaders, economische stimuleringsmaatregelen en, mogelijk, overheidsregelgeving blijft het risico bestaan dat technologische ontwikkelingen vooral gericht zullen zijn op het vervangen van menselijke arbeid, wat de ongelijkheid en de werkloosheid zou kunnen vergroten.’

Nobelprijswinnaars economie Daron Acemoglu en Simon Johnson vrezen voor dat tweede scenario. In hun boek ‘Power and Progress’, over de eeuwenoude relatie tussen technologie, werk en welvaart, bekritiseren ze het geloof dat productiviteit verhogen en winstmarges maximaliseren vanzelf leidt tot meer werk, stijgende lonen en algemene welvaart.

Groeiende ongelijkheid

Dat gebeurt enkel onder bepaalde omstandigheden, stellen ze: wanneer technologie niet ingezet wordt om werknemers te vervangen of strikter te surveilleren, maar om ze te ondersteunen en om nieuwe opportuniteiten te creëren. Bovendien moeten werknemers kunnen delen in de productiviteitswinsten, hetgeen vooral gebeurt wanneer er geen monopolies ontstaan, werknemers collectieve actie kunnen ondernemen en overheden navenant reguleren. Anders stijgt de ongelijkheid en daalt de kwaliteit van het werk.

De eerste industriële revolutie is het schoolvoorbeeld van hoe het mis kan lopen, met kapitaalconcentratie, een verbod op vakbonden en voor arbeiders de wereld die we kennen uit ‘Daens’. Tegenover dat schrijnende tijdperk staan les trente glorieuses, de unieke naoorlogse periode waarin groeiende productiviteit, waardiger werk én algemene welvaart hand in hand gingen. Dat was mogelijk dankzij nieuwe maatschappelijke structuren die constructief overleg tussen bedrijven, vakbonden en overheden faciliteerden.

Volgens Acemoglu en Johnson heerst vandaag opnieuw het geloof dat bedrijfswinsten en aandeelhouderswaarde maximaliseren in het algemeen belang is. Bovendien wordt AI op veel plaatsen ingezet om te surveilleren – denk aan werknemers in Amazon-magazijnen of gig-werknemers bij Uber – en om de cognitieve mens te automatiseren.

Ondertussen faalt het sociaal overleg – zie de frequente stakingen – tieren digitale monopolies welig, en dereguleren overheden wereldwijd, inclusief de onze. Dat is waarom Acemoglu en Johnson vrezen voor een groeiende ongelijkheid en verslechterende werkomstandigheden.

Arbeid versus kapitaal

In de nasleep van de eerste industriële revolutie, te midden van het broeiende conflict tussen kapitalisme en socialisme, werd Adolf Daens geïnspireerd door de katholieke sociale leer, die een middenweg zocht tussen twee kwalijke extremen. Tegen het staatssocialisme onderschreef die het belang van individuele vrijheid en het recht op privébezit. Tegen het laissez-fairekapitalisme verdedigde ze rechtvaardige arbeidsomstandigheden en solidariteit met de zwakken.

Maar ook het schijnbaar inherente conflict tussen de belangen van arbeid en kapitaal moest overstegen worden. In ‘Rerum Novarum’, een encycliek uit 1891 over de situatie van de arbeidersklasse, schreef paus Leo XIII: ‘Kapitaal kan niet zonder arbeid, noch arbeid zonder kapitaal. Eendracht kweekt schoonheid en goede orde, terwijl aanhoudend conflict noodzakelijk wanorde en brutale barbaarsheid produceert.’

Belangrijk daarbij is dat kapitaal en arbeid in een juiste verhouding staan. Het doel van kapitaal is in de eerste plaats om arbeid mogelijk te maken, en het doel van arbeid is in de eerste plaats de mens: die ontplooit zich tijdens zijn werk, vindt er een gemeenschap en levert een waardevolle bijdrage aan de maatschappij. In onze huidige economische systemen is de volgorde eerder omgekeerd.

Waardig werk

Kan het anders? Tech-CEO’s spiegelen ons een toekomst voor waarin menselijke arbeid volledig weg is geautomatiseerd, omdat AI en robots al het werk goedkoper en beter kunnen uitvoeren en enorme welvaart genereren. Dankzij een universal high income zouden we allen een luxueuze levensstandaard genieten en onze tijd naar believen kunnen invullen. Dat kan goed klinken als arbeid een noodzakelijk kwaad is om te overleven en te kunnen genieten van het leven na het werk.

Een andere vraag is of een toekomst waarin menselijk werk economisch gezien waardeloos wordt, wel wenselijk is. We zouden natuurlijk nog steeds op eigen initiatief, zonder noodzaak, kunnen werken, zoals we ook sporten – hoewel het leven ons niet meer dwingt tot fysieke inspanning. Maar zal dat evenveel betekenis hebben?

Eerlijk gezegd kies ik liever voor een toekomst waarin waardig menselijk werk centraal staat in de economie. AI kan dat ondersteunen, maar om op zo’n toekomst aan te sturen hebben we vooral een nieuw soort samenwerking nodig tussen kapitaal en arbeid, tussen werkgever en werknemer, tussen bedrijven, overheden en vakbonden. Als alle spelers de handen in elkaar slaan om het conflict tussen kapitaal en arbeid te overstijgen, in plaats van louter de eigen belangen te verdedigen en het conflict in stand te houden, dan ben ik hoopvol voor onze toekomst.

Van Prometheus tot AI: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken

Origineel gepubliceerd bij Knack.

Toen de Titaan Prometheus het vuur aan de mens gaf, schafte hij de goden af. Dankzij het vuur kon de mens namelijk licht in de duisternis brengen, warmte in de kou, hij kon steeds gesofisticeerdere gereedschappen ontwikkelen en zijn controle over de natuur breidde gestaag uit. Mettertijd werden de goden overbodig. Zeus had dit voorzien en was razend op Prometheus’ verraad. Hij verdoemde de Titaan tot een dagelijkse leverresectie uitgevoerd door een adelaar tot het einde der tijden. Voor de 19e-eeuwse humanisten was Prometheus echter een held: hij was de nobele god die zijn ras afschafte om plaats te ruimen voor de mens, het nieuwe centrum van de schepping.

In 1818 schreef Mary Shelley de roman Frankenstein, over een excentrieke wetenschapper die een mensachtig wezen samenstelt en tot leven wekt. Het monster ontsnapt echter, ontdekt het vuur, wordt door mensen vervolgd en doodt uiteindelijk dokter Frankensteins geliefden, waarna de man zelf ook sterft. Het is niet voor niets dat de ondertitel van Frankenstein “The Modern Prometheus” is.  Volgens Shelley herhaalt niet alleen de geschiedenis zich, maar ook mythes. Als we onze creaties het vuur geven, riskeren ze ons af te schaffen. Want de mens is niet onvermijdelijk het centrum van de schepping; net als de goden kunnen we van onze troon gestoten worden.

Vandaag is die boodschap uiterst relevant, stelt Brits mytheverteller Stephen Fry. Hij trekt paralellen tussen de Prometheusmythe en de ontwikkeling van AI. Handelen we als Prometheus en geven we onze schepselen steeds meer macht en autonomie, waardoor we onszelf overbodig maken en misschien zelfs afschaffen? Of proberen we als Zeus te zijn en houden we AI op haar rechtmatige plaats, als dienaar onder onze controle, louter een krachtig gereedschap?

De grote taalmodellen achter de huidige chatbots zijn getraind op al de teksten en berichten die we collectief op het internet plaatsten, van boeken en nieuwsartikels tot blogs, mails en sociale mediaposts. Vandaag worden steeds meer teksten geschreven door chatbots. Sinds enkele jaren worden programmeurs ingehuurd om AI-systemen beter te leren programmeren. Vandaag beweren bedrijven als Anthropic dat 90% van hun code geschreven is door AI. En onderzoekers bij OpenAI zetten alles op alles om een volautomatische onderzoeker te bouwen, die de wetenschap in hun plaats kan bedrijven.

Ondertussen leveren miljoenen Tesla-eigenaars de rijgegevens die gebruikt wordt om Tesla auto’s en vrachtwagens volledig autonoom te maken. In Chinese fabrieken dragen werknemers virtual reality-headsets en exoskeletten terwijl ze onophoudelijk microgolfovens openen of kleren strijken, en freelancers in Nigeria en Indië met een iPhone op het voorhoofd vastgemaakt filmen zichzelf bij het uitvoeren van allerhande huishoudelijke taken. Dit om de massa’s data te genereren die nodig zijn om de robots van de toekomst te trainen. Die zullen vervolgens onze huishoudelijke taken overnemen.

Samengevat: we leveren collectief de data die gebruikt worden om ons overbodig te maken.

Toegegeven, afstompend of gevaarlijk werk uitbesteden aan machines is uiteraard wenselijk. Alleen bouwen we niet enkel gespecialiseerde systemen die één bepaalde taak kunnen uitvoeren – een wasmachine vullen, een bom onschadelijk maken – maar algemene systemen die de mens in zijn geheel automatiseren. Dat is het punt van artificiële algemene intelligentie (AGI) en humanoïde robots. Die zullen niet alleen vervelend administratief of huishoudelijk werk kunnen overnemen, maar elke intellectuele en fysieke activiteit. Wat als AI-gedreven robots alles kunnen wat een mens kan, en misschien zelfs beter? Zal er dan nog plaats zijn voor ons in deze wereld? Of zal ons het lot van de Griekse goden beschoren zijn?

We houden wel van verhalen waarin de onderdrukten zich emanciperen. Zeker als wij zelf bij die onderdrukten horen. Daarom spreekt de Prometheusmythe aan. Maar Frankenstein houdt ons een spiegel voor: wat als wij bedreigd worden door de emancipatie van onze creaties? Zijn we dan voor die emancipatie? Zullen we AI’s en robots rechten geven, hen behandelen als evenwaardige wezens? En zullen zij ons nog rechten gunnen? Zullen zij ons bestaan dulden, ook al deden wij dat niet met de goden van weleer? Hoewel we geen collectief gedragen antwoord hebben op die vragen, stormen we vooruit met de ontwikkeling van AI en robotica. Dat er geen geest in de machine zit en vermoedelijk nooit zal zitten, doet er dan niet toe. Wat telt is of we een wereld scheppen waarin de mens nog van belang is of niet.

Misschien hebben we een ander soort verhaal nodig. Niet een van rivaliteit tussen schepper en schepsel, maar van samenwerking. Met Pasen wordt elk jaar het verhaal verteld van de afgeschafte God die de mens zo centraal stelde dat hij er zelf een werd. Misschien geeft dat verhaal meer inspiratie en hoop dan de Prometheusmythe of Frankenstein?

Oorsprong van de grote christelijke feesten wordt steeds meer onder de mat geveegd

Pasen komt er weer aan en dat stelt ons als moderne westerlingen steeds opnieuw voor de vraag: wat moeten we hiermee? Vieren of niet? Even stilstaan bij de reden en de betekenis van het feest, of vooral paaseitjes smullen en snel voorthollen? Onze cultuur spoort ons enthousiast aan om te feesten zelfs zonder enige reden: het is natuurlijk de commercie die deze ‘hogere filosofie’ als een seculier gebod uitbazuint, want de economie moet draaien. Zijn we dan collectief volleerde en doorwinterde materialisten aan het worden?

De oorspronkelijke betekenis van de grote christelijke feesten wordt in onze cultuur steeds meer onder de mat geveegd. Nochtans vertegenwoordigen zij vitale en essentiële waarden in het DNA van de westerse beschaving. Als rond Pasen alleen de chocolade paashaas en de eitjes overblijven, is het droevig gesteld met de spiritualiteit van de humanistische mens.

Met Pasen wordt nochtans wereldwijd, nog steeds door 2,5 miljard christenen, de opstanding van Jezus uit de dood gevierd. Voor velen klinkt dit misschien als ‘oude verhaaltjes’ uit een héél oud boek, maar er zit veel meer achter. Wat Jezus daar aan dat kruis deed, geldt voor christenen als de hoogst denkbare prestatie ooit.

Even een omwegje als aanloop om dit te kaderen. Vandaag kennen wij ontelbaar veel soorten wedstrijden ‘voor het eerst, verst, hoogst, langst…’: we zijn dol op kampioenschappen en records! Er bestaan ± 400 officieel erkende sporten, en volgens de World Sports Encyclopedia meer dan 8.000 sporten en spelvormen wereldwijd. Daarbuiten heb je nog de gekste competities in zoveel mogelijk hamburgers eten, luchtgitaar spelen, teenworstelen…

Welk nut hebben zulk soort wedstrijden, wat leveren ze op? En als zo’n topsporter indrukwekkende spieren heeft, of een record met een miliseconde scherper stelt, is hij daarom een indrukwekkend méns? Wat heeft hij écht bewezen? Geeft dat hem meer spreekrecht of gewicht dan u en mij? De nuchtere Johan Cruijff zei al: ‘Voetbal is de belangrijkste bijzaak ter wereld.’

Er is de laatste decennia een echte aardverschuiving gekomen in de waarden van de westerse cultuur. Wie wordt namelijk op de podia geheven of geroemd? Er was een tijd dat dat – in katholieke landen althans – met de heiligen gebeurde. Vandaag kijken we daar wat meewarig naar, en toegegeven: de hele santenboetiek was behoorlijk uit de hand gelopen. Maar er zat wel een diepzinnige reden achter de verering: omdat deze mensen staan voor spirituele en morele waarden zoals naastenliefde, zachtmoedigheid, geloof, trouw, zelfopoffering, dienstbaarheid – zoals vele pater Damiaans en moeder Teresa’s.

Vandaag doet onze cultuur lacherig en neerbuigend over vroomheid of deugdzaamheid, reinheid of eerbaarheid – als ‘hopeloos ouderwetse’ en voorbijgestreefde deugden. Maar het woord ‘heilig’ is verwant met ‘heel’, (Engels) whole, holistisch, uit één stuk dus.

We lachen met ‘heiligheid’ maar snakken naar ‘integriteit’: hoezo?

Paulus omschrijft als de hoogste deugden in de christelijke moraal ‘geloof, hoop en liefde’, en voegt er onmiddellijk aan toe dat de liefde van deze drie de hoogste is (1 Kor. 13:13). Want zeker ook de moeilijkste: omdat onze natuurlijke zelfgerichtheid zo diep ingebakken zit. Omdat jezelf overwinnen veel moeilijker is dan een wereldrecord breken.

Zo komen we dus weer bij Jezus uit: dat hij bewust, met overtuiging en vrijwillig zijn kruisiging tegemoet stapte, is bovenmenselijk. Wie zou het hem nadoen? Hij wist welke foltering op hem wachtte, geseling, slagen, bespotting en zes uren van de gruwelijkste pijnen. Een sportkampioenschap winnen vraagt ook veel opofferingen, discipline en pijn, maar niet zoals deze.

De Mount Everest beklimmen is extreem, ‘bijna sterven’. Maar de top van morele volmaaktheid bestijgen is helemaal ‘sterven aan jezelf’. Dat is echter wat liefde doet: sterven aan zichzelf, het directe eigenbelang of comfort. Streven naar perfectie in de liefde vereist een ander soort, innerlijke discipline: pijn kunnen incasseren aan je ego. Het was of is nooit de populairste ‘hobby’. Men noemt deze de ‘zachte waarden’, maar ze zijn zeker niet voor watjes: ze vragen bikkelharde tests in karaktersterkte.  

Wie echter beoefent deze ‘edele disciplines’ vandaag nog? In onze cultuur worden ze in ieder geval niet financieel beloond noch massaal geliket in sociale media. Dat deze waarden niet meer geleerd of voorgehouden worden, is waarschijnlijk de grootste reden voor de verharding of verzuring in onze maatschappij. Zachtmoedigheid wordt geridiculiseerd als zwakheid. Macho is weer ‘in’. De wereld is aan de brutalen.

Ach, ben ik extreem naïef als ik droom van een wereld waar WK’s worden georganiseerd in integriteit en liefde, Nobelprijzen worden uitgereikt voor trouw en onbaatzuchtigheid, eredoctoraten in zelfopoffering en barmhartigheid? Nee, ik vind het écht niet eerlijk noch proportioneel dat gouden medailles vooral gaan naar gespierde benen of alle applaus naar uiterlijke schoonheid: waarom niet naar hen die ‘de linkerwang toekeren’ en hun vijanden zegenen, wat waarschijnlijk het toppunt is van liefde?

Deze waarden beoefenen zou wel uiterst ‘nuttig’ en relevant zijn vandaag en een wereld van verschil uitmaken in alle hedendaagse wereldconflicten en oorlogen. Ik weet het: ik ben héél naïef. Maar ik verkies te geloven dat de liefde aan het einde zál overwinnen, dat haat niet het laatste woord heeft, dat de dood al overwonnen is. Jezus geloofde dat en ging door: hij zag het Koninkrijk van God al vóór zich, een nieuwe wereld waar de kronen aan het juiste soort ‘helden’ zullen toekomen. Hij was geen naïeve dromer, maar een visionair. En 2,5 miljard mensen volgen hem daarin. Naïef of hoopvol?

Misschien kan Pasen een aanleiding zijn om toch drie minuten – de leestijd van dit artikel – bij onze échte waarden stil te staan?

Straks zijn we overgeleverd aan de genade van AI

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorige week werd in deze krant meermaals gewezen op de groeiende en soms kwalijke rol die AI speelt in moderne oorlogsvoering, eerst in Oekraïne, dan Gaza en nu Iran. Een van de grote ethische vraagstukken daarbij is wie of wat welke beslissingen neemt en daar de eindverantwoordelijkheid voor draagt. Is dat AI of de mens? Generaals en defensiebedrijven beweren dat er altijd menselijke inbreng is: de ‘kill chain’ zou niet volledig algoritmisch gestuurd worden.

Dat is twijfelachtig. Kijk maar naar de massale vernietiging die Israël veroorzaakte in Gaza, waarbij AI tienduizenden doelen voorstelde en Israëlische soldaten maar 20 seconden per doel kregen om dat voorstel goed te keuren, met alle nevenschade van dien. Volautomatische wapensystemen lijken onvermijdelijk in de huidige militaire wedloop, vanwege de voorsprong die ze geven dankzij hun snelheid. Of het wenselijk is om menselijke beslissingen en morele verantwoordelijkheid op die manier uit te besteden, klinkt dan als een vervelend filosofisch vraagstuk dat je beter pragmatisch aan de kant kunt schuiven.

Dat vraagstuk blijft niet beperkt tot oorlogsvoering. Overal waar beslissingen worden overgelaten aan AI of andere machines, krijgen we ermee te maken. Neem nu zelfrijdende auto’s. De belofte is dat die veiliger zullen zijn dan wagens die door een mens bestuurd worden: AI kan veel sneller reageren, haar aandacht verslapt nooit en ze kan niet dronken achter het stuur kruipen. De recentste autonome automodellen lijken inderdaad in de meeste omstandigheden veiliger te zijn. Bij dageraad, schemering of mist hebben ze het soms moeilijk, dus vereisen ze nog steeds menselijke controle. De ‘bestuurder’ moet te allen tijde klaarstaan om in te grijpen (al rijd ik in dat geval liever zelf, eerlijk gezegd).

Fietser of voetganger?

Maar wat als de mens niet langer alert hoeft te zijn en rustig zijn krant mag lezen tijdens de autorit? Wat met onze verantwoordelijkheid als de auto zelf moeilijke ethische keuzes moet maken? Een fietser steekt onverwacht over en de auto kan niet op tijd remmen: moet hij dan de fietser omverrijden, uitwijken en inrijden op tegenliggers, of de stoep oprijden en daar voetgangers in gevaar brengen? Hoe moet de auto beslissen en wie draagt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen?

Hetzelfde dilemma dient zich aan in de platformeconomie. Daar verbinden algoritmes vraag en aanbod in digitale marktplaatsen. Denk aan Uber of Deliveroo, maar ook aan bedrijven in de zorg- of schoonmaaksector. Die werken met flexibele freelancers, wier werktempo, taken en verloning bepaald worden door een machine.

Steeds meer bedrijven zetten bovendien AI in om hun werknemers te surveilleren, om meer productiviteit uit hen te wringen. Amazon is daar het extreemste voorbeeld van. De keuzes die dergelijke algoritmes maken, hebben een reële impact op het welzijn en de waardigheid van het werk van tienduizenden werknemers. Van menselijke inbreng is geen sprake meer, toch niet bij individuele beslissingen.

Nevenschade

Als de controle overgelaten wordt aan AI, denkt men alleen nog in de ontwikkelingsfase na over de ethische keuzes die gemaakt zullen worden. In welke omstandigheden mag een drone kiezen om de trekker over te halen? Welke levens zijn meer waard dan andere in een gevaarlijke verkeerssituatie? Hoeveel werk kan een Uberchauffeur aan, hoe weinig mag hij verdienen? Zulke beslissingen worden van een afstand genomen, in het abstracte, niet geconfronteerd met de mensen op wie ze impact zullen hebben.

In het beste geval leidt dat tot een rationeler en eerlijker systeem, waarbij de menselijke vooroordelen worden uitgevlakt die het leven soms onrechtvaardig maken. In het slechtste geval leiden afstandelijke beslissingen tot genadeloze systemen die de voorkeuren en vooroordelen van een selecte groep mensen versterken. Van een afstand is het veel makkelijker te beslissen dat de nevenschade van een bombardement aanvaardbaar is als je een Iraanse leider wilt uitschakelen, dan wanneer je oog in oog staat met de mensen die mee zullen sterven. Uit studies blijkt dat als zelfrijdende auto’s moeten kiezen, mensen liever hebben dat ouderen, daklozen, criminelen en zwaarlijvige mensen overreden worden dan kinderen, hoogopgeleiden en slanke mensen. Vanuit het verre hoofdkwartier is het ook makkelijker om de werkdruk van Uberchauffeurs te verhogen en hun lonen te verlagen, dan als je hen persoonlijk kent en op de hoogte bent van hun gezinssituatie.

Utilitair filosoof William MacAskill, die veel invloed heeft in Silicon Valley, stelde in een gedachte-experiment dat het beter zou zijn een Picasso te redden uit een brandend huis dan een kind, omdat je met het geld dat de Picasso kan opleveren meer kinderen zou kunnen redden. Kan zijn, maar als de robots van de toekomst zo geprogrammeerd worden, dan hoeft het voor mij niet.

Utilitaire moraliteit

Een dosis afstandelijkheid is nuttig bij morele beslissingen, zoals ook John Rawls argumenteerde met zijn gedachte-experiment ‘sluier van onwetendheid’: als we niet weten wie de ander is, kunnen we vooroordelen overstijgen en rechtvaardige principes formuleren. Maar we wéten of we generaals of bedrijfsleiders zijn die kunnen bepalen wiens belangen AI dient. Daarom is ook nabijheid essentieel: ze helpt ons om empathische principes te formuleren in het belang van iedereen, en om de genade op te brengen om de vele uitzonderingen op onze regels te herkennen. Mensen in de ogen kijken is nodig om de machinale en dus onmenselijke utilitaire moraliteit te overstijgen. Niet alles kan gemeten worden, niet alle gevolgen kunnen worden voorzien.

Tenzij we AI-systemen kunnen bouwen die empathie en genade ontwikkelen, stevenen we af op een steeds hardere en onrechtvaardigere wereld. Maar zelfs als we “machines of loving grace” zouden kunnen bouwen, zoals Dario Amodei, de ceo van Anthropic, ze noemt, blijft de vraag: willen we echt van de genade van machines afhangen?

Make Belgium Great (Again): hoe, wat, waarin?

Origineel gepubliceerd op Doorbraak.

‘Make America Great Again’: de bekende of beruchte MAGA-slogan van president Donald Trump kent intussen iedereen op deze planeet. Zoals (bijna) elke verkiezingsslogan is hij op zich niet fout, maar ook niet erg veelzeggend: het hangt ervan af hoe hij ingevuld wordt. De slogan suggereert dat Amerika vroeger groot (of groter) was, maar klopt dat? ‘We’re not going to Make America Great Again — it was never that great… We have not reached greatness’, repliceerde Andrew Cuomo, toenmalig Democratisch gouverneur van New York, in 2018.

Waarom in ons land nog niemand opgekomen is met ‘Make Belgium Great Again’? Dé vraag is natuurlijk: groot op welk gebied? Politiek, economisch, militair, cultureel, intellectueel, sportief, sociaal…? Het zegt alles over de waardenschalen waarmee we vandaag ‘een grote beschaving’ meten.

De grootste

Het verlangen om ‘de grootste’ te zijn is al zo oud als de mensheid. Farao Cheops (2600 v.C.) wou zijn onsterfelijke grootheid vereeuwigen door de grootste piramide ooit te bouwen (146 meter). Welke opofferingen er gemaakt moesten worden in dienst van zijn vergoddelijkt ego was een detail in de marge. In alle wereldrijken na hem – van Mesopotamië tot Rome – was dat wezenlijk dezelfde drijfveer: de grootste willen zijn, tot elke prijs, massaal bloedvergieten inbegrepen.

Vaak werd de gewenste grandeur in bouwwerken uitgedrukt: burchten, triomfbogen, stadsmuren, paleizen… Vandaag is dat nog niet echt anders: de competitie om de hoogste toren ter wereld te hebben gaat door, van het One World Trade Center (New York, 541 meter) tot de Burj Kalifa (Dubai, 829 meter). Zulk soort stunts zijn bedoeld om de eigen superioriteit te bevestigen. Maar maakt dat een land echt tot hét grootste? Of is het een compensatie voor minderwaardigheidscomplexen?

Of is een land het grootste als het op de Olympische Spelen het hoogste aantal gouden medailles binnenhaalt? Of het hoogste bruto binnenlands product heeft, de meeste wetenschappelijke patenten, atoomkernkoppen of topkunstwerken? Amerika heeft als land zonder twijfel véle troeven, maar over de schaduwzijden kunnen ook dikke boeken geschreven worden.

Grenzeloze behoefte

Waar grenst grootheid aan grote ego’s en grootheidswaanzin? Wat is fake en opgeblazen? In welke mate willen heersers grootse dingen realiseren om hun eigen innerlijke onzekerheid te overschreeuwen? Zoals mannen met laag zelfvertrouwen willen imponeren met een stoere auto.

Een grenzeloze behoefte aan bewondering is volgens het DSM-handboek een kenmerk van narcisme. Iemand die per se moet ‘bewijzen’ dat hij ‘iemand’ is, worstelt met inferioriteit. Wie een sterke en gezonde identiteit heeft, hoeft dat niet uit te bazuinen. Net zoals een mooie vrouw geen plastische chirurgie, massa’s juwelen of make-up nodig heeft.

Eigenlijk willen de meeste wereldleiders hetzelfde als Trump: Vladimir Poetin wil ook Rusland in zijn ‘oude glorie’ als wereldmacht herstellen – gekrenkte trots? En Erdogan in Turkije en Xi Jin Ping in China? Hitler wou in wezen ook Duitsland weer groot maken na de vernedering van de Eerste Wereldoorlog. Dat is een probleem als míjn grootheid vereist dat jij kleiner moet worden gemaakt. Oekraïne betaalt een absurd hoge prijs voor Poetins megalomanie.

Innerlijke grootheid

Gelukkig bestaat er ook zoiets als innerlijke grootheid: grootmoedigheid, gulhartigheid, noblesse. We hoeven als Belgenlandje niet per se mee te gaan in een noodlottige competitie om ons als great voor te doen. Small is beautiful too. We kunnen streven naar grootheid in écht belangrijke zaken: medemenselijkheid en vriendelijkheid – zelfs al worden daar geen medailles voor uitgereikt.

Toen in 2005 de publieksstemming ‘De Grootste Belg aller tijden’ gehouden werd, werd uiteindelijk Pater Damiaan gekozen. Eddy Merckx, die als derde uitkwam, reageerde zeer sportief: ‘Ik zou me doodgeschaamd hebben als ze mij boven Damiaan verkozen hadden… Hij heeft veel meer voor de mensheid gedaan… Ik heb slechts ontspanning gebracht.’

Pater Damiaan heeft wereldwijd bewondering afgedwongen door zijn belangeloze en radicale inzet voor de minsten. Hij belichaamde dezelfde waarden als Jezus die geen enkele vorm van uiterlijke grootheid nastreefde, integendeel: het ging hem om welk soort méns je bent, diep vanbinnen, ‘als alleen God je ziet’. Of je nu gelooft in Jezus of niet, hij is een van de grootste wereldleraars wiens woorden we niet kunnen negeren.

Hij keerde de waarden van machthebbers ondersteboven, of beter gezegd: hij zette ze weer récht: ‘Wie onder u de grootste wil zijn, moet alle anderen dienen.’ Wie echt groot is, kan zich ook klein maken. Enkel wie vrij is van egotripperij is een veilige leider. Geloof, hoop en liefde zijn sterkere wapens dan geld, macht en kanonnen. Het nastreven van spirituele en morele grootheid levert in onze media helaas minder likes op dan machogedrag.

Welbevinden

Kan een land ook groot zijn inzake ‘bruto nationaal geluk’ of welbevinden? Volgens het World Happiness Report staat het kleine Finland al acht jaar op rij op nummer één voor welzijn en levenskwaliteit. Dat is pas een vermeldenswaardig én ‘nuttig’ wereldrecord! België staat in deze lijst op de 14de plaats, de VS op de 24ste. Trump heeft dus nog véél werk om de VS – op dit gebied – great te maken!

Zijn intussen roemruchte slogan houdt ons allemaal, individueel en als land, een grote spiegel voor: op welke vlakken willen we grootheid nastreven? Moet België de beste zijn in frieten, bier en chocolade? We hebben de wereld heus nog veel beters te bieden, en dat mag zonder enige protserige zelfverheffing.

Hoe voorkomen we dat AI het leven in onze plaats leidt?

Origineel gepubliceerd in De Standaard.

Vorig schooljaar muntte een Amerikaanse leraar op X de term ‘Claude boys’. Dat zijn jongens die niets doen zonder de AI-chatbot Claude eerst om raad te vragen. “I live by the Claude and die by the Claude”, is hun leuze. De leraar klaagde over een Claude boy die zijn huiswerk alleen wou maken als Claude dat zei.

Hoewel het verhaal verzonnen bleek te zijn, ging het rond als een lopend vuurtje. Als satire bekritiseert het een reëel fenomeen: de opmars van AI als persoonlijke assistent. De ceo van OpenAI, Sam Altman, pocht dat Gen Z’ers “geen levensbepalende keuzes maken zonder ChatGPT te vragen wat ze moeten doen” en theatermaakster Lena Majri outte zich hier al als ‘Claude wife’.

Claude en co. zouden je beter kennen dan je eigen moeder, haar qua intelligentie ver overtreffen en je daarom uitstekend adviseren bij al je vragen. Maar zelfs als dat klopt, hoe wenselijk is het dat onze levens steeds meer algoritmisch worden bepaald?

Het verlangen naar AI-advies is begrijpelijk. Het leven kent onzekerheden en dat schept onbehagen. “Welke studierichting zal mij liggen?”, “Verander ik beter van job?”, “Wat zal ik kiezen op restaurant?”, “Is mijn lief de ware?” of “Wat is de betekenis van het leven?” Het zijn alledaagse tot existentiële vragen zonder eenduidig antwoord. Uit een verlangen naar zekerheid willen we de beste keuze onderscheiden, het beste levenspad kiezen. Claude kan dan, zoals een waarzegger, onze onzekerheid wegnemen met een schijnbaar objectief oordeel. Daardoor voelen we ons verzekerd, tot de volgende levensvraag zich aandient en we opnieuw – en nog minder zeker van onszelf – bij ‘hem’ op visite gaan. Zo brokkelen ons zelfvertrouwen en onze autonomie af. Claude leidt het leven in onze plaats.

Vrij denken

Kant noemde dergelijke wilsafhankelijkheid ‘heteronomie’. Heteronomie staat haaks op de vrije geest van het verlichtingsdenken. Die emancipeert zich net van autoriteiten om zelfstandig het onzekere leven te trotseren: met vallen en moedig opstaan schaaft hij zijn oordelen bij, past hij zijn keuzes aan en bouwt hij zelfvertrouwen op. Descartes is met zijn duizelingwekkende meditaties die uitmonden in ‘cogito, ergo sum’ het schoolvoorbeeld van de autonome mens. Alles stelt hij in vraag, tot hij zichzelf ontdekt als ultiem fundament. Zo overstijgt hij zelfstandig zijn subjectiviteit en kijkt hij rationeel en objectief naar het leven. Een vrije denker heeft geen nood aan een orakel van Claude.

Alleen is absolute onafhankelijkheid onwenselijk. We zijn beperkt in kennis, blind voor onze biases en gevormd door culturele denkbeelden die moeilijk te overstijgen zijn. Zo ook Descartes: weinig bekend is dat hij uiteindelijk zijn cogito vestigde op een nog dieper fundament, een bewijs van een goede God. Heel objectief vinden moderne vrijdenkers dat niet. Het punt is dat niemand zijn subjectiviteit volledig kan afschudden. Maar met anderen lukt dat beter dan alleen. Daarom is de wetenschap opgezet als een gemeenschap met mechanismen voor samenwerking en structurele wederzijdse kritiek. Evenzo de democratie: dat is een georganiseerde ruzie tussen een groep politiek andersdenkenden, die dankzij een cultuur van overleg en oppositie tezamen een betere samenleving leiden dan een autocratische heerser alleen.

Tussen een slaafse afhankelijkheid van anderen en een overmoedige onafhankelijkheid ligt dus een gulden middenweg: een verbondenheid met elkaar die ruimte maakt voor zowel vertrouwen als kritiek. Dat is niet alleen wenselijk voor wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming, maar ook in het alledaagse leven. Een gezonde dialoog tussen het eigen denken en dat van anderen leidt tot meer overwogen keuzes.

En zo zijn we opnieuw bij Claude beland. Kan die niet fungeren als de ‘ander’, die ons met een extra perspectief helpt objectiever te oordelen en te beslissen? Ja, onder voorbehoud. Ten eerste, Claude is net als wij beperkt in kennis en bevooroordeeld, en is qua machine niet te vertrouwen zoals een rekenmachine dat wel is. Claude is niet objectief en mag dus geen autoriteit worden. Ten tweede, een vermogen om goede beslissingen te nemen was volgens de oude Grieken essentieel om een goed leven te leiden: de ‘praktische wijsheid’ is de moeder aller deugden. Aangezien men deugden moet cultiveren, moeten we zelf oefenen in het beslissen. Zonder Claude dus. Ten derde, advies inwinnen bij Claude mag niet ten koste gaan van de verbondenheid onder mensen, die fundamenteel is voor onze samenleving. De democratie wankelt al genoeg door de ontrafeling van het sociale weefsel, terwijl de wetenschap kraakt onder een stortvloed aan publicaties die men steeds vaker door AI laat peer reviewen, zodat er van ‘peers’ natuurlijk geen sprake meer is.

Frictieloze utopie

Als we als maatschappij willen floreren, moeten we dus zowel autonomie ontwikkelen als onze verbondenheid cultiveren. Dat betekent: zelfstandig denken, beoordelingsvermogen oefenen en onzekerheid leren verdragen, alsook (vertrouwde) mensen en menselijke bronnen raadplegen. Claude kan indien nodig dat streven ondersteunen, door aannames in vraag te stellen en op goede bronnen te wijzen. Maar behandel Claudes advies als dat van een onbetrouwbare nonkel. En dan nog is omzichtigheid geboden. De grens tussen ondersteuning en afhankelijkheid is onduidelijk. En Claudes input is niet neutraal: in welke mate wil je dat een chatbot die de belangen van techbedrijven dient, je denken vormt?

Hoe en of we Claude en co. gebruiken, moet dus in functie staan van onze autonomie en verbondenheid. Zo vermijden we slaafse Claude boys te worden, die denken dat het leven met AI te optimaliseren is tot een frictieloze utopie. Terwijl onze machines steeds menselijker lijken, zullen zij steeds meer als machines worden.